artikel

Thuiswerken geen vanzelfsprekend recht

Veilig werken

De rechter stelt vast, dat de werkgever een regeling telewerken heeft opgesteld die door de or is geaccordeerd. Daarin wordt onder telewerken verstaan het structureel verrichten van werkzaamheden vanuit de woning van de werknemer op overeengekomen dagen. Uitgangspunt is, dat zowel de organisatie als de werknemer belang hebben bij het thuiswerken. En, zo staat in artikel 3 van de regeling: telewerken is geen recht.

 

De werkgever kan bij het beoordelen van de vraag individuele omstandigheden mee laten wegen. Het gaat hier om een juridisch administratief medewerkster met een aanstelling van 36 uur per week. Bij de aanstelling in 2009 is overeengekomen, dat zij vier uur thuis zou werken, maar dat zou worden herzien na de reorganisatie en de nieuwe standplaats. Dat was medio 2010 het geval.

 

Drie dagen is te kort

De werkneemster heeft in 2011 enige tijd acht uur betaald ouderschapsverlof genoten en vervolgens een aanvraag gedaan voor vier uur onbetaald ouderschapsverlof op maandag en uitbreiding van het aantal thuiswerkuren van vier naar acht op dinsdag. Daarmee zou zij drie dagen per week aanwezig zijn en dat acht de werkgever te kort voor een goede taakuitoefening.

 

De rechtbank overweegt dat de werkgever, gezien de tekst van de Regeling, een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De rechtbank toetst daarom of de werkgever bij de afwijzing alle belangen in redelijkheid heeft meegewogen. Zonder af te willen doen aan de motieven van de werkneemster om te willen telewerken, vindt de rechtbank dat niet is gebleken dat zij, in vergelijking met haar collega’s een bijzonder belang had. Ook niet, nu zij een kind heeft gekregen. Dat het rumoerig was op de werkplek mag dan zo zijn, maar daar moet de werkgever als goed werkgever aandacht aan besteden en dat kan niet worden opgelost door te gaan telewerken.

 

Afspraak geen eeuwigheidswaarde

De werkneemster heeft ook aangevoerd, dat zij ook niet langer dan vier uur thuis mag werken, zoals bij haar aanstelling  was afgesproken. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (12 oktober 1995, LJN: ZB1584) stelt de rechtbank dat een afspraak over thuiswerken geen eeuwigheidswaarde heeft. Wel mag een wijziging niet in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht. Er was bij de aanstelling een voorbehoud gemaakt en dat betekent, dat de werkgever niet opnieuw hoefde in te stemmen met die vier uur thuiswerken. Ook niet, nu er in algemene zin was toegezegd dat bij de reorganisatie bestaande rechten in beginsel zouden worden gerespecteerd. De rechtbank vindt het standpunt van de werkgever, dat een voltijdsmedewerker gedurende vier dagen per week op de werkplek aanwezig is, alleszins redelijk. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

 

Lees voor meer jurisprudentie Vakblad Arbo>>

Reageer op dit artikel