artikel

Beroepsziekten niet aangetoond

Veilig werken

Een thans 64-jarige man heeft jaren als servicemonteur gewerkt bij een bedrijf in verpakkingsmachines voor de farmaceutische- en levensmiddelensector. Zijn werkzaamheden bestonden uit het afleveren van machines, monteren, afstellen, controleren, onderhouden en testen. In januari 2001 is hij definitief uitgevallen en de arbeidsovereenkomst is in februari 2004 beeindigd. Enkele jaren later stelt hij zijn werkgever aansprakelijk omdat hij zou lijden aan Organo-psychosyndroom (OPS/CTE).Hij wijt dit aan het veelvuldig gebruik van, en contact met, diverse toxische stoffen, zoals aluminium(stof), beryllium(stof), thinner en andere ontvettingsmiddelen, alsmede waspoeders en dergelijke. De werkgever erkent, dat de werknemer longfibrose heeft, maar bestrijdt dat dit het gevolg is van de werkzaamheden.

 

Oordeel gerechtshof

De kantonrechter gaat daarin mee en de werknemer gaat in beroep. Volgens het hof lijdt de werknemer aan twee aandoeningen, longfibrose en OPS. Die zouden het gevolg zijn van het werk. Daarvoor geldt op grond van art. 7:658 lid 2 BW dat de werknemer in beginsel moet stellen en zo nodig bewijzen, dat hij schade heeft gelden in de uitoefening van zijn werk. Deze stelplicht is, zeker bij beroepsziekten, niet al te zwaar, maar de relatie tussen de aandoening en de arbeidsomstandigheden moet wel aannemelijk worden gemaakt. De werknemer heeft twee rapporten van deskundigen aangevoerd, waaruit zou blijken, dat hij lijdt aan OPS. Beide internisten wijzen op de mogelijkheid van “chronische solvent encefalopathie” gezien de klachten van de werknemer over moeheid, futloosheid en geheugen- en concentratiestoornissen. Maar er is geen nader onderzoek gedaan, zodat de werknemer op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De enkele aanwezigheid van bijvoorbeeld thinner is niet voldoende om zonder nader medisch onderzoek de diagnose OPS aannemelijk te achten. Volgens de werknemer is de longfibrose veroorzaakt door het vele aluminium-, beryllium- en waspoederstof op de werkplek. Dat zou vrij zijn gekomen bij het afstellen en proefdraaien van de verpakkingsmachines. De geraadpleegde medische deskundigen oordeelden dat de longfibrose op grond van de beschikbare gegevens niet met zekerheid aan een beroepsmatige blootstelling zijn te wijten. De exacte oorzaak was niet te achterhalen. Wel werd berylliose na een huidtest uitgesloten. Over de aard van de werkzaamheden heeft een deskundige gerapporteerd en geconcludeerd, dat het onwaarschijnlijk is, dat de klachten zijn veroorzaakt door de werkzaamheden. Dat rechtvaardigt volgens het hof de conclusie, dat de werknemer er niet in is geslaagd, aannemelijk te maken, dat de longfibrose is veroorzaakt door omstandigheden in het werk. Het hoger beroep wordt verworpen.

Reageer op dit artikel