artikel

Betrokkenen bij Bijlmerramp kampen met meer gezondheidsklachten

Geen categorie

KLM Arbo Services – de arbodienst van de politie regio Amsterdam-Amstelland, de brandweer Amsterdam en de KLM – accepteerde de opdracht om dit medische onderzoek te coordineren. Op verzoek van het ministerie van VWS nam de dienst tevens de coordinatie op zich van het medisch onderzoek onder de bewoners van de Bijlmermeer.

 

In het kader van het onderzoek konden deelnemers zich individueel laten onderzoeken door een arts. Daarnaast voerde het EMGO Instituut van het VU Medisch Centrum een epidemiologische studie uit. Hierbij vergeleek het de gezondheidsgegevens van bij de ramp betrokkenen met die van een referentiegroep van vergelijkbare, niet bij de ramp betrokken mensen.

 

Een door KLM Arbo Services aangestelde commissie van deskundigen stelde twee epidemiologische onderzoeksprotocollen op: een protocol voor epidemiologisch onderzoek onder brandweer-, politie-, en hangar-medewerkers en een voor epidemiologisch onderzoek onder de bewoners van de Bijlmermeer. Het epidemiologisch onderzoek onder de bewoners van de Bijlmermeer ging uiteindelijk echter niet door, omdat te weinig bij de ramp betrokken mensen bereid waren om eraan mee te doen. Om een zorgvuldige vergelijking te kunnen maken moesten namelijk voldoende bij de ramp betrokken mensen aan het onderzoek deelnemen (minstens 70 procent). Bij een lagere deelname kon er mogelijk een vertekend beeld van de gezondheidsklachten ontstaan. Het lukte de onderzoekers wel om voldoende bij de ramp betrokken hulpverleners en hangar-medewerkers aan het onderzoek mee te laten werken, zij het pas na verschillende intensieve wervingsacties. In 2000, acht jaar na de ramp, startten de medische onderzoeken. Twee jaar later was de gegevensverzameling afgerond; afgelopen december verscheen het definitieve eindrapport.

 

Uit de wetenschappelijke literatuur is bekend dat het meemaken van rampen kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, moeheid, huidklachten en pijn aan gewrichten en spieren, maag-darmklachten, geheugenstoornissen en duizeligheid. Deze klachten kunnen lange tijd voortduren. Daarnaast treden soms psychische klachten op als angst, depressie en post-traumatische stressstoornis (PTSS). Zowel de lichamelijke als de psychische klachten worden aangetroffen bij mensen die een traumatische gebeurtenis hebben meegemaakt, zoals oorlogsveteranen, slachtoffers van door mensen veroorzaakte rampen of natuurrampen en mensen die beroepsmatig met giframpen te maken hadden. Uit eerder inventariserend onderzoek van onder andere het Amsterdams Medisch Centrum was bekend dat soortgelijke klachten ook voorkwamen onder de betrokkenen bij de Bijlmerramp.

 

Om na te gaan of de vliegramp de gezondheidstoestand van de erbij betrokken hulpverleners en hangar-medewerkers had beinvloed, formuleerden de onderzoekers de volgende vijf onderzoeksvragen.

 

1. Is er een relatie tussen betrokkenheid bij de ramp en de huidige zelfgerapporteerde lichamelijke en psychische gezondheid?

 

2. Is er een relatie tussen de betrokkenheid bij de ramp en de uitslagen van laboratoriumonderzoek?

 

3. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten in

 

gezondheidsklachten tussen betrokken hulpverleners en niet-betrokken collega’s?

 

4. Wat is de relatie tussen de mate van betrokkenheid bij de ramp en de gezondheidsklachten?

 

5. In hoeverre brengen betrokkenen zelf hun klachten in verband met de ramp?

 

Om het antwoord op deze vragen te krijgen, legden de onderzoekers deelnemers aan het onderzoek vragenlijsten voor, waarin werd ingegaan op algemene en allerlei lichamelijke en psychische klachten (zie kader). Daarnaast hielden ze een laboratoriumonderzoek. Dit bestond onder andere uit enkele algemene laboratoriumbepalingen die informatie verschaffen over de algemene gezondheidstoestand. Verder voerden de onderzoekers een aantal specifieke analyses uit gericht op klachten die mogelijk vaker zouden voorkomen. Tot slot werd in de urine van de deelnemers gezocht naar de aanwezigheid van uranium en in het bloed naar de bacterie Mycoplasma fermentans en het aminozuur carnitine. Vanuit wetenschappelijk oogpunt waren deze bepalingen niet nodig; ze werden dan ook om een andere reden uitgevoerd. Bij betrokkenen en in de media bleek namelijk dat er veel vragen leefden over de door sommigen veronderstelde aanwezigheid van grote hoeveelheden verarmd uranium tussen de wrakstukken van het vliegtuig. En er werd naar Mycoplasma fermentans gezocht omdat er in de media werd gespeculeerd dat deze bacterie een rol speelde bij mogelijke klachten.

 

Aan het epidemiologisch onderzoek namen drie groepen deel: 528 brandweermedewerkers van het professionele brandweerkorps van Amsterdam, 1468 politiemedewerkers van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland en 503 hangar-medewerkers van KLM.

 

Van deze 2499 mensen was iets meer dan de helft betrokken bij de ramp. De overige deelnemers, de referentiegroep, waren ten tijde van de ramp in dienst van dezelfde werkgevers, maar niet ingezet bij de ramp. Alleen bij de brandweer was een deel van de referentiegroep later in dienst getreden. Bijna alle deelnemers kwamen voor het onderzoek naar de locatie Prinsengracht van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Daar vulden ze vragenlijsten in en gaven ze bloed-, urine- en speekselmonsters.

 

KADER 1. VRAGENLIJSTEN; HOOFDGROEPEN ONDERZOCHTE KLACHTEN

 

– Algemene gezondheid

 

– Spijsverteringsorganen

 

– Ogen

 

– Cardiovasculair systeem

 

– Bewegingsapparaat

 

– Zenuwstelsel

 

– Luchtwegen

 

– Huid

 

– Stofwisseling

 

– Urinewegen

 

– Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven

 

– Vermoeidheid

 

– Mogelijk psychische problemen

 

– Psychotrauma-gerelateerde problemen

 

 

In statistische analyses corrigeerden de onderzoekers steeds voor mogelijk verstorende invloeden van bijvoorbeeld leeftijds- en geslachtsverschillen tussen de groepen. Dat leverde uiteindelijk de volgende onderzoeksresultaten op.

 

Gemiddeld gesproken meldden de bij de ramp betrokken deelnemers twee keer zoveel lichamelijke klachten als hun niet-betrokken collega’s. Dit geldt zowel voor politie-, als voor brandweer- en hangarmedewerkers. Voor de psychische klachten was het verschil minder uitgesproken. Zo noemden bijvoorbeeld betrokken politiemedewerkers ruim anderhalf keer zoveel klachten als de niet-betrokkenen (zie ook figuur 1).

 

Hulpverleners en hangar-medewerkers die betrokken waren bij de vliegramp, zeiden dus vaker met gezondheidsklachten te kampen dan niet-betrokkenen. Hoewel de meerderheid van de deelnemers aan het onderzoek een gunstige lichamelijke gezondheid rapporteerde, noemden betrokkenen wel vaker een minder gunstige gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven en relatief vaker bepaalde klachten dan de niet-betrokkenen. Betrokkenen meldden algemene klachten, rugklachten en een aantal luchtwegklachten, huidklachten, gewrichtsklachten en vermoeidheidsklachten vaker dan nietbetrokkenen (zie ook figuur 2).

 

Betrokkenheid bij de Vliegramp Bijlmermeer lijkt verder samen te hangen met een in sommige opzichten slechter gewaardeerde psychische gezondheid. Posttraumatische stressklachten kwamen weinig voor, maar werden wel vaker gerapporteerd door betrokken dan door niet-betrokken politiemedewerkers. Andere uiteenlopende psychische klachten, zoals angst, depressie, wantrouwen, hostiliteit, concentratie- en slaapproblemen, werden vooral door de betrokken politiemedewerkers vaker gerapporteerd dan door niet-betrokkenen. De betrokken brandweermedewerkers rapporteerden overigens niet vaker psychische klachten dan de niet-betrokkenen.

 

In vrijwel alle gevallen vonden de onderzoekers geen verschil in laboratoriumuitslagen tussen betrokkenen en niet-betrokkenen. Aan de enkele verschillen die zij wel constateerden, kon geen klinische betekenis worden toegekend. Ook de onderzoeken naar uranium in de urine en carnitine in het bloedplasma leverden geen verschillen op tussen betrokken en niet-betrokken deelnemers.

 

Bij geen enkele deelnemer werd de Mycoplasma fermentans bacterie aangetoond (zie ook kader).

 

FIGUUR 1. LICHAMELIJKE KLACHTEN BIJ BETROKKENEN EN NIET-BETROKKENEN

 

 

FIGUUR 2. AARD VAN KLACHTEN BIJ BETROKKENEN EN NIET-BETROKKENEN

 

 

Met een veelheid van statistische technieken hebben de onderzoekers gekeken of patronen van onderlinge samenhang tussen klachten verschilden tussen betrokkenen en niet-betrokkenen. Hoewel de eerste groep, zoals hiervoor beschreven, meer klachten rapporteert dan de tweede, blijkt de onderlinge samenhang van klachten voor beide groepen in grote lijnen dezelfde. Een specifiek aan de Bijlmerramp toe te schrijven klachtenpatroon is dus niet vastgesteld.

 

Voor de klachten die de betrokkenen vaker meldden, bepaalden de onderzoekers of er een verschil was tussen mensen die intensief waren betrokken bij de ramp en zij die er veel minder bij betrokken waren. Deze mate van betrokkenheid vertaalden zij in het aantal uren dat men op de rampplek werkzaam was, het aantal en soort taken dat men daar verrichtte en het aantal en soort zeer ingrijpende gebeurtenissen die daar werden meegemaakt. Al deze maten voor betrokkenheid bleken opvallend genoeg niet of nauwelijks samen te hangen met de klachten. Dit betekent dat betrokkenheid bij de ramp en de nasleep als zodanig de belangrijkste aanleiding vormen voor de klachten, en niet zozeer de mate waarin men erbij was betrokken.

 

De onderzoekers vroegen deelnemers of zij een verband zagen tussen eventuele gezondheidsklachten en de ramp. Voor lichamelijke gezondheidsklachten ziet bijna de helft een verband met de ramp, de

 

meesten trouwens een klein verband. Veel minder betrokkenen, ongeveer een derde, zien een beetje een verband tussen de ramp en psychische klachten. Deze uitkomst is opvallend, omdat doorgaans de indruk bestaat dat de gevolgen van een dergelijke ramp vooral van psychische aard zijn. Slechts een klein percentage van de deelnemers ziet een zeer sterk verband tussen klachten en de ramp. Zie ook tabel 1.

 

TABEL 1. PERCENTAGE MEDEWERKERS MET KLACHTEN DAT EEN BEETJE OF STERKER VERBAND ZIET, RESPECTIEVELIJK ZEER VEEL VERBAND ZIET TUSSEN KLACHTEN EN DE VLIEGRAMP

 

Brandweer

 

Politie

 

Hangar-

 

medewerkers

 

Lichamelijke klachten

 

Een beetje of veel verband

 

46%

 

43%

 

49%

 

Waarvan zeer veel verband

 

1%

 

2%

 

2%

 

Psychische klachten

 

Een beetje of veel verband

 

32%

 

31%

 

36%

 

Waarvan zeer veel verband

 

2%

 

2%

 

0%

 

 

In het onderzoek zijn volstrekt geen aanwijzingen gevonden dat de klachten veroorzaakt worden door blootstelling aan uranium, mycoplasma, carnitine of welke andere chemische of biologische invloed dan ook. Toch is dit geen reden om de klachten niet serieus te nemen. Het totaalbeeld van duidelijk meer voorkomende lichamelijke en psychische klachten – zonder aanwijzingen voor ziekteprocessen bij laboratoriumonderzoek en zonder specifieke onderlinge samenhang – komt overeen met wat in onderzoek na andere rampen werd gevonden. Er lijkt dus sprake te zijn van een normale reactie op een buitengewoon abnormale situatie. Uniek in dit onderzoek is wel dat de vliegramp in de Bijlmermeer vele jaren geleden plaatsvond – meer dan acht jaar terug – en dat professionele hulpverleners veelal vaker met ingrijpende gebeurtenissen worden geconfronteerd.

 

Lichamelijke en psychische klachten zonder aanwijzingen voor ziekteprocessen en zonder specifieke samenhang worden in de medische literatuur vaak lichamelijk onverklaarde klachten (LOK) genoemd. Niet alleen na rampen, maar ook na andere ingrijpende gebeurtenissen worden ze gevonden. Zo blijken oorlogsveteranen regelmatig te maken te hebben met dergelijke problemen. Kenmerkend voor het verschijnsel van lichamelijk onverklaarde klachten is doorgaans ook dat veel ‘slachtoffers’ zelf het idee hebben dat hun klachten zijn veroorzaakt door de ramp. Deze zogenoemde attributies aan veronderstelde oorzaken worden door de betrokkenen en met de massamedia intensief gedeeld. Het intikken van gulf war syndrome, een verschijnsel van soortgelijke klachten bij veteranen uit de eerste Golfoorlog, bij zoekmachine google op internet levert bijna een kwart miljoen hits op.

 

In dit onderzoek bleek ook dat bijna de helft van de betrokken mensen een beetje een verband zag met de ramp. Het percentage mensen dat een duidelijk verband met de ramp zag, was echter zeer beperkt. Zeker in de periode waarin dit onderzoek werd opgestart, was er onder betrokkenen en in de media voortdurend aandacht voor gezondheidseffecten van de vliegramp, veelal in een context van onzekerheid en veronderstelde geheimzinnigheid. Sommige deskundigen menen dat deze cocktail van speculaties, veronderstelde miskenning, geheimzinnigheid en vooral ook media-aandacht meer van invloed is op de lichamelijk onverklaarde gezondheidsklachten dan de gebeurtenissen zelf. De uitkomsten van dit onderzoek lijken deze hypothese enige steun te geven. Er was immers een duidelijk verschil tussen wel- en niet-betrokkenen, maar de intensiteit van de betrokkenheid hing niet of nauwelijks samen met de hoeveelheid klachten. Misschien dat andere invloeden – zoals bijvoorbeeld de nasleep – meer effect hebben op de hoeveelheid klachten, terwijl de betrokkenheid als zodanig slechts een voorwaarde is voor het optreden van klachten. Er zal nog wel enige tijd voorbijgaan voordat er volledige duidelijkheid is over aard en ontstaansmechanisme van gezondheidsklachten na rampen. Inmiddels is wel duidelijk dat die klachten kunnen optreden, dat ze hardnekkig zijn en dat ze serieus moeten worden genomen.

 

VERANTWOORDING EN MEER INFO

 

Dit onderzoek werd uitgevoerd bij het EMGO Instituut van het VU MC in Amsterdam door Anja Huizink, Nynke Smidt, Pauline Slottje, Anke Witteveen, Jos Twisk, Joost Bijlsma, Inge Bramsen, Lex Bouter, Henk van der Ploeg, Willem van Mechelen en Tjabe Smid.

 

Het volledige onderzoeksverslag en meer informatie zijn te vinden op WWW.MOVB.NL. Correspondentieadres : tsmid.arbo@klm.com.

 

 

Reageer op dit artikel