artikel

Bakken achter de computer

Geen categorie

In dit artikel bespreken we tien van de meest voorkomende oorzaken van oververhitting in kantoorgebouwen. Daarbij geven we aan hoe kan worden gecontroleerd of die oorzaak in een gebouw aanwezig is. In de praktijk valt voor warme kantoorgebouwen overigens vaak meer dan een oorzaak aan te wijzen.

 

Zonwering bestaat in vele soorten en maten.

 

» Een uitvalscherm met dik doek is een voorbeeld van goede zonwering. Er komt weinig straling doorheen en opgewarmde lucht achter het doek kan in principe goed worden weggeventileerd. Ook een screen kan goed werken, maar alleen als de warmte zich niet achter het screen ophoopt. Anders komt er alsnog veel warmte het kantoor binnen.

 

» Zonwerend glas kan tot circa zeventig procent van de zonnewarmte weren. De resterende dertig procent bereikt de kantoorruimte. Bij veel glas in de gevel kan daardoor nog steeds te veel warmte binnenkomen.

 

» Lichtwering is geen zonwering! Gordijnen, lamellen en dergelijke aan de binnenzijde dienen alleen om het licht tegen te houden. Ze houden de warmte niet buiten. Witte lamellen zijn dus geen zonwering.

 

» Op daklichten en hellende ramen is soms helemaal geen zonwering aangebracht. Bedenk daarbij dat een daklicht op een zomerdag evenveel verwarmt als een flinke straalkachel.

 

Controle: visueel

 

Al vanaf ’s ochtends vroeg is de zon warm.

 

In de zomer beschijnt de zon een (noord)oostgevel al voor half zes. De intensiteit van de zonnestraling neemt dan snel toe, zodat voor kantoortijd veel zonnewarmte op de gevel terecht is gekomen. Om te voorkomen dat hierdoor het kantoor opwarmt, moet de zonwering dus vroeg worden gesloten.

 

Bij automatische zonwering gebeurt dit op het moment dat de zon een bepaalde sterkte heeft. Handbediende zonwering gaat pas omlaag als de gebruikers op kantoor komen.

 

Controle: visueel (om half 7 uur ’s ochtends)

 

De bovenste verdieping is vaak warmer dan de verdiepingen eronder. Meestal wordt dit veroorzaakt door warmte die via het dak binnenkomt. De zon straalt op het dak en warmt het dak op. Na verloop van tijd is de hele dakconstructie dusdanig opgewarmd dat de warmte op de bovenste verdieping terechtkomt. Hoe zwaarder het dak (beton), hoe kleiner het probleem. Met name bij lichte dakconstructies (metaalconstructies) komen vaak problemen voor. Zwarte dakbedekking versterkt het probleem.

 

Controle: klop op het plafond (niet het verlaagde plafond!). Beton is in principe goed, maar de dikte is belangrijk. Bij twintig centimeter dik beton kan over een zware constructie worden gesproken.

 

Ventileren is belangrijk om een frisse werkomgeving te houden, maar ook om overtollige warmte af te voeren. Als niet voldoende wordt geventileerd, wordt er geen warmte weggevoerd en stijgt de temperatuur. Luchttoevoer kan via roosters in de gevel (natuurlijke toevoer) of via luchtkanalen (mechanische toevoer). In een moderne werkomgeving is het praktisch altijd noodzakelijk om lucht mechanisch af te zuigen. Door te kleine ventilatieroosters, of te weinig toe- of afvoercapaciteit, komt het voor dat niet voldoende wordt geventileerd. Hierdoor stijgt de binnentemperatuur.

 

Controle: waar zijn de toe- en afvoerpunten (in kantoor of gang) ? Meet ventilatiehoeveelheden en de toevoercapaciteit van de roosters.

 

Als de ventilatielucht warmer is dan de buitenlucht, wordt het binnen warmer dan buiten. Ventilatieroosters bevinden zich meestal aan de bovenzijde van het raam. Vaak is dat ook de plaats waar de zonwering zit gemonteerd. Als de zonwering in gebruik is, wordt de ventilatielucht van achter de zonwering binnengehaald. Maar deze lucht kan dus sterk opgewarmd zijn!

 

Controle: visueel, meten temperatuur ventilatielucht.

 

Hierbij kunnen twee problemen spelen. Te warme lucht wordt binnengehaald. Bij gebalanceerde ventilatiesystemen (mechanische toe- en afvoer van ventilatielucht) wordt de lucht op een centraal punt aangezogen. Heel vaak gebeurt dit op het dak, omdat dan de installatieonderdelen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Boven een plat dak kan de lucht op zonnige, windstille dagen echter flink opwarmen: de temperatuur van een zwart dak kan oplopen tot zeventig graden! Daardoor wordt dus (sterk) opgewarmde lucht binnengehaald.

 

Controle: visueel, meten temperatuur ventilatielucht

 

Ook komt het voor dat lucht in ventilatiekanalen opwarmt. Bij een gebalanceerd ventilatiesysteem wordt lucht door kanalen naar de kantoorruimten geleid. Vaak zijn deze kanalen niet geisoleerd. Ze lopen soms gedeeltelijk over het dak en in het gebouw bevinden ze zich meestal boven het verlaagde plafond. Op het dak worden de kanalen door de zon beschenen en kunnen ze dus flink opwarmen. Boven de verlaagde plafonds is het meestal warm. Ook hier kan de ventilatielucht verder opwarmen.

 

Controle: meet de temperatuur van de ventilatielucht. Kanalen op het dak zijn visueel te traceren, voor het vinden van de overige kanalen zijn meestal revisietekeningen noodzakelijk.

 

Voor het comfort en de beleving van de werknemers is het van belang dat ramen kunnen worden geopend. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat in gebouwen met te openen ramen mensen minder last hebben van hogere temperaturen dan in gebouwen waar de ramen niet open kunnen. Daarnaast zorgen de te openen ramen voor extra ventilatie (spuiventilatie) die voor afkoeling zorgt. Dit werkt natuurlijk alleen als ramen echt te openen zijn en als de opening niet wordt belemmerd. Ramen die maar tien centimeter open kunnen, werken slechter dan ramen die helemaal open kunnen. Te openen ramen achter een buitenscreen werken averechts, omdat opgewarmde lucht wordt binnengehaald.

 

Controle: visueel

 

Gedurende de dag warmt elk gebouw op. In de zomer is het van belang dat een gebouw ’s nachts weer afkoelt. Hiervoor kan de koele buitenlucht worden gebruikt (vrije koeling). ’s Nachts moet dan (extra) worden geventileerd, zodat het gebouw ’s ochtends weer koel is. Belangrijk hierbij is dat de gehele constructie (vloeren, muren, et cetera) afkoelt. Dit kan alleen als ’s nachts gedurende langere tijd met koele buitenlucht wordt geventileerd.

 

Controle: controle gebouwbeheerssysteem; temperatuurmeting gedurende de nacht; meten ventilatiedebiet ’s nachts.

 

Naast warmte van buiten speelt warmte die binnen wordt geproduceerd, ook een belangrijke rol bij het opwarmen van ruimtes. Apparatuur, verlichting en personen zijn daarbij de belangrijkste warmtebronnen. In een volle vergaderzaal bijvoorbeeld kan het daardoor snel warm worden. Ook printers, computers en beeldschermen kunnen veel warmte produceren. Zelfs apparaten die alleen aanstaan, maar niet worden gebruikt, produceren warmte. Verlichting is een derde bron van warmteproductie. Niet alleen gloeilampen, maar ook tl-buizen kunnen behoorlijk veel warmte afgeven. Apparatuur en verlichting uitzetten bespaart dus niet alleen energie, het zorgt ook voor een koeler binnenklimaat.

 

Controle: tel het vermogen van apparatuur, verlichting en personen in een ruimte bij elkaar op (mensen produceren circa 80 W warmte). Tot 25 W/m2 is er sprake van een lage warmteproductie. Vanaf 40 W/m2 is de warmteproductie (te?) hoog.

 

Gebouwbeheerssystemen zijn ingewikkeld. Apparatuur is weggestopt in kasten en vaak weet niemand precies hoe iets werkt. Tegelijkertijd kunnen de installaties niet goed zijn ingesteld. Het is dan ook altijd noodzakelijk om de juiste werking van het gebouwbeheerssysteem te controleren. In de praktijk worden daarbij de gekste dingen geconstateerd, bijna altijd zonder dat de gebruiker of de beheerder daarvan weet:

 

» de verwarming staat het hele jaar door ingeschakeld;

 

» de warmteterugwinning is ook in warme periodes ingeschakeld, zodat ventilatielucht altijd wordt voorverwarmd;

 

» de nachtventilatie, voor koeling, staat niet ingeschakeld;

 

» de automatische zonwering werkt alleen tijdens kantooruren.

 

In het voorgaande hebben we de belangrijkste oorzaken van warme kantoorruimtes behandeld. Nu kort nog even iets over de richting waarin de oplossing moet worden gezocht.

 

Te vaak wordt gedacht dat mechanische koeling hoge binnentemperaturen kan verhelpen (zie ook het artikel ‘Te koud, te warm, te benauwd. Bouwfysicus zorgt voor beter binnenklimaat’ in ARBO 6-2006). Maar het is juist primair noodzakelijk om warmte met passieve middelen te bestrijden. Want hoe minder actieve koeling wordt toegepast, hoe minder nieuwe klachten ontstaan over bijvoorbeeld tocht, koude en luchtkwaliteit. Bovendien draagt actieve koeling bij aan een hogere energierekening. Voor het comfort van de gebouwgebruiker is het daarom beter om in eerste instantie de oorzaak van de hoge temperaturen te bestrijden. Indien nodig kan dan altijd alsnog koeling worden toegepast.

 

Reageer op dit artikel