artikel

Bezoekers snel in veiligheid brengen

Geen categorie

Organisaties moeten op een ramp of noodsituatie zijn voorbereid. Maar voor openbare gebouwen, zoals winkels, scholen en theaters, is dat geen gemakkelijke opgave.

Veel (groot)winkelbedrijven en andere open bare gebouwen hebben gedurende hun openingstijden grote hoeveelheden mensen binnen hun muren. Denk aan winkelend publiek, burgers die bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente moeten zijn, of bezoekers van toneelvoorstellingen of festivals.

Meer bezoekers in huis dan personeel

De gemeenschappelijke factor is dat ze (veel) meer bezoekers in huis hebben dan personeel. Nu de bepalingen over BHV tot het absolute minimum beperkt zijn, zou je kunnen denken dat je niet zo heel veel hoeft te doen. Dat is niet het geval, in ieder geval niet op grond van de wet. Daarnaast hebben we te maken met de maatschappelijke opvattingen over veiligheid en hulpverlening. Het is onaanvaardbaar als bezoekers en winkelend publiek het risico lopen dat ze bij een calamiteit niet snel genoeg in veiligheid gebracht worden. En ten slotte geldt ook nog de aansprakelijkheid. Iemand die zich op jouw terrein bevindt, mag ervan uitgaan dat hij daar veilig kan verblijven, tenzij hij een andere boodschap krijgt, bijvoorbeeld door veiligheidssignalering, toegangsmaatregelen of begeleiding.

Winkelbedrijven

Laten we allereerst eens naar winkelbedrijven kijken. Een gemiddelde buurtsuper heeft een personeelsbestand van rond de honderd mensen. Dat zijn hoofdzakelijk parttimers, die op basis van roosters verdeeld over de week in het bedrijf werkzaam zijn. Het aantal klanten kan over de dag behoorlijk verschillen, van enkelen tot mogelijk tientallen in ‘de spits: Dat geldt ook voor het aantal personeelsleden. Overdag zullen er wisselende aantallen kassa- en afdelingsmedewerkers zijn, en naarmate het later op de dag wordt neemt het aantal vakkenvullers toe. Er zijn tal van momenten waarop het aantal klanten het aantal medewerkers ruim overtreft.

Scholen

Hetzelfde geldt voor scholen. De verhouding tussen personeel en leerlingen/studenten is in het middelbaar en beroepsonderwijs ongeveer op 1 op 8. Op basisscholen ligt die in de orde van 1 medewerker op 25 a 30 leerlingen. In theaters is de verhouding nog schever: ongeveer 1 medewerker op 70 tot 100 bezoekers. Eigenlijk is het publiek dus altijd ‘in de overmacht’. En wat het nog gecompliceerder maakt is dat het publiek op bezoek is, en dus in een omgeving verkeert waar het niet iedere dag komt, en dus ook minder op de hoogte is en kan zijn over de te volgen procedures als het een keer ernstig misgaat. Daarmee is wel duidelijk dat deze organisaties dus bijzondere verantwoordelijkheden hebben als het gaat om het treffen van voorbereidingen voor noodsituaties.

Het hele personeelsbestand trainen op noodsituaties

Het eerste gebod is dat de organisatie toegerust moet zijn op het optreden in een noodsituatie. ‘Normale’ BHV is dan op zich een goede zaak. Maar ook het hele personeelsbestand moet op de hoogte en getraind zijn om gecoördineerd en gecontroleerd aan noodsituaties het hoofd te bieden. Het is tenslotte geen kleinigheid om honderden bezoekers zo snel mogelijk een gebouw uit te brengen, zonder dat er paniek uitbreekt en er daardoor problemen ontstaan.

In de praktijk schieten risicoanalyses vaak tekort

De praktijk leert dat openbare gebouwen een uitgebreide analyse moeten maken van niet alleen arborisico’s, maar ook van de risico’s die bij een calamiteit kunnen optreden en waarbij het publiek betrokken is. De ervaring leert dat dergelijke risicoanalyses vaak tekortschieten. Zo wordt vergeten om goed te kijken naar ‘verkeersruimtes; zoals trappen, gangpaden en toegangen. Bij deuren van veel winkels staan bijvoorbeeld grijpbakken om de impulsaankopen te stimuleren. Maar die kunnen in een noodsituatie, als er gedrang bij de deur ontstaat, voor ernstige problemen zorgen. De begeleiding van een ontruiming vraagt zeker rond uitgangen om personeel dat in staat is grote groepen mensen kalm te houden en naar buiten te loodsen. En buiten moeten deze medewerkers ervoor zorgen dat de mensen op een veilige afstand komen en dat de toegang voor de professionele hulpverleners gewaarborgd is.

In tegenstelling tot ‘gewone’ bedrijven kan het personeel dat bij een noodorganisatie is ingedeeld, bij een calamiteit niet even naar een verzamelpunt gaan om vervolgens in goed, maar snel overleg te bepalen hoe het de noodsituatie te lijf zal gaan. De situatie is er, het publiek is er, en dus moet het personeel direct gecoördineerd optreden.

Mensen moeten zo snel mogelijk het pand uit

In de regel worden gebouwen van boven naar beneden ontruimd. In een gebouw met een publieksfunctie zal dat minder goed gaan vanwege het ontstaan van een grote menigte op ‘straatniveau’. Het is dus zaak die mensen zo snel mogelijk het pand te laten verlaten en te streven naar een ordelijke, maar wel gestage stroom van mensen het gebouw uit.

Vaak loopt men juist daar vast op het gebrek aan medewerkers. Het lukt dikwijls niet om op alle verdiepingen en in alle afdelingen voldoende medewerkers te stationeren. En politie en brandweer zullen toch minstens tien minuten nodig hebben om ter plaatse te zijn, en dan nog met te weinig mensen alvorens versterkingen arriveren. Die periode zal dus overbrugd moeten worden.

De capaciteit kan enigszins vergroot worden door het kantoor- en magazijnpersoneel in te zetten en daar ook specifiek voor te trainen. Die inzet kan ervoor zorgen dat het winkelpersoneel zijn handen sneller vrij heeft voor specifieke taken. Een andere oplossing is om samenwerking met ‘de buren’ te zoeken. Misschien kunnen er met de omliggende bedrijven afspraken worden gemaakt over wederzijdse steun wanneer er zich een noodsituatie voordoet.

In gebouwen met publieksfunctie volstaan rechttoe-rechtaan plannen niet

In gebouwen met een publieksfunctie of waar het aantal ‘bezoekers’ veel groter is dan het aantal aanwezige medewerkers, kan men nooit volstaan met eenvoudige rechttoe-rechtaan plannen voor calamiteiten. De druk op de aanwezige medewerkers is bij een calamiteit formidabel, en het omgaan met die druk eist zorgvuldige en vaak ook veelvuldige en intensieve training. Men moet immers automatisch de taken kunnen uitvoeren.

Een risicoanalyse moet ook aangeven hoe dat gecombineerd kan, bijvoorbeeld brandbestrijding en ontruimen in dezelfde ruimte en tegelijkertijd. Trainingen dienen gericht te zijn op situaties waarin bijvoorbeeld met veel aanwezig publiek gewonden verplaatst of afgevoerd worden. Bij de planning en training van deeltaken als ontruiming, brandbestrijding en gewondenafvoer, moet dus ook rekening worden gehouden met een gelijktijdige uitvoering van deze taken.

Trainingen moeten de realiteit zo goed mogelijk benaderen

Uit het militaire bedrijf kennen we inmiddels het principe ‘train as you fight’. De achterliggende gedachte is dat je bij trainingen de realiteit zo goed mogelijk moet benaderen. Maar hoe moet dat in situaties met veel publiek? Een lokale HEMA zal niet snel in het kader van een oefening op zaterdag ontruimd worden. Het onvermijdelijke gevolg is dat een dergelijke training op gespecialiseerde locaties moeten plaatsvinden, gecombineerd met deugdelijke oefening op de ‘thuisbasis’ om de specifieke situaties onder de knie te krijgen en te houden.

Mensen die zich bezighouden met calamiteitenbestrijding in gebouwen met een publieksfunctie, staan voor een flinke uitdaging en zullen behoorlijk creatief moeten zijn in het bedenken van goede en effectieve oplossingen. Daar maken grondige risicoanalyses en realistische oefeningen een onvermijdelijk onderdeel van uit – zonder die voorzieningen zij n de risico’s n iet te beheersen en de gevolgen van het ‘echie’ niet te voorzien.

Daan Speetjens | senior consultant 1.C.lmprovement Den Bosch

Reageer op dit artikel