artikel

Asbestvordering verjaard

Geen categorie

Volgens de rechter is de vordering in principe verjaard. De gestelde blootstelling aan asbeststof is namelijk in ieder geval in 1967 beeindigd en sindsdien is er dertig jaar verstreken.

 

Het is echter niet zeker dat de verjaringstermijn hier van toepassing is. De Hoge Raad oordeelde namelijk op 28 april 2000 (NJ 2000, 430) dat de verjaringstermijn in bepaalde gevallen buiten toepassing kan blijven. Gezien de rechtszekerheid geldt dit echter slechts in uitzonderlijke gevallen, waarvoor de Hoge Raad zeven criteria geeft.

 

Om te bepalen of er mogelijk toch geen sprake is van verjaring, gaat de rechtbank alle zeven punten na.

 

1. Het gaat om een vordering voor overwegend immateriele schade. In dit geval komt een eventuele schadevergoeding ten goede aan de oud-werknemer.

 

2. De oud-werknemer heeft geen aanspraak op een of andere bijzondere uitkering. Hij heeft ook geen recht op een schade-uitkering op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. Die regeling is uitsluitend bestemd voor asbestslachtoffers met maligne mesothelioom, niet voor personen die lijden aan asbestose, zoals de oud-werknemer.

 

3. Beide partijen verschillen van mening over de mate van verwijtbaarheid van Hertel. Onbekend is of Hertel, als niet-werkgever, ook veiligheidsmaatregelen voor anderen moest nemen. Ook is niet bekend of het bedrijf voldoende maatregelen had getroffen. Het staat dan ook niet vast of Hertel verwijtbaar heeft gehandeld.

 

4. Volgens de rechtbank moest Hertel pas rekening houden met de mogelijkheid van aansprakelijkheid voor de schade van niet-werknemers na een arrest van de Hoge Raad uit 2004. Daarom hoefde en kon Hertel na 1997, toen de vordering was verjaard, geen rekening te houden met een aansprakelijkheidsstelling voor deze schade.

 

5. Tussen de blootstelling en de aansprakelijkheidsstelling is ten minste 39 jaar verstreken. De toenmalige werkgever is in 1984 failliet gegaan. Er is nauwelijks informatie beschikbaar over de werkwijze destijds bij ADM en de materialen waarmee werd gewerkt. Het is daarom aannemelijk dat Hertel door dit tijdsverloop ernstig wordt belemmerd in haar verweermogelijkheden.

 

6. Hertel is tegen aansprakelijkheid verzekerd. Deze verzekering biedt dekking voor vorderingen van derden.

 

7. Is Hertel tijdig na het vaststellen van de ziekte aansprakelijk gesteld? Wat een redelijke termijn is, hangt mede af van de vraag in hoeverre Hertel door het verstrijken van de termijn is benadeeld. De rechtbank is van oordeel dat – met het oog op de rechtszekerheid en de belangen van Hertel – de oud-werknemer van ADM te lang heeft gewacht met de aansprakelijkstelling. De man heeft namelijk pas zo’n zestien maanden nadat hem verteld is van de mogelijke asbestose bij Hertel aan de bel getrokken. Dat hij eerst zekerheid wilde hebben of hij werkelijk aan asbestose leed, doet daar niet aan af. Hij had na het eerste onderzoek Hertel kort kunnen mededelen dat hij het bedrijf mogelijk aansprakelijk zou stellen. De rechtbank merkt op dat de advocaat ook bij de aansprakelijkstelling in juni 2005 geen medische informatie heeft bijgevoegd. Als onderaannemer had Hertel er recht op zo spoedig mogelijk te weten dat zij aansprakelijk werd gehouden. Voor Hertel is het immers, anders dan voor een werkgever, niet te voorzien door wie zij mogelijk in de toekomst nog aansprakelijk wordt gesteld.

 

Op grond van al deze overwegingen tezamen, waarbij met name de punten 5 en 7 veel gewicht in de schaal leggen, komt de rechtbank tot de slotsom dat het beginsel van rechtszekerheid in dit geval moet prevaleren. Toepassing van de verjaringstermijn van dertig jaar is in dit bijzondere geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. En dus wijst de rechter de vordering af.

 

Rechtbank Amsterdam, 16 mei 2007, LJN BA5593. Wettelijk kader: art. 6:2 en 3.310 BW

 

AANTEKENING

 

In het Burgerlijk Wetboek komen verschillende verjaringstermijnen voor. Na het verstrijken van zo’n termijn kan niemand meer een rechtsvordering instellen. Dat bevordert de rechtszekerheid, omdat je na die tijd niet meer voor verrassingen kan komen te staan. Een heel gebruikelijke verjaringstermijn is drie jaar, maar voor een asbestbesmetting geeft artikel 3:310 tweede lid Burgerlijk Wetboek een termijn van dertig jaar. Die termijn kan zelfs, volgens een in de uitspraak ook aangehaald arrest van de Hoge Raad, nog worden verlengd, omdat de gevolgen van een dergelijke besmetting zich pas na dertig jaar kunnen openbaren. Verlenging is dan mogelijk op grond van de zogenaamde redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2, tweede lid BW. Maar dan moet de vordering wel zo spoedig mogelijk worden ingesteld na het bekend worden van de ziekte. Naar aangenomen wordt zou een termijn van maximaal twaalf maanden nog acceptabel zijn, maar korter is altijd te prevaleren. Door het instellen van zo’n vordering wordt de verjaring gestuit (zeg maar: geblokkeerd). Bij de besproken zaak had dit kunnen gebeuren door een eenvoudig briefje te sturen met de mededeling dat er mogelijk een claim aan zat te komen. De betrokkene heeft daar echter ruim zestien maanden mee gewacht nadat hij op de hoogte was gesteld van de ziekte en bekend was met de veroorzaker. Dat vindt de rechter te lang.

 

 

Reageer op dit artikel