artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werkgever wil een vrouw ontslaan die al lang in dienst is en haar collega’s verraders noemt. Dat gaat de rechtbank te ver. Het wordt overplaatsing.

 

Een 43-jarige vrouw werkt al zeventien jaar als locatiewacht in de gehandicaptenzorg. Omdat zij veel ontoelaatbare opmerkingen heeft gemaakt tegen haar collega’s en leidinggevenden, verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Hij ondersteunt dit verzoek met een groot aantal ondertekende verklaringen van die collega’s en leidinggevenden en ook een aantal anonieme verklaringen. De vrouw erkent enkele van de verklaringen die de werkgever heeft aangevoerd, maar de meeste opmerkingen die ze gemaakt zou hebben, ontkent ze.

 

Tijden de rechtszitting overlegt zij een verklaring van een collega die met haar samenwerkte tijdens de nachtdienst waarin zij volgens de werkgever bepaalde opmerkingen gemaakt zou hebben. Deze collega verklaart daarin dat zij de opmerkingen niet heeft gehoord. Ook overlegt de vrouw een steunbetuiging, ondertekend door elf van haar dertig collega’s. De kantonrechter legt de anonieme verklaringen terzijde. Naar zijn oordeel kan zij zich daartegen niet adequaat verdedigen. Wat betreft de overige verklaringen blijven dan over de uitlating dat ‘alle collega’s verraders zijn’ en de uitlating dat als haar directe chef dood neer zou vallen, zij er gewoon overheen zou stappen. De eerste uitlating erkent ze, de tweede betwist ze. Het locatiehoofd heeft aangifte gedaan nadat de vrouw zou hebben gezegd dat zij haar wilde vergiftigen. Maar het locatiehoofd had tot aan die dag nooit eerder problemen met de vrouw gehad. Het management zag in die aangifte ook geen redenen om maatregelen te treffen.

 

Al met al vindt de kantonrechter, mede gezien de lengte van het dienstverband en de overige omstandigheden, ontbinding op dit moment een stap te ver. De werkgever mag de vrouw echter wel overplaatsen; de vrouw moet meewerken aan een beoordeling van en reflectie op haar eigen gedrag en zij moet zich als een gewaarschuwd mens zien.

 

(Kantonrechter Delft, 12 april 2007, JAR 2008, 79)

 

Een vrouw valt uit na jaren inpakwerk. Ze klaagt haar werkgever aan, maar die is niet tekortgeschoten in zijn zorgplicht.

 

Een vrouw werkt sinds 1991 als inpakster aan een lijnmachine, waar kunststof schaaltjes worden geproduceerd. Zij moet de schaaltjes van elkaar losmaken en in grote plastic zakken inpakken. Na twee ziekteperiodes in 1995 wegens schouderklachten door een slijmbeursontsteking, verklaren de bedrijfsarts en de behandelende specialist haar volledig hersteld.

 

Van 1995 tot 1998 is de vrouw niet vaker ziek dan normaal en zijn er geen klachten. Vanaf begin 1998 meldt ze zich wel regelmatig ziek. In augustus 1999 valt zij uit wegens een tennisarm. Daarna krijgt ze aangepast werk, maar in september 2001 valt ze definitief uit. In oktober 2003 stelt ze haar werkgever aansprakelijk voor de schade.

 

De kantonrechter heeft uitgesproken dat de vordering verjaard was. Het gerechtshof is het daar niet mee eens.

 

In 2001 ging de bedrijfsarts er nog vanuit dat de vrouw binnen enkele weken weer zou kunnen werken. Daarom wist zij op dat moment nog niet, en zeker niet in 1994/1995, dat zij blijvend arbeidsongeschikt zou worden. Maar het hof vindt dat de vrouw niet heeft aangetoond dat haar klachten door de werkzaamheden zijn veroorzaakt. De verklaringen van haar huisarts en haar fysiotherapeut zijn hiervoor onvoldoende bewijs. Beide behandelaars hebben zich immers niet persoonlijk op de werkplek op de hoogte gesteld van de aard van het werk. Ook is onduidelijk gebleven of andere oorzaken (wellicht: mede) kunnen worden uitgesloten. Het hof moet dan ook aannemen dat hun verklaringen alleen gebaseerd zijn op wat de vrouw heeft verteld. Dat is voor het vaststellen van het causale verband niet voldoende. Zeker nu de werkgever dit causale verband onderbouwd heeft betwist.

 

Het hof is verder van oordeel dat de werkgever niet tekortgeschoten is in de naleving van zijn zorgplicht. Hij heeft de vrouw aangepast werk geboden en zich voldoende ingezet voor haar re-integratie. Uit de RI&E blijkt dat het werk van de vrouw geen knelpunten kende die op korte termijn aangepakt moesten worden. Er was wel sprake van werkdruk, maar niet van een te hoge werkdruk. Er waren voldoende pauzes, het werk werd afgewisseld en het was mogelijk het werk enkele malen te onderbreken. Veel meer is er niet mogelijk bij het werken aan een lopende band. De vordering wordt daarom afgewezen.

 

(Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 8 januari 2008, JAR 2008, 70)

 

Een taxichauffeur krijgt wegens het niet dragen van de autogordel een boete opgelegd. De hoogte is 75 euro, wegens het ‘als bestuurder of passagier geen gebruikmaken van een autogordel’. Hij vecht de boete aan bij de kantonrechter, maar die stelt hem in het ongelijk.

 

De chauffeur stapt naar het gerechtshof. Hij erkent dat hij geen gebruikmaakte van de gordel, maar stelt dat dit was toegestaan op grond van de wet. Hij reed namelijk in een personentaxi en een chauffeur die bezig is met personenvervoer is op grond van de Wet personenvervoer 2000 niet verplicht een autogordel te dragen. Dat staat los van het feit of er nu wel of geen passagiers in de taxi zaten.

 

Het hof geeft aan dat in artikel 59, eerste lid van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) staat dat bestuurders van een motorvoertuig of een bromfiets en hun passagiers gebruik moeten maken van de voor hen beschikbare autogordel. Het zesde lid van dit artikel geeft als uitzondering dat deze verplichting niet geldt tijdens het vervoer van passagiers tegen vergoeding in de zin van de Wet personenvervoer 2000. Uit het procesverbaal blijkt dat de chauffeur zijn gordel niet droeg en dat er geen passagiers in de auto zaten. De chauffeur bestrijdt ook niet dat hij alleen in de taxi zat. Het hof vindt daarom dat de boete terecht is opgelegd. Immers, de wetstekst van artikel 59, zesde lid, RVV 1990 moet zo worden gelezen dat de uitzondering op de gordelplicht slechts geldt als er daadwerkelijk personen tegen vergoeding worden vervoerd. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.

 

(Gerechtshof Leeuwarden, 21 april 2008, LJN BD2191)

 

Met methanol geefteen man inkjetapparaten een onderhoudsbeurt. Hij krijgt neurologische klachten. De rechtbank wijst schadevergoeding toe.

 

Een nu 40-jarige man werkt sinds 1991 als elektricien/operator bij een bedrijf dat met zo’n 130 werknemers frisdranken bottelt en verpakt. Hij werkt fulltime in drieploegendiensten met als taak het onderhouden en repareren van machines. Sinds 1994 gebeurt dat ook aan vier inkjetapparaten waarmee houdbaarheidsdata op de flessen worden gespoten. Hij geeft die apparaten regelmatig een inspectiebeurt en verhelpt storingen. Hij gebruikt daarbij vloeistoffen die voor 60 tot 70 procent uit methanol bestaan. Volgens de veiligheidsinformatie is ventilatie langs de grond noodzakelijk, plaatselijke afzuiging wordt aanbevolen en bij ontoereikende ventilatie moet geschikte ademhalingsbescherming worden gedragen (filtermasker type A). Verder moeten neopreen handschoenen worden gedragen en zijn rubberen laarzen en een veiligheidsbril of gelaatsscherm nodig. Ook staat vermeld dat langdurige of herhaaldelijke inhalatie schade kan veroorzaken aan het centrale zenuwgestel en de oogzenuw.

 

De werknemer heeft sinds 1995 neurologische klachten en is sinds 1997 volledig arbeidsongeschikt wegens OPS. Dit uit zich in hersenbeschadiging en een spraakgebrek. De kantonrechter kent de vordering tot schadevergoeding toe, de werkgever gaat in beroep. Het gerechtshof is van oordeel dat de werknemer voldoende heeft aangetoond dat zijn schade is veroorzaakt door het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Bij zijn werk heeft hij blootgestaan aan methanol. Zijn gezondheidsklachten zijn in 1995 ontstaan. Er is geen andere oorzaak voor deze klachten dan de blootstelling aan methanol. Daarom kan de gezondheidsschade met vrij grote zekerheid daaraan worden toegeschreven. De werkgever wist via de veiligheidsinformatiebladen dat die stof gevaarlijk was voor de gezondheid. Bovendien was er toen al een wettelijke norm voor het nemen van doeltreffende maatregelen. De werkgever heeft nog bezwaar gemaakt, omdat de feiten al lang geleden speelden zijn en er toen nog geen RI&E-verplichting was. Maar het hof is van oordeel dat de wettelijke bewijslast een bewijsrisico met zich meebrengt. Dat een deskundige heeft berekend dat de MAC-waarde nooit kan zijn overschreden, is niet van belang omdat – zoals de werknemer terecht heeft aangevoerd – opname van methanol ook via de huid mogelijk is. Uit het een en ander volgt dat de werkgever niet aan zijn zorgverplichting heeft voldaan. Het beroep wordt verworpen.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 1 april 2008, LJN BC8292)

 

Reageer op dit artikel