artikel

Recente jurisprudentie

Geen categorie

Een orthodoxe moslim geeft het hoofd P&O tijdens zijn sollicitatiegesprek geen hand. Ze wijst hem daarom af. Heeft de organisatie onrechtmatig gehandeld?

 

In september 2005 solliciteert een orthodoxe moslim naar de functie van klantmanager bij de Dienst SZW van de gemeente Rotterdam. Tijdens het sollicitatiegesprek weigert hij het hoofd P&O – een vrouw – een hand te geven. Zij geeft tijdens dat gesprek aan dat de man de functie wel zou hebben gekregen als hij haar de hand had geschud. De gemeente bevestigt de afwijzing ook schriftelijk.

 

De afgewezen sollicitant stapt naar de Commissie Gelijke Behandeling. Die is van oordeel dat de gemeente op het punt gelijke behandeling de wet heeft overtreden. Vervolgens stapt de man naar de rechter. Hij wil een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, zodat hij aanspraak kan maken op schadevergoeding. De rechtbank constateert dat de CGB veel waarde hecht aan het feit dat de man later aangaf wel bereid te zijn mannen en vrouwen gelijk te behandelen. Hij zou vrouwen dan op een gelijke, alternatieve, wijze begroeten. Maar dat is hier niet van belang, omdat het afwijzingsbesluit van de gemeente hier centraal staat. De rechtbank stelt vast dat de gemeente indirect onderscheid naar godsdienst heeft gemaakt, tenzij zij een valide rechtvaardigingsgrond aan kan voeren. De rechtbank merkt op dat het schudden van de hand in Nederland als een gebruikelijke vorm van begroeting en als beleefdheidsvorm wordt gezien. Het weigeren om een hand te geven kan dan ook als onbeleefd of kwetsend worden ervaren, vooral als die weigering wordt ingegeven doordat de betreffende persoon van het andere geslacht is. De klantmanager is de contactpersoon van de Dienst SZW naar de burger. Hij ontvangt klanten namens de dienst. Voor een groot deel van deze klanten geldt dat zij het schudden van handen als een passende begroeting en beleefdheidsvorm zien. Van de gemeente kan niet worden gevraagd dat zij deze in Nederland gebruikelijke vorm van begroeten niet meer in acht neemt. De gemeente heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld.

 

(Kantonrechter Arnhem, 25 juni 2008, JAR 2008, 230)

 

Een vrouw zegt gepest te worden door haar collega’s. Praten daarover wil ze niet. Wel wenst ze een vergoeding. Een 30-jarige vrouw werkt al elf jaar als productiemedewerkster bij een bedrijf. Begin oktober 2007 meldt zij zich ziek. Zij wijt dit aan een samenwerkingsprobleem met enkele collega’s. De werkgever nodigt de vrouw uit voor een gesprek, maar zij weigert dat. De werkgever schort vervolgens de loonbetaling op. De vrouw gaat kort daarop met zwangerschapsverlof. Tijdens dat verlof betaalt de werkgever weer haar salaris. Na dat verlof blijft zij ziek thuis. De bedrijfsarts kan geen ziekte of gebrek vinden, maar stelt vast dat er sprake is van een arbeidsconflict.

 

Na een uitvoerige correspondentie en enkele vergeefse gesprekken stapt de vrouw naar de kantonrechter. Zij verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een vergoeding, omdat de werkgever niet gereageerd zou hebben op haar klachten over pestgedrag. Dat zou zij tot zes keer toe hebben gemeld. De werkgever betwist dat.

 

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens de verstoorde relatie tussen partijen. Maar de rechter acht het niet aannemelijk dat de werkneemster inderdaad tot zes keer toe pestgedrag heeft gemeld. Als er echt een ernstig probleem zou zijn geweest, lijkt het hem niet waarschijnlijk dat de vrouw vervolgens driekwart jaar gewacht heeft op een beslissing van haar leidinggevende. De vrouw heeft bovendien, ondanks herhaalde verzoeken van de directeur, niet willen aangeven wat er aan de hand was. Ook op de rechtszitting doet zij dat niet. Wel komt zij alsnog met een klacht over seksuele intimidatie die zij nooit eerder heeft genoemd en ook niet heeft willen onderbouwen. De werkgever heeft constructief geprobeerd het gestelde probleem te verhelpen, onder meer door een personeelsbemiddelaar aan te stellen. De vrouw heeft echter niet willen meewerken. Gezien dit alles ziet de rechter geen reden voor toekenning van enige vergoeding.

 

(Kantonrechter Arnhem, 25 juni 2008, JAR 2008, 230)

 

Met de bedrijfsbus van de werkgever krijgt een monteur een ongeval. Hij wil schadevergoeding. is er sprake van vervoer in het kader van werkzaamheden? Een man werkt als monteur bij een bedrijf. Voor de reis van zijn woonplaats Groenlo naar de werkplaats in Doetinchem gebruikt hij eerst zijn eigen auto, maar later een bedrijfsbus van de werkgever. Daaraan wordt wel de voorwaarde verbonden dat hij eerst een collega ophaalt die aan de rand van Doetinchem woont. En zo nu en dan moet met de bus ook een andere collega worden opgehaald van een parkeerterrein bij McDonald’s.

 

In juli 2003 op weg naar zijn werk krijgt hij ’s morgens vroeg op de provinciale weg een eenzijdig ongeval. Volgens de tachograaf heeft hij 110 km/uur gereden. De man is om onbekende redenen de rechterberm ingereden en raakt ernstig gewond.

 

Voor bestuurders van bedrijfsauto’s heeft de werkgever een verzekering afgesloten. Die verzekering geeft – onder meer – dekking voor vervoer dat plaatsvindt in het kader van de werkzaamheden. De werknemer wil zijn schade vergoed hebben. De werkgever is inmiddels failliet en de werknemer spreekt de verzekeraar rechtstreeks aan. Die weigert uit te keren, omdat er geen sprake is van vervoer in het kader van werkzaamheden. De werknemer stapt naar de rechter. De kantonrechter is het met de verzekeraar eens. Er is naar diens oordeel geen aansprakelijkheid van de werkgever, want voor aansprakelijkheid op grond van art. 7:658 Burgerlijk Wetboek (de zorgplicht van de werkgever) is er onvoldoende verband tussen de te verrichten werkzaamheden en het verkeersongeval. Ook voor een eventuele aansprakelijkheid op basis van art. 6.248 (redelijkheid en billijkheid) en/of 7:611 BW (goed werkgeverschap) ziet de rechter geen grond. Daarvoor is het van belang dat het ophalen van een andere werknemer in dit geval niet kan worden gezien als het uitvoeren van door de werkgever opgedragen werkzaamheden. De vordering wordt afgewezen.

 

(Kantonrechter Terborg, 28 februari 2008, VR 2008, 126)

 

Reageer op dit artikel