artikel

Arboprikkels door de tijd

Geen categorie

De RVB legde de bij haar aangesloten werkgevers premies op naar rato van het gemiddelde ongevalrisico van hun bedrijfsactiviteit. Vijfjaarlijks deelde ze de ongeveer 250 bedrijfstakken in bijna 100 gevarenklassen in op basis van de meest recente claimgegevens. Dat leidde tot grote verschillen in premiedruk. Het zeer gevaarlijke heibedrijf bijvoorbeeld betaalde per werknemer vijftig tot honderd keer meer premie dan veel minder risicovolle bedrijfstakken. De staatsuitvoerder claimde effectieve preventiewerking door dit verfijnde premiedifferentiatiesysteem.

 

De veruit grootste en meest invloedrijke private risicodrager – de Centrale Werkgevers Risicobank – hief geen premie, maar ging uit van onderlinge lastenverdeling. Bij deze cooperatieve organisatie waren werkgevers indirect aangesloten via onderlinge risicoverenigingen. Elke risicovereniging was verantwoordelijk voor het opbrengen van de jaarlijkse claimkosten van de leden: ondernemers met dezelfde bedrijfsactiviteiten en dus met een vergelijkbaar risicoprofiel. Men droeg elkanders lasten, uitgezonderd een zeker eigen risico. Wie geregeld te hoog claimde, werd het lidmaatschap ontzegd. De bank was ook zelf actief op preventiegebied. Ze zette bij haar uitvoerder Centraal Beheer een bureau op met technici die bedrijven ondersteunden en adviseerden. De Risicobank beweerde dat haar systeem van lastenverdeling de veiligheid beter bevorderde dan het premiesysteem van de RVB.

 

Vanaf 1903 ontving de Arbeidsinspectie alle ongevalmeldingen die de RVB binnenkreeg. Ze werd bovendien ingeschakeld om bedrijven te beoordelen voor indeling in gevarenklassen en gericht onderzoek te doen naar de veiligheid in bepaalde ondernemingen. De wetgever hoopte door de verplichte samenwerking tussen beide rijksdiensten twee vliegen in een klap te slaan. Die maakte niet alleen een nauwkeurige premiestelling voor de OW mogelijk, ook de arbeidsbescherming zou ervan profiteren. De ambtelijke samenwerking ging echter bepaald niet van harte. Beide diensten bleven tot aan het einde van de OW in 1967 feitelijk op eigen houtje opereren. Ook de voor de hand liggende samenwerking met de private risicodragers op het gebied van veiligheidsbevordering kwam nauwelijks van de grond. De onderlinge verschillen bleken te groot en de belangen te uiteenlopend. De enige gezamenlijke vooroorlogse wapenfeiten waren de uitgifte van de bekende veiligheidsaffiches en het verzorgen van ‘veiligheidskwartiertjes’ op de radio in de crisistijd. Vooral de werkgevers hielden de boot voor verdere samenwerking af Werknemers en hun organisaties kwamen in het preventieverhaal nauwelijks voor.

 

Vreemd genoeg heeft niemand ooit de moeite genomen serieus na te gaan of de OW inderdaad de veiligheid in verzekerde bedrijven hielp bevorderen. De RVB publiceerde van 1903 tot 1963 jaarlijks uitgebreid statistisch materiaal over toegekende ongevallen- en beroepsziektenclaims. De ongevalcijfers uit deze Ongevallenstatistieken blijken – met enige correctie – onderling goed vergelijkbaar.

 

In de grafiek is de jaarlijkse incidentie tussen 1903 en 1963 afgebeeld van alle bedrijfsongevallen met meer dan twee dagen verzuim. Eveneens is de incidentie van de fractie ongevallen met zwaar letsel (leidend tot meer dan zes weken verzuim, definitieve arbeidsongeschiktheid of de dood) weergegeven. De grafiek laat zien dat tot eind jaren ’30 de incidentie van alle verzuimongevallen tamelijk constant blijft, met toenames in periodes van stijgende conjunctuur en afnames tijdens economische crises. Conjunctuur is een bekende determinant in de ongevallenstatistiek. De incidentie van ernstige ongevallen laat eenzelfde patroon zien.

 

In de oorlogsjaren neemt het ongevalgevaar schijnbaar dramatisch toe. Volgens de RVB is deze stijging vooral het gevolg van het toekennen van OW-uitkeringen voor gefingeerde ongevallen om gedwongen tewerkstelling in Duitsland af te wenden. Deze oorlogscijfers zijn daarmee minder relevant voor de hier beschreven trends.

 

In de eerste naoorlogse jaren ligt het ongevalgevaar veel hoger dan voor de oorlog. Vervolgens zet een continue daling in: van 152 verzuimongevallen per 1000 verzekerde werknemers in 1947 tot 81 in 1963. Deze periode wordt gekenmerkt door snelle en aanhoudende economische groei. De incidentie van ongevallen met ernstig letsel laat een vergelijkbaar naoorlogs patroon zien (van 10,8 per 1000 werknemers in 1947 tot 6,6 in 1963). Ook het aantal dodelijke bedrijfsongevallen per 1000 verzekerde werknemers daalt aanzienlijk (van 0,22 in 1947 tot 0,12 in 1963, niet getoond).

 

 

Tussen 1903 en 1963 is het gemiddelde ongevalgevaar in de verzekerde bedrijven niet gedaald. Verschuiving in werkgelegenheid over die jaren biedt geen verklaring voor de weergegeven trend, want alle bedrijfstakken vertoonden hetzelfde beeld. Dat de OW zorgde voor verbeterde arbeidsveiligheid klopt dus niet. Tegelijk kunnen we ook concluderen dat het toezicht van de Arbeidsinspectie op de veiligheid van de bedrijven die onder de OW vielen (de hele nijverheid minus de landbouw), weinig effect sorteerde. Vooral conjuncturele bewegingen blijken een stempel te hebben gedrukt op het ongevalgevaar. Opvallend is dat het effect na de oorlog precies tegengesteld is vergeleken met de vooroorlogse periode.

 

Er lijkt een goede verklaring voor de continue daling van de ongevalincidentie in de laatste periode van de OW, een daling die zich na 1967 tot op heden voortzet. De opvallend hoge ongevalincidentie vlak na de oorlog was het gevolg van de rampzalige toestand van het productieapparaat en het vervoer, gecombineerd met een omvangrijke instroom van jonge, onervaren en soms roekeloze werknemers. De lange naoorlogse hoogconjunctuurgolf daarna ging gepaard met een zeer grondige vernieuwing en uitbreiding van productieapparaat en logistiek. Dit komt tot uiting in de extreem grote groei van de arbeidsproductiviteit in de sterk uitdijende industrie en vervoersector in de jaren 1949-1967. Een goed voorbeeld is de Rotterdamse haven, waar tussen 1950 en 1980 mede door grootschalige investeringen in mechanisering van het havenwerk de gemiddelde kans van elke havenarbeider op een verzuimongeval met een factor vijf daalde, van meer dan een per jaar naar eens in de vijf jaar.

 

Dat een verplichte ongevallenverzekering als de Ongevallenwet, waar de bedrijfstak vooral collectief het financiele risico van arbeidsongevallen droeg, nauwelijks invloed heeft gehad op de veiligheid, verwondert niet. In het buitenland zijn aparte sociale ongeval- en beroepsziektecompensatiestelsels nog springlevend. Ook die kunnen verbetering van arbeidsomstandigheden niet waarmaken, zo blijkt uit veel onderzoek. Financiele prikkels alleen werken niet. De enige compensatiestelseIs die (enig) preventiesucces laten zien, combineren een voor de individuele werkgever en werknemer direct voelbare financiele impact van een hoog ongevalcijfer met adequate ondersteuning op het gebied van voorlichting en gerichte handhaving van arbovoorschriften en -normen.

 

Maar het beste nationale recept voor minder arbeidsongevallen en betere arbeidsomstandigheden lijkt het bevorderen van werkgelegenheid en welvaartsgroei. Risicovolle arbeid in oude productietechnieken wordt dan zo onaantrekkelijk en duur dat het de competitie met het investeren in veiliger en gezondere arbeid verliest en vanzelf verdwijnt. Cynici zullen zeggen dat ‘verdwijnen’ vooral de verplaatsing van gevaarlijk en ongezond werk naar lagelonenlanden heeft betekend. Dat is wellicht voor een deel waar. Maar als die landen nu eens hetzelfde recept toepassen?

 

Reageer op dit artikel