artikel

Recente jurisprudentie

Geen categorie

Geheugenstoornis door blootstelling aan oplosmiddelen is moeilijk te bewijzen. Zeker als het productieproces in de loop der jaren verandert.

 

Een man heeft van 1969 tot 1994 als procesoperator bij een chemisch bedrijf gewerkt. In de jaren 1996-1999 wordt bij hem geheugenstoornis geconstateerd. Die is volgens hem veroorzaakt door blootstelling aan organische oplosmiddelen. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk

 

Het hof hoort veel getuigen. Het blijkt dat bij de productieprocessen gebruik werd gemaakt van diverse organische oplosmiddelen in een niet geheel gesloten systeem. Bij bepaalde werkzaamheden werd een deel van het systeem geopend, waarbij oplosmiddelen vrijkwamen en blootstelling plaatsvond. Ook bij storingen en calamiteiten kwamen oplosmiddelen vrij. Maar tijdens het dienstverband van de werknemer werd het productieproces steeds meer gesloten. Ook zijn er maatregelen genomen, zodat storingen minder vaak optraden. Daardoor is de blootstelling van de werknemer niet steeds hetzelfde geweest. Dat hij is blootgesteld aan organische oplosmiddelen kan wel worden aangenomen. Maar de mate waarin dit het geval is geweest, wordt niet duidelijk In aanmerking wordt genomen dat vrijwel alle getuigen gedurende een lange reeks van jaren bij het bedrijf hebben gewerkt en dat storingen beter in het geheugen blijven hangen dan vlot lopende processen. Daar komt bij dat het personeel, waaronder ook de werknemer, bij de werkzaamheden waarbij blootstelling plaatsvond, vrijwel altijd persoonlijke beschermingsmiddelen droeg, zoals een Van de Grintenkap of een volgelaatsmasker met filterbus. Over de concentratie oplosmiddel in de inademingslucht zijn weinig gegevens bekend; die moet dus geschat worden. Daarbij acht het hof van belang dat de reukgrens ver beneden de MAC-waarde lag en dat de werknemers direct actie ondernamen als er sprake was van stank Ook waren de binnenruimtes voorzien van ventilatie en waren plaatsen waar het systeem (indien nodig) werd geopend, voorzien van puntafzuigingen.

 

Er zijn dus nogal wat factoren die maken dat het (toch al onduidelijke) beeld van de mate van blootstelling aanzienlijk moet worden gerelativeerd. Door partijen ingeschakelde deskundigen strijden over de hoogte van de vermoede blootstelling. Het hof kiest voor de schattingen van de door het bedrijf ingeschakelde deskundige.

 

Het gaat er bij de beoordeling van het bewijs niet alleen om dat de werknemer aantoont dat hij tijdens zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid schadelijke stoffen, maar ook dat hij aannemelijk maakt dat zijn gezondheidsklachten daardoor kunnen zijn veroorzaakt. Volgens het hof is de werknemer er niet in geslaagd aan te tonen dat zijn gezondheidsklachten arbeidsgerelateerd zijn. De vordering wordt afgewezen. Aan de vraag of de werkgever

 

al dan niet heeft voldaan aan zijn zorgverplichting wordt daarom niet toegekomen. De werknemer gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Maar die is van oordeel dat de aangevoerde klachten onvoldoende rechtsgrond hebben. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.

 

(Hoge Raad 16 mei 2008, LJN BC7683)

 

Bij het vuilnis liggen stapels parkeerbonnen die verwerkt zouden moeten worden. Maar wie heeft die daarin gestopt?

 

Een medewerkster bij een regionale verkeersdienst heeft als hoofdtaak het invoeren van bekeuringen in het administratieve verwerkingssysteem van de politie. Dat gebeurt op een centrale afdeling, maar zij mag dit doen op een politiebureau in de buurt van haar woonplaats. De bonnen worden in pakketjes verzonden of persoonlijk op het politiebureau afgeleverd. Na invoering stuurt de medewerkster de bonnen terug en vraagt dan per e-mail toezending van nieuwe bonnen. In maart 2005 haalt de reinigingsdienst van haar woonplaats op verschillende plaatsen, waaronder de woonwijk van de vrouw, vuilniszakken op die te vroeg waren buitengezet. Om de identiteit van de overtreders te achterhalen, onderzoeken de mannen van de reinigingsdienst de zakken op adresgegevens. In een van de vuilniszakken vinden ze ruim 170 parkeerbonnen die nog niet in het systeem waren verwerkt. In de betrokken vuilniszak treffen ze geen gegevens aan over de identiteit van de overtreder. Omdat men vermoedt dat de bonnen van de medewerkster afkomstig zijn, stelt de korpsbeheerder een disciplinair onderzoek in, met als gevolg dat onvoorwaardelijk ontslag wordt opgelegd. Het beroep van de vrouw wordt door de rechtbank gegrond verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat zij de bonnen in de vuilniszak heeft gedaan. Er waren op de bewuste dag in totaal 25 te vroeg buiten geplaatste vuilniszakken opgehaald, en niet alleen in de wijk van de vrouw. Niet duidelijk is waar precies de bewuste vuilniszak is opgehaald. Ook staat onvoldoende vast dat zij de aangetroffen bonnen in haar bezit heeft gehad. Destijds werd niet geregistreerd aan wie welke bonnen werden uitbesteed. Verder was er onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van andere personen die baat konden hebben bij het verdwijnen van de bonnen.

 

De korpsbeheerder gaat in beroep. De Centrale Raad van Beroep stelt voorop dat op geen enkele wijze direct bewijs is geleverd dat de in de vuilniszak aangetroffen bonnen door de vrouw erin zijn gedaan noch dat deze bonnen in haar bezit zijn geweest. Ook is niet duidelijk hoe die oude, niet in het systeem ingevoerde bonnen nog in haar bezit konden zijn, zeker nu zij kort daarvoor om een nieuwe zending bonnen had gevraagd. Het betreft hier (parkeer) bonnen die snel en eenvoudig ingevoerd kunnen worden.

 

Ten slotte oordeelt de Raad dat het belang dat de medewerkster volgens de korpsbeheerder zou hebben gehad bij het wegdoen van de bonnen, speculatief van aard is en van onvoldoende betekenis om het plichtsverzuim als (voldoende) vaststaand aan te nemen. Het beroep wordt verworpen.

 

(Centrale Raad van Beroep, 24 april 2004, LjN BD1192)

 

Een bedrijfscultuur waarin seksueel getinte grappen worden gemaakt, is dat aan te tonen? Een klachtenprocedure helpt. Als deze zorgvuldig wordt gevolgd.

 

Een vrouw werkt sinds september 2006 als sales- en marketingmanager bij een groothandel. Ze heeft eerder bij het bedrijf gewerkt en toen zelf ontslag genomen. Twee maanden later is ze op verzoek van de werkgever weer teruggekomen. In april 2007 komt er een nieuwe marketingdirecteur. In juni 2007 beklaagt de vrouw zich bij de vicepresident marketing over de wijze van leidinggeven door deze marketingdirecteur. De vicepresident besluit voorlopig de ontwikkelingen af te wachten. De manager finance & staff doet niets met de klachten van de vrouwen ook de vertrouwenspersoon weet niet wat hij met de klachten aan moet.

 

In november 2007 meldt de vrouw zich ziek In december stuurt ze een brief aan de hoogste baas, de CEO. Die formeert een klachtencommissie, die vervolgens de klachten ongegrond verklaart. Wel stelt de commissie enkele aanbevelingen op over de rol van de vertrouwenspersoon en de bedrijfsarts.

 

De vrouw verzoekt daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een vergoeding.

 

De kantonrechter stelt vast dat ook uit verklaringen van collega’s blijkt dat de marketingdirecteur zich meerdere malen ongepast seksueel heeft uitgelaten en een negatieve stijl van leidinggeven had. Maar de werkgever weerspreekt dat, ook ondersteund door de nodige verklaringen. Verdere bewijslevering is in de ontbindingsprocedure niet mogelijk De klachtenprocedure had daarin kunnen voorzien, maar dat is niet gebeurd.

 

De kantonrechter is echter van oordeel dat wel duidelijk is dat er bij de werkgever een cultuur bestond waarin het maken van seksueel getinte opmerkingen of grappen geaccepteerd werd. Ook de vrouw zelf deed daaraan mee. In haar functie als lid van het managementteam had van haar verwacht mogen worden dat zij daartegen zou optreden. De werkgever kan worden verweten dat op de klachten noch door de bedrijfsarts noch door de vertrouwenspersoon adequate actie is ondernomen. Er was ook geen leidinggevende aanwezig die verantwoordelijk en aanspreekbaar was voor de bejegening van de vrouw. Pas na een formele klacht bij de CEO werd actie ondernomen. Er is toen in allerijl een klachtencommissie geformeerd, waarbij meerdere procedurele onzorgvuldigheden zijn begaan. Gezien al deze omstandigheden acht de kantonrechter een vergoeding op basis van C = 2,5 billijk Dat komt neer op ruim 41.000 euro. De eerdere arbeidsperiode wordt daarbij buiten beschouwing gelaten, omdat de vrouw toen zelf ontslag had genomen.

 

(Kantonrechter Groningen, 31 maart 2008,jAR 2008, 118)

 

Reageer op dit artikel