artikel

Val van rolsteiger

Veilig werken

Tijdens de werkzaamheden draait een van de mannen – een ervaren timmerman – zich om om iets van een werkbordes te pakken en stapt mis tussen dat bordes en de steiger. Hij probeert met zijn linkervoet z’n evenwicht te herstellen en duwt daardoor de rolsteiger weg. Hij valt tussen de muur en de steiger en breekt zijn bovenarm waarbij hij een zenuwbeschadiging oploopt. Het slachtoffer claimt zijn schade als gevolg van dit ongeval bij zijn werkgever.

De Arbeidsinspectie oordeelt dat de werkgever de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden: namelijk art. 8 lid 1 (onvoldoende voorlichting), art. 8 lid 4 (onvoldoende toezicht) en art. 9 lid 1 (niet onverwijld melden van het ongeval).
De kantonrechter wijst de vordering af.

Het hof acht de werkgever aansprakelijk. Ondanks de verschillend luidende verklaringen acht het hof bewezen dat de grond waarop de kamersteiger tijdens het ongeval stond niet was bestraat, maar uit zand met bladeren bestond en daardoor oneffen was. Volgens het hof is een dergelijke ondergrond niet geschikt voor het plaatsen van een kamersteiger en daarmee was de werkplek onveilig. De werkgever had maatregelen moeten nemen om het gevaar te voorkomen en had ook de nodige aanwijzingen moeten geven.

De werkgever voert aan dat de timmerman de aanwezige steiger met verstelbare poten had moeten nemen. Dat hij de kamersteiger gebruikte, getuigt van bewuste roekeloosheid. Maar het hof is van oordeel dat er geen sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer. De werkgever gaat in cassatie bij de Hoge Raad. Die verwerpt het beroep, omdat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 wet op de rechterlijke organisatie).

 

Reageer op dit artikel