artikel

Veilig en gezond in 2020

Geen categorie

De vraag is of deze moderne thema’s blijvertjes zijn. In de eerste plaats is er het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Duurzaamheid is nu erg in de mode; steeds meer bedrijven doen er aan mee. Toch zijn er nu al tekenen van verval zichtbaar van de duurzaamheidsgolf Robert Reich, minister van Arbeid onder Clinton en indertijd een van de pioniers van maatschappelijk verantwoord ondernemen, verzuchtte eind vorig jaar teleurgesteld in de NRC dat geloof in sociale verantwoordelijkheid van bedrijven “flauwekul’ is. De meeste bedrijven doen alsof ze maatschappelijk ondernemen, en hoe meer ze dat doen, hoe minder betekenis het krijgt.

 

Ook geven veel werkgevers momenteel veel geld uit aan vitaliteit en leefstijl. Maar vroeg of laat komen ze tot de conclusie dat het sleutelen aan de gezondheid van de mens door de werkgever weinig oplevert. Mensen eten immers veel vaker thuis dan in het bedrijfsrestaurant, en een half uurtje fitness in het bedrijfssportcentrum helpt ook niet erg als je thuis verder op de bank zit. We weten ook allang dat allerlei leefstijlcursussen hoogstens een beperkt en tijdelijk effect hebben. Investeringen van werkgevers in leefstijl van hun mensen leveren dus weinig rendement op, zeker ook omdat de effecten daarvan op de gezondheid pas na jaren optreden, als veel werknemers inmiddels een andere baan hebben. Het kan nog even duren, maar werkgevers gaan zich op den duur realiseren dat sleutelen aan werkomstandigheden, in plaats van aan de werknemer, misschien toch zo gek niet is.

 

In 2020 zijn dus de huidige trends van maatschappelijk verantwoord ondernemen en bemoeienis van bedrijven met de gezondheid van hun werknemers wel uitgewoed. De vraag is of dat ook geldt voor de deregulering. Dit is de huidige politieke mode die voorschrijft dat werkgevers en werknemers samen goed in staat zijn om risico’s te beheersen, en daarbij geen regulerende overheid nodig hebben. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is het verstandig om eerst een aantal sociale ontwikkelingen te beschouwen.

 

In het bedrijfsleven is een stille revolutie aan de gang. In twintig jaar is het aantal bedrijven bijna verdubbeld van ruim 400.000 naar tegen de 800.000. Tegelijk is het aantal werknemers per bedrijf gedaald van bijna twaalf naar ongeveer tien (zie grafiek 1). De concurrentie tussen bedrijven wordt bovendien steeds internationaler, niet alleen voor productiebedrijven, maar ook voor dienstverleners. Denk maar aan de Indiase callcenters, Poolse loodgieters en Turkse oogklinieken. Omdat ook nog eens het bedrijfsleven fragmenteert en diverser wordt, zal de rol van de knusse Hollandse brancheorganisatie in de toekomst veel kleiner worden.

 

Grafiek 1: Aantal bedrijven in Nederland en aantal werknemers per bedrijf sinds 1986 (CBS)

 

 

Soortgelijke ontwikkelingen zijn gaande bij de werknemers. Ten eerste wordt de werknemerspopulatie al jaren diverser. Werknemers komen niet alleen meer uit Nederland of de traditionele immigratielanden, maar ook steeds vaker uit andere Europese landen. De arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden wordt steeds mondialer. Daarbij komt dat de doelen die werknemers zich stellen, meer uiteenlopend worden. De doorsnee oppassende burger maakt plaats voor een uiteenlopende groep van materialisten, carrieremakers, hedonisten en post-materialisten. Het aantal vakbondsleden vertoont een dalende trend (zie grafiek 2). Tegenwoordig is nog geen kwart van de werknemers lid van een bond.

 

Grafiek 2: Organisatiegraad van de Nederlandse werknemers sinds 1986 (CBS)

 

 

We zien dus een duidelijke trend richting een steeds diverser wordend veld van werknemers en werkgevers. De collectieve verbanden van werkgevers en werknemers worden steeds minder belangrijk Alles wijst er op dat deze trend doorzet, en dat in 2020 de basis voor min of meer bindende collectieve afspraken enorm verminderd zal zijn.

 

Onze overheid zou in theorie het dereguleringsbeleid op de lange termijn kunnen voortzetten, en blijven inzetten op zelfregulering. De structuur om die afspraken in het veld collectief te maken en te handhaven zal echter ernstig verzwakt zijn. Voor bedrijven en werknemers is het dan steeds meer ieder voor zich. In 2020 staan in stoffige bibliotheken kasten vol met arbocatalogi, convenanten, leidraden en wat al niet, waar niemand meer voor verantwoordelijk is: noch voor het handhaven, noch voor het actueel houden.

 

Een verstandige overheid moet anticiperen, en heeft in de komende jaren in principe twee mogelijkheden. Een voortgezette laisserfairepolitiek met minimumvoorschriften, of een terugkeer naar de kerntaak van de overheid: bescherming van de gezondheid van de werkende burger om morele redenen.

 

Met de liberale laisser-fairebenadering hebben we slechte ervaringen. In de 19e eeuw waren, bij gebrek aan een beschermende overheid, de werknemers overgeleverd aan de grillen van de industrielen. Er waren goede en sociale werkgevers, die veel gaven om hun mensen en zorgden voor veilig werk en goede voorzieningen. Maar er waren ook veel slechte, die werknemers die een bedrijfsongeval kregen zonder pardon ontsloegen. In de parlementaire enquete uit 1874 werd al geconcludeerd dat we in Nederland ‘in navolging van de meeste beschaafde Staten’ geregeld toezicht moesten krijgen. “Door allen die zich met dit onderwerp ernstig beziggehouden hebben, wordt aan dit Staatstoezicht hooge waarde gehecht.” De overheid zou dus tegen 2020 beter kunnen besluiten tot een reregulering, en opwaardering van het toezicht. De Arbeidsinspectie is immers momenteel niet veel meer dan een stadswacht in arboland; bij gebrek aan heldere regels en mankracht noodgedwongen vooral bezig met projecten, adviseren en stimuleren.

 

Reregulering is niet zo’n vreemde keuze, want anders dan we tegenwoordig vaak denken, zijn regels en handhaving een teken van beschaving. Ontwikkelde samenlevingen onderscheiden zich immers van de wildwestmaatschappij door een hoge mate van zekerheid en bescherming, voor een belangrijk deel geleverd door de overheid. De kunst zal zijn om te komen tot slimmere regels, die transparant zijn en handhaafbaar. Dat is moeilijk, maar niet onmogelijk

 

Naast laisser faire of reregulering is er ook nog een derde, meer economische keuze denkbaar. Dit is een beleid waarbij de overheid gerichte prikkels uitdeelt om een niet goed werkend economisch systeem te corrigeren. De kosten van gezondheidsschade door het werk komen nu deels voor rekening van de samenleving en niet van de werkgever: medische kosten, inkomen bij langdurige arbeidsongeschiktheid, maar ook bijvoorbeeld kosten van de Arbeidsinspectie. De overheid kan in de toekomst met regelgeving zorgen dat de economische mechanismen beter werken dan nu. Dat kan bijvoorbeeld door de boetes bij bedrijfsongevallen fors te verhogen, tot het niveau van de maatschappelijke schade. Dat kan ook door de belasting van bedrijven afhankelijk te maken van hun arboprestaties. Bedrijven met weinig ongevallen of beroepsziekten, of met een gecertificeerd managementsysteem, zouden dan minder gaan betalen dan ondernemingen met slechtere prestaties. Ook valt te denken aan verhandelbare quota voor bijvoorbeeld WIA-toetreding. Bedrijven moeten dan het recht kopen om een werknemer te laten afvloeien naar arbeidsongeschiktheid. Maar als allereerste zou het risque professionel moeten worden ingevoerd: een systeem waarbij de hoogte van de uitkering bij arbeidsongeschiktheid afhankelijk is van de oorzaak Ligt deze in het werk, dan is de uitkering hoger, en moet ze worden betaald door de werkgever.

 

Een verstandige overheid zal tegen 2020 streven naar een combinatie van economische en morele sturing, zeg maar volgens de aloude leer van de koopman en de dominee. Het beleid zou dan kiezen voor economische mechanismen die werkgevers laten opdraaien voor de gezondheidsschade aan de samenleving, en slimme en handhaafbare regels ter bescherming van de gezondheid, omdat dat nu eenmaal een kwestie van beschaving is. En dat is ondoordachte deregulering niet, zeker niet omdat de structuren voor zelfregulering zullen gaan wankelen.

 

Dit artikel is gebaseerd op een voordracht tijdens een symposium bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 31 januari 2008

 

Reageer op dit artikel