artikel

Recente Jurisprudentie

Geen categorie

Bij het rooien van bomen breekt de grijper van een graafmachine af en valt op een onderhoudsmedewerker. De man raakt daardoor invalide. Waar had de medewerker moeten staan?

 

Een onderhoudsmedewerker van een waterschap rooit in februari 2003 samen met twee collega’s een rij populieren. Zij gebruiken een graafmachine met grijper en enkele motorzagen. Telkens zagen ze de om te zagen boom in de valrichting tot de kern schuin in. Daarna maken ze van de andere kant een rechte zaagsnede. Dan zetten ze de giek van de graafmachine tegen de boom aan de kant waar die niet moet vallen, zodat de boom de goede kant op valt. Als de helft van de populieren is gerooid, wil de machinist met de giek de boom omduwen. De betreffende medewerker staat onder de grijper die tijdens het duwen tegen de boom loslaat en de man raakt, met als gevolg een gebroken sleutelbeen en vier gebroken ribben. Volgens de Arbeidsinspectie is de oorzaak van het afbreken van de grijper een vermoeiingsbreuk. Maar TNO stelt dat het ook een geweldsbreuk kan zijn. De werknemer houdt beperkingen aan zijn linkerarm en schouder en er is voor 80 procent blijvende invaliditeit vastgesteld.

 

Hij eist vergoeding van de schade.

 

De kantonrechter stelt vast dat het ongeval is gebeurd tijdens de uitoefening van het werk. De grijper is losgeraakt door een breuk in de rotator. De oorzaak van die breuk is niet eenduidig vastgesteld. Maar dat acht de rechter van ondergeschikt belang, omdat het waterschap al op een andere grond aansprakelijk is. De werknemer heeft immers gesteld – en dat heeft het waterschap bevestigd – dat er nooit instructies zijn gegeven waaruit bleek dat het verboden was om onder de grijper van de graafmachine te staan. Er werd al jaren op deze manier gewerkt. Afgezien van het loslaten van de grijper is het onder de grijper staan om meer redenen gevaarlijk. Er kan materiaal naar beneden vallen en binnen het draaibereik van de kraan kan de giek een onverwachte beweging maken.

 

Het waterschap heeft aangevoerd dat het juist veilig is als de werknemers bij het omduwen van de boom door de graafmachine dicht bij de boom staan. Maar daarmee is niet gesteld of gebleken dat het ook noodzakelijk is dat werknemers zich binnen het draaibereik van of zelfs onder de grijper bevinden. Gezien de gevaren had het waterschap dat juist moeten verbieden. Dat is niet gebeurd. De vordering wordt toegewezen.

 

(Kantonrechter Terborg, 8 februari 2008, LJN BD4241)

 

Een chauffeur rijdt te hard en krijgt enkele boetes. Hij vindt dat de werkgever ze moet betalen. De rechter in eerste instantie ook Maar de Hoge Raad denkt er anders over.

 

Een man werkt als chauffeur bij TPG Post Transport. Het beleid van TPG is dat verkeersboetes voor rekening van de chauffeurs komen. De werkgever krijgt drie boetes doordat de werknemer te hard heeft gereden. Twee boetes van 28 euro zijn opgelegd omdat de werknemer respectievelijk 6 en 4 kilometer te hard reed. Een derde boete van 52 euro ging om een snelheidsovertreding van 11 kilometer. Nadat de werknemer de boetes op verzoek van de werkgever heeft betaald, vordert hij bij de kantonrechter terugbetaling van de drie boetes.

 

De kantonrechter wijst dat voor een boete toe en wijst de andere vorderingen af.

 

De werknemer tekent beroep aan.

 

Het hof overweegt dat de vorderingen moeten worden getoetst aan artikel 7:661 BW, werkgeversaansprakelijkheid voor schade. Dit artikel is niet alleen van toepassing bij fysieke beschadiging van personen of zaken die aan de werkgever of een derde toebehoren. Ook de verkeersboetes kunnen voor rekening van de werkgever komen, tenzij er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Dit is volgens het hof niet het geval bij een overschrijding tot 10 km per uur. Men rijdt in het verkeer immers gemakkelijk iets te hard zonder dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Daarom komen de twee boetes van 28 euro voor rekening van de werkgever. De boete van 52 euro blijft voor rekening van de werknemer.

 

TPG, de werknemer en de Abvakabo gaan in cassatie bij de Hoge Raad. Die overweegt dat niets erop wijst dat de wetgever bij de invoering van de Wet Administratieve Handhaving Verkeersboetes (begin jaren ’90) van oordeel was dat in dit soort gevallen de werkgever zelf de boetes zou moeten betalen. Boetes voor verkeersovertredingen die werknemers met een motorrijtuig begaan in de uitoefening van hun werkzaamheden, worden vaak aan de werknemers zelf opgelegd, omdat de overtreding is begaan met ‘de eigen auto’ of omdat direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder is. Als de werkgever de boetes wel zou moeten betalen, dan ontstaat er een niet te verklaren onderscheid tussen werknemers met een auto van de zaak en werknemers met een eigen auto. De eerstgenoemden zijn vaak niet direct te ‘herkennen’ als bestuurder, zodat de boete in zo’n geval naar de kentekenhouder, de werkgever gaat. Werknemers met een eigen auto krijgen wel direct zelf de boete en moeten die zelf betalen, ook al wordt op dat moment zakelijk gereden. Het beroep van TPG wordt gehonoreerd. De uitspraak van het hof wordt vernietigd en de vordering van de werknemer (en de vakbond) wordt alsnog afgewezen.

 

(Hoge Raad, 13juni 2008, LJN BC8791)

 

Reageer op dit artikel