artikel

Late vordering bij asbestproducent

Veilig werken

Daarbij heeft hij asbestcementhoudende golfplaten en vlakke platen verwijderd en werd hij blootgesteld aan asbest. Hij is in januari 2008 overleden.Zijn erfgenamen spreken de asbestproducent aan voor schadevergoeding. Die doet een beroep op verjaring.

 

De vordering is gegrond op de verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW: asbest. De rechtbank stelt vast dat de laatste blootstelling aan asbest heeft plaatsgevonden in 1975, en dat op grond van de 30-jarige verjaringstermijn van artikel 3:310, lid 2 Burgerlijk Wetboek de vordering al in 2005 is verjaard.

 

Maar uit het arrest van de Hoge Raad van 28 april 2000 (LJN: AA5635) en latere jurisprudentie volgt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vaak onaanvaardbaar is om op die termijn een beroep te doen. De ziekte mesothelioom openbaart zich doorgaans pas na meer dan dertig jaar. De schade kan vaak pas worden geconstateerd na het verstrijken van de verjaringstermijn. De vraag is dus of een beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is.

 

De rechtbank vindt in dit geval van wel. Een van de (zeven) gezichtspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd, is of na het aan het licht komen van de schade binnen een redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat dat van doorslaggevend belang kan zijn. Zodra van een benadeelde mag worden verwacht dat hij zijn vordering instelt, moet hij dat ook doen. Gelet op het tijdspad is dat hier niet het geval.

 

Sinds het bekend worden van de mogelijke aansprakelijke zijn er meer dan twee jaar verstreken. En, zo merkt de rechtbank op, na het bekend worden van de diagnose zelfs drie jaar! Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering in deze bodemprocedure niet meer binnen een redelijke termijn is ingesteld. De vordering wordt daarom afgewezen.

 

Reageer op dit artikel