artikel

Help! De bedrijfsarts wordt er ziek van

Geen categorie

Zowel huisartsen als specialisten hebben maar weinig aandacht voor de effecten van werk op de gezondheid. Daardoor worden veel gezondheidsproblemen niet in goede samenwerking aangepakt en maken de artsen onvoldoende gebruik van elkaars expertise. De bedrijfsarts is ook onvoldoende ingebed in de reguliere eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg. Deze positionering is noodzakelijk om de bedrijfsgeneeskundige interventies ook een volwaardig onderdeel van de noodzakelijke ketenzorg te maken. Zo werkt de bedrijfsarts te veel geisoleerd. Verder kunnen bedrijven advies dat gericht is op de verbetering van werkplekken, heel gemakkelijk naast zich neerleggen. Het advies van de bedrijfsarts is niet of onvoldoende geschraagd door bevoegdheden. Ook de medezeggenschap is relatief weinig afdwingend. Dit leidt ertoe dat daar waar het het hardst nodig is, niks gedaan wordt. In bedrijven waar ‘niks kan’ en de OR door het management niet serieus wordt genomen, wordt de OR bij beslissingen over arbodienstverlening veelal niet geraadpleegd. Bovendien bereiken veel adviezen van de bedrijfsarts de OR niet, zeker niet in dit type bedrijven. Arbo is in dit type bedrijven – ‘de niet-willers’ – immers een sluitpost, is de ervaring van de FNV.

 

Tenslotte zal door vergrijzing van de beroepsgroepen in arboland bij ongewijzigd beleid een aanzienlijk tekort ontstaan aan goed opgeleide bedrijfsartsen. Entree van jonge deskundigen is dan ook noodzakelijk met het oog op continuiteit. Nu is er geen financiele bijdrage van de overheid voor de opleiding van bedrijfsartsen, terwijl de opleiding voor vrijwel alle andere medische specialisten wel via het opleidingsfonds is geregeld. Gevolg: veel oudere bedrijfsartsen krijgen het veel te druk en veelal is er gewoonweg geen bedrijfsarts. De NVAB geeft aan dat een aanloop van nieuwe bedrijfsartsen nu al terugloopt. Bovendien beginnen steeds meer bedrijfsartsen die voorheen bij een arbodienst werkten, voor zichzelf, buiten de arbodienst om. Met arbodiensten gaat het economisch slecht, dus vanuit hier kan een bedrijfsarts straks wellicht ook niet meer worden opgeleid. De vraag is dan wie ervoor gaat zorgen dat bedrijfsartsen worden opgeleid.

 

Ook is het nodige mis met de toegankelijkheid: mensen met beroepsziekten hebben slecht toegang tot goede klinische arbeidsgeneeskundige zorg. De toegang is niet structureel gefinancierd, waardoor de werknemer afhankelijk is van financiering van deze zorg via de werkgever. De meeste bedrijfsgezondheidszorg gaat uit naar de beter betaalden met een behoorlijke arbeidsomgeving, terwijl mensen aan de onderkant – werknemers in het MKB (vooral in kleine financieel zwakke bedrijven), werkzoekenden, vrijwilligers, mantelzorgers en schoolverlaters – geen financieel drempelloze toegang tot arbeidsgeneeskundig advies hebben.

 

De toegankelijkheid van de bedrijfsarts wordt verder belemmerd door een wildgroei aan procedures binnen bedrijven en (sommige) arbodiensten waardoor de bedrijfsarts alleen voor de werknemer bereikbaar is na doorverwij zing door (of toestemming van) andere functionarissen of de werkgever. Dit is in strijd met de wet en met de privacybescherming van werknemers.

 

Er zijn enorme verschillen in ziekte en gezondheid, in sterfte en gezonde levensjaren tussen groepen met een verschillende sociaal-economische status. Mensen zonder werk die willen toetreden tot arbeid of willen herintreden en die een chronische aandoening hebben, kunnen niet terecht bij een bedrijfsarts voor advies over hun beroepskeuze. Dat leidt tot Wajong, marginale arbeid en foute keuzes.

 

Brede toegang tot arbeidsgeneeskundig advies en preventief medisch onderzoek (PMO) zou de eerdergenoemde verschillen kunnen verkleinen.

 

Tot slot: ouder wordende werknemers kunnen vaker langer doorwerken dan voorheen het geval was. Maar het werk moet dan aansluiten op de mogelijkheden van 55- tot 65-jarigen, iets wat nu onvoldoende wordt gerealiseerd. Een werknemer blijft niet 40 tot 50 arbeidsjaren lang 35 jaar jong. Onderzoek naar de effectiviteit van interventies op het gebied van leeftijdsbewust personeelsbeleid (zoals functioneel leeftijdsontslag en extra herstelruimte voor ouderen) is dringend noodzakelijk.

 

De enige maat die echt iets zegt over arbeid en gezondheid en de balans daartussen, is het deelnemen aan arbeid op lifetimebasis. Chronisch zieken die jaarlijks gemiddeld tien dagen uitvallen, maar dan toch kunnen doorwerken tot ze 65 zijn, hebben een veel lager lifetimeverzuim dan de schijnbaar hard werkende nulverzuimer die uiteindelijk afknapt als gevolg van burn-out, infarct of chronische depressie. Deze verzuimmaat speelt geen rol in enige discussie over arbeidsdeelname of verzuim op bedrijfsniveau. De focus ligt vooral op het ‘hier en nu’.

 

Nu niks doen betekent straks:

 

– te weinig bedrijfsartsen;

 

– te veel slecht opgeleide bedrijfsartsen;

 

– te veel ‘vage’ mediators die de afstand tussen zieke werknemer, werkplek en bedrijfsarts vergroten;

 

– veel specifieke groepen werknemers die bedrijfsgezondheidszorg nodig hebben maar deze niet krijgen;

 

– weinig continuiteit in het bedrijfsartsenwerk, waardoor het vertrouwen tussen zieke werknemer en bedrijfsarts verder afbrokkelt;

 

– bedrijfsartsen die niet meer op de werkvloer komen, maar hun werk achter het bureau regelen;

 

– weinig kennis van toekomstige beroepsziekten en (kwetsbare) beroepsgroepen;

 

– op termijn een oplopend ziekteverzuim en hogere kosten.

 

Een grondige discussie en waar nodig herziening van de structuur van de bedrijfsgezondheidszorg kan daarom meteen beginnen.

 

Reageer op dit artikel