artikel

Wankel evenwicht

Wetgeving

Bij het vaststellen van de mate van verwijtbaarheid en de hoogte van de boete heeft de minister de overtreding in de bezwaarfase getoetst aan de tussentijds gewijzigde Beleidsregel 33 van de arbeidsomstandighedenwetgeving, die op 1 januari 2007 in werking trad. In die nieuwe beleidsregel zijn de boetenormbedragen verdubbeld en drie matigingsgronden opgenomen. In dit geval was aan twee matigingsgronden voldaan, aangezien de risico’s waren geinventariseerd en de werknemers voldoende waren geinstrueerd. Maar aan het vereiste van voldoende toezicht op de werkzaamheden en de naleving van de instructies is volgens de minister niet voldaan. Daarom staat niet vast dat elke verwijtbaarheid ontbreekt. De boetenorm bedraagt sinds 1 januari 2007 voor een bedrijf met de grootte van de werkgever 8.100 euro. De boete is met het oog op de twee matigingsgronden met twee derde verlaagd tot 2.700 euro.

 

De rechtbank stelt eerst vast dat sinds 15 juli 2006 de bepalingen van het Arbobesluit over de stabiliteit van trappen gewijzigd zijn. Maar ook dan is het gepleegde feit nog steeds een overtreding. De werkgever is het niet eens met de hoogte van de resterende boete. Uitgegaan zou moeten worden van 4.050 euro, het maximumbedrag dat destijds gold. En op dat bedrag zouden dan twee van de nu geldende matigingsgronden zoals genoemd in Beleidsregel 33 moeten worden toegepast. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister op grond van art. 7:11 Awb het bezwaar op de boete volledig moest heroverwegen.

 

Daarbij moet worden getoetst aan de voorschriften en beleidsregels zoals die ten tijde van de heroverweging gelden. Maar dan kan ook de ‘oude’ boete niet blijven bestaan en moet er worden uitgegaan van het nieuwe boetebedrag dat wordt gematigd op grond van het nieuwe beleid. De minister is dan ook terecht uitgegaan van het stelsel zoals dit per 1 januari 2007 geldt en heeft de boete op grond daarvan op een lager bedrag vastgesteld dan eerst het geval was. Daarmee werd het uiteindelijke boetebedrag ook lager.

 

De rechtbank gaat ook inhoudelijk in op het verweer van de werkgever. Die heeft betoogd dat er wel adequaat toezicht werd gehouden op de werkzaamheden en de naleving van instructies. Het ging hier om een ervaren medewerker, die volgens de werkgever zelf leidinggevende en toezichthouder was. De projectleider was belast met het toezicht op deze werknemer. Maar op grond van Beleidsregel 33 is het aan de werkgever om aan te tonen dat adequaat toezicht werd gehouden. In recente jurisprudentie is bepaald dat het daarbij gaat om voldoende feitelijk toezicht op de werkzaamheden van de betreffende werknemer (Afd. bestuursrechtspraak Raad van State, 8 april 2007, LJN BA3220). Of er al dan niet sprake is van voldoende feitelijk toezicht hangt, volgens vaste rechtspraak, af van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de werknemer en zijn positie in het bedrijf. Van een werkgever kan in beginsel niet worden gevergd dat hij voortdurend een toezichthouder naast een – ervaren – werknemer plaatst.

 

Maar de werkgever moet wel – ook bij ervaren werknemers – met enige regelmaat de naleving van instructies en voorschriften om risico’s te voorkomen controleren en bespreken. Dat er toevallig geen toezichthouder aanwezig is op het moment van een ongeval, is op zichzelf niet voldoende om te oordelen dat de werkgever niet voldoende feitelijk toezicht op de werkzaamheden heeft gehouden. Maar dat feitelijke toezicht moet wel zodanig zijn dat de werknemers daardoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. Uit vaste rechtspraak blijkt ook dat de werkgever geenszins gevrijwaard is als de werknemer zelf toezichthouder is.

 

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt nergens uit dat de werkgever ten tijde van het ongeval een duidelijk (sanctie)-beleid had om de naleving van veiligheidsvoorschriften te stimuleren. Gesteld is wel dat op alle projecten periodiek werkinspecties plaatsvonden ten tijde van het ongeval. Maar de rechtbank heeft dat niet kunnen vaststellen, omdat dit niet nader is onderbouwd met feiten of documenten waaruit dit blijkt. Uit het oningevulde werkinspectieformulier dat de werkgever aan de rechtbank heeft overgelegd, blijkt niet dat werkinspecties in die periode ook daadwerkelijk zijn gehouden. Van feitelijk toezicht door de projectleider op de werkzaamheden van de betreffende werknemer is evenmin gebleken. Uit de verklaring van de projectleider blijkt dat hij zijn werkzaamheden op de vestiging uitvoerde.

 

Daaruit blijkt niet dat hij feitelijk toezag op het naleven van de veiligheidsinstructies door de werknemer.

 

Ook is niet aangetoond dat de werkgever de naleving van veiligheidsvoorschriften met enige regelmaat controleerde of de naleving stimuleerde door een vorm van feitelijk toezicht. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van voldoende feitelijk en structureel toezicht op de werkzaamheden onvoldoende is gebleken. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

 

RechtbankArnhem, LJN BC6833, 19 februari2008

 

Aantekening

 

Op grond van de in december 2006 gewijzigde Beleidsregel 33 kan een boete steeds met een derde worden gematigd als de werkgever kan aantonen dat hij:

 

het bewuste risico heeftgeinventariseerd en de nodige maatregelen zijn genomen;

 

voldoende instructies heeftgegeven;

 

ook adequaat toezicht heeft

 

gehouden of (laten) houden. Als de werkgever alle criteria kan aantonen, wordt geen boete opgelegd. De bewijslast rust wel bijde werkgever.

 

 

Relevante wetsartikelen

 

Artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

 

Artikel 8, vierde lid, Arbowet 1998

 

Artikel 16, tiende lid, Arbowet Artikel 7:23a Arbobesluit Artikel9.1 Arbobesluit Beleidsregel 33 Arbowetgeving

 

 

Reageer op dit artikel