artikel

Docter undercover

Geen categorie

Een aantal dingen viel Van Bever in zijn eerste werkweek in ‘Magazijn 1548’ al meteen op: de zware handarbeid, de onveiligheid door snel werken, de onzekerheid onder de uitzendkrachten of ze volgende dag wel terug mochten komen.

 

Van Bever moest poeders (chemical specialties) als titaniumoxide, paraloid en ethanox uit big bags van 500 kilo in zakken van 25 of 50 kilo overhevelen. Dat gebeurde onder meer met vorkheftrucks. Maar spierkracht door sjorren en duwen aan zakken en het loswrikken van poeders was het belangrijkst.

 

“Na een dienst kon je niets meer, zo intens moe was je. ‘Interimmers’ bleken wegwerparbeiders. Wanneer ze door hun rug gingen, het tempo niet konden bijhouden of een astma-aanval kregen van het stof, werden ze niet meer opgeroepen. Het uitzendbureau fungeerde als een voedermachine voor Katoen Natie: aan de voorkant duw je er nieuwe arbeiders in als er aan de achterkant spaanders zijn gevallen.”

 

Waren er instructies over veiligheid? “Wel op papier,” zegt Van Bever, “maar voor een uitzendkracht, zeker als hij geen Nederlands sprak, was het ondoenlijk die door te nemen. Daar was ook geen tijd voor. De vele honderden uitzendkrachten en de steeds wisselende teams maken naleving van de regels onmogelijk. We werden gedropt op de werkvloer, zonder mondelinge uitleg over veiligheid, ergonomie of effecten van stoffen. Sommige poeders lieten vreemde sporen op de huid na.”

 

Op internet probeerde Van Bever te achterhalen wat die stoffen met de gezondheid deden. “Vaak was geen informatie over de gevolgen van langdurige blootstelling voorhanden. Maar soms las ik: ‘Vermoedelijk kankerverwekkend’. We kregen een stofpak en een stofmaskertje; na de pauzes moesten we diezelfde spullen weer aan. Het maskertje maakte het ademhalen moeilijk, vooral als je snel moest werken. Vaak werd dat dan ook afgezet. Na zeven maanden en een reeks ongevallen vertelde een functionaris ons dat een uur geen masker dragen al schadelijk voor de gezondheid kon zijn. Soms stonden arbeiders door dubbele shifts zestig tot tachtig uur per week in een stofwolk. Veel meer dan de veertig uur waarop de limieten voor blootstelling zijn gebaseerd.”

 

Ook ontbrak toezicht op de naleving van veiligheidsregels bij het lossen van zakken op een beweegbaar platform boven bulkwagens. ”Werknemers droegen zelden of nooit de verplichte gordel met harnas. Met het risico van uitglijders en valpartijen. Bij het eerste gebruik van een vorkheftruck moesten volgens de regels alle onderdelen getest worden. Ik heb niemand die checklist zien nalopen. Bij de keuze tussen veiligheid en snelheid, prevaleerde het laatste.”

 

Na drie maanden zag Van Bever hoe een interim-arbeider tegen de grond sloeg door een losgeraakte vork die van een heftruck viel. “De plas bloed om hem heen werd steeds groter. Het liep gelukkig af met een hoofdwond. Bijna werd ik als arts ontmaskerd, omdat ik tegen de gewonde zei dat hij niet moest bewegen. Pas na ongevallen als deze zag je iemand van de Arbeidsinspectie op de werkvloer. Dan werd ook toegezien op het correct invullen van de checklist. Maar na een paar dagen was alles weer bij het oude.”

 

De uitzendarbeider bij Katoen Natie verkeerde dagelijks in het ongewisse of hij de volgende dag weer werk kreeg. “Schrijnend”, zegt Van Bever, “vooral voor de oudere werknemers. En helemaal voor de allochtonen onder hen, die elders bij reorganisaties aan de kant waren gezet en geen vast werk meer konden krijgen. Of een arbeider de volgende dag terug mocht komen, hing mede af van zijn houding en werktempo. Had hij geklaagd? Vaak naar de klok gekeken? Even gerust? Dan was hij geen goeie om nog op te roepen. En wie wel terug mocht komen, hoorde van de voorman hoe laat. Daar had hij zelf geen invloed op. Prive-tijd valt als ‘interimmer’ niet te plannen. Het bedrijf verlangt van hem dat hij zo flexibel is om er na een vroege dienst nog een late aan vast te plakken. Volgens de cao mag dat niet. Je bent dan immers zestien uur achtereen in touw. Aan veilig werken heb je dan geen boodschap meer. Daar ben je te moe voor.”

 

Het systeem bij de multinational illustreert volgens Van Bever een ‘alarmerende tendens tot flexibilisering’. “Zogeheten flexicurity lijkt in steeds meer industrieen om ons heen geaccepteerd. Kennelijk valt er alleen nog tegen te concurreren met veel goedkope uitzendkrachten en het omzeilen van aandacht voor werkomstandigheden en veiligheid. Daarbij is Katoen Natie in zoveel kleine units opgedeeld dat de invloed van vakbonden of ondernemingsraad nihil is. De bonden hopen dat mijn boek zal bijdragen aan verandering en vragen mij om lezingen.”

 

Zelf kreeg Van Bever, ondanks tenniselleboog en verzwakte rug, na drie maanden van zijn ploegbaas een vast contract. “Ik had de goede instelling, zei hij, ik kon een team leiden. Nu werd ik aangespoord om het beste van mezelf te geven. Daarmee kon ik een ‘ster’ behalen, ofwel een extra half bruto uurloon: vijf euro. En mij werd gevraagd om in de gaten te houden of de ‘interimmers’ wel hun best deden. Verdeel en heers tussen vaste krachten en interim-personeel is heel gewoon.”

 

De tijd bij Katoen Natie heeft Van Bever als huisarts veranderd. “Ik heb nog meer respect gekregen voor deze uitzendarbeiders. Wanneer een patient last heeft van een bepaalde kwaal, vraag ik eerst wat voor werk hij doet.”

 

Dokter in overall, Karel van Bever, uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen, 17,50 euro.

 

Reageer op dit artikel