artikel

Man glijdt uit op afvalinzamelingsplaats

Veilig werken

Begin januari 2007 komt een man die afval aanbiedt ten val, doordat hij op de inzamelingsplaats uitglijdt. Hij spreekt de gemeente aan voor zijn schade op grond van de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). De gemeente stelt geen gladheid te hebben geconstateerd. Maar dat wordt door de rechtbank verworpen, omdat niet bekend is of iemand van de gemeente ter plaatse is gaan kijken. De rechtbank gaat daarom uit van de toedracht zoals door het slachtoffer is gesteld.

 

Het in het leven roepen van een gevaarzettende situatie kan tot aansprakelijkheid leiden, als die beantwoordt aan de zogenoemde Kelderluikcriteria die de Hoge Raad heeft geformuleerd in haar arrest van 5 november 1965. Dan moet men niet alleen letten op de mate van waarschijnlijkheid dat een derde niet de gebruikelijke oplettendheid en voorzichtigheid betracht, maar ook op de kans dat daardoor ongevallen ontstaan. En verder moet men kijken naar de ernst van de mogelijke gevolgen en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

De rechtbank vindt het van belang dat het hier gaat om een terrein waar afval wordt ingezameld. Aan de inrichting en het onderhoudsniveau van zo’n terrein kunnen niet al te hoge eisen worden gesteld. Zeker als dat terrein slechts beperkt wordt gebruikt en maar een ochtend per maand openstaat voor het publiek. Maar dan moet het voor het publiek nog wel veilig zijn. Vast staat dat er sprake was van algvorming op een of meer stelconplaten.

 

Volgens de rechtbank is het algemeen bekend dat algvorming op een betonnen plaat bij vochtig weer leidt tot gladheid en dat dit het risico van uitglijden meebrengt. De gemeente had er rekening mee moeten houden dat het publiek niet altijd de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zou nemen. Maar van datzelfde publiek mag wel worden verwacht dat men enigszins voorzichtig is, omdat algemeen bekend is dat op terreinen waar afvalinzameling plaatsvindt sprake kan zijn van gladheid. Iedereen weet immers dat een dergelijk terrein vaker dan andere openbare terreinen is vervuild met bijvoorbeeld modder, rondslingerend afval of gemorste vloeistoffen.

 

De algengroei deed zich slechts voor op een beperkt deel van het terrein. Volgens de rechtbank was er daarom sprake van een aanmerkelijke kans dat men de algengroei niet opmerkt en daarop wegglijdt. De bijzondere service van de gemeente om dit terrein maandelijks open te stellen voor haar inwoners betekent wel dat aan de normale veiligheidseisen moet worden voldaan. Op grond van alle feiten en omstandigheden acht de rechtbank de gemeente als eigenaar van het terrein aansprakelijk. De gemeente heeft een gevaarzettende situatie laten ontstaan en voortbestaan en dat leidt tot aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW. Maar de rechtbank vindt ook dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer (50%), omdat hij onvoldoende oplettend is geweest.

 

 

Reageer op dit artikel