artikel

Verpleegsters blootgesteld aan lachgas

Veilig werken

Twee verpleegsters bevallen in 1998 van kinderen met aangeboren afwijkingen. Een van hen krijgt daarna nog eens drie miskramen. Zij eisen beiden schadevergoeding van het ziekenhuis.
De rechtbank is van oordeel dat vastgesteld moet worden of er sprake is van werkgeversaansprakelijkheid op basis van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek in verband met de gezondheidsrisico’s verbonden aan piekblootstelling aan entonox in de verloskamers. Dan is het aan de verpleegkundigen om te bewijzen dat zij bij hun werk aan de gevaarlijke stof entonox zijn blootgesteld en dat die blootstelling de geboortedefecten en de miskramen kunnen hebben veroorzaakt.

Al sinds 1985 was er voldoende bekend over de schadelijkheid van entonox. In 1995 heeft het ziekenhuis een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) opgesteld. Maar de naleving van de maatregelen liet te wensen over. Ook is de inhoud niet aan de verpleegkundigen meegedeeld, wat in strijd is met het doel van zo’n RI&E. Het ziekenhuis wist ook dat een aanvullende RI&E over de noodzaak van afzuiging van uitademingsgassen, dus ook van lachgas, op de kraamafdeling nodig was.

De rechtbank vindt dat het ziekenhuis in elk geval in 1998 had kunnen weten dat een piekblootstelling aan entonox gezondheidsrisico’s opleverde. Daarmee heeft het ziekenhuis haar zorgplicht jegens de beide verpleegkundigen geschonden.
Maar de rechtbank is ook van oordeel dat het causale verband tussen de piekblootstelling aan entonox en de geboortedefecten van de kinderen en de miskramen ontbreekt. De rechtbank vindt dat het ziekenhuis het aangenomen bewijsvermoeden voldoende heeft ontzenuwd en dat de verpleegkundigen onvoldoende andere concrete feiten hebben aangedragen om tot bewijs te worden toegelaten.

De conclusie is dan ook dat de stellingen van de verpleegkundigen niet voldoende zijn om hun vordering te doen slagen. Hun vordering wordt afgewezen.

 

Reageer op dit artikel