artikel

BRANDEN BLUSSEN*

Geen categorie

Onder kleine blusmiddelen vallen draagbare blustoestellen, kleine mobiele blustoestellen, slanghaspels en blusdekens. Deze blusmiddelen worden in meer dan 85 procent van de gevallen gebruikt voor het blussen van een begin brand. Het succes van het gebruik staat in directe relatie tot de opleiding van gebruikers (bhv-cursussen) en goed onderhoud.

 

Kleine blusmiddelen zijn draagbare of mobiele eenheden die bestemd zijn om een beginnende brand te blussen of onder controle te houden totdat de brandweer aanwezig is, waarbij het gebruik bestemd is voor zowel de geoefende als niet-geoefende brandbestrijder.

 

Voor de constructie en beproeving van draagbare en kleine mobiele blustoestellen bestaan een aantal normen.

 

Het aantal en de soort blustoestellen zijn niet bij wet geregeld. Het Bouwbesluit, met name het’Werkboek Brandveilig Gebouw Installeren’, geeft wel aan dat er slanghaspels geplaatst moeten worden, maar zegt niets over draagbare blustoestellen. Het Bouwbesluit kent alleen voorzieningen die nagelvast met een bouwwerk zijn verbonden. Toch zullen een afdeling Preventie van de brandweer en de assuradeur in de regel blustoestellen geplaatst willen zien.

 

Een brand kan worden geblust door:

 

– wegnemen van de brandstof;

 

– verdringen van de lucht;

 

– afkoelen tot onder de ontstekingstemperatuur;

 

– verstoren van de lucht-brandstofverhouding;

 

– gebruik van een negatieve katalysator.

 

De volgende blusstoffen worden in kleine blusmiddelen gebruikt:

 

– water;

 

– water met ‘natmaker’ of andersoortige toevoeging;

 

– blusschuim;

 

– bluspoeder;

 

– halon 1211 (alleen toegestaan voor essentiele toepassingen met toestemming van VROM);

 

– koolstofdioxide;

 

– chemische blusstoffen zoals CFK’s, PFCs, of jodiumverbindingen.

 

Brandslanghaspels behoren tot de kleine blusmiddelen en worden in vrijwel ieder gebouw voorgeschreven. De plaats, het benodigde aantal en de uitvoering ervan zijn vastgelegd in het Bouwbesluit. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in megawoningen (B.B. art. 18), kantoorgebouwen > 500 m’ (B.B. art. 238) en logiesgebouwen > 500 m’ (B.B. art. 263). Voor de overige gebouwen wordt gebruikgemaakt van het door de NBF (Nederlandse Brandweer Federatie) opgestelde boekwerk fen brandveilig gebouw installeren.

 

Een draagbaar blustoestel bestaat uit een blusstofhouder, deksel (al dan niet met bedieningsarmatuur), stijgbuis, slang met bluspistool of straalpijpje (bij toestellen groter dan 2 kg of 2 liter inhoud) en zo nodig een overdrukbeveiliging.

 

Er zijn twee typen blustoestellen, namelijk toestellen die permanent onder druk staan (bij alle typen mogelijk) en toestellen met een binnen liggende drijfgaspatroon (nat-, schuim- en poederblussers). Toestellen die permanent onder druk staan kunnen een drukindicator hebben, met uitzondering van CO2-blussers.

 

Het keuringsregime van draagbare blustoestellen is vastgelegd in de Europese norm NEN-EN 3. Deze norm stelt eisen op het gebied van veiligheid, grootte, soort en massa/inhoud van de vulling, maximale massa, bluskracht, indeling in brandklasse(n), beoordelingsmethode en certificering (registratie) door een door de overheid aangewezen rechtspersoon, de Notified Body (NoBo). Blusstof en blustoestel vormen een entiteit. Dat wil zeggen dat uitsluitend de blusstof die in de vergunning is vermeld in het desbetreffende blustoestel mag worden gedaan. Een dergelijk certificaat heet het typekeur.

 

In Nederland is het wettelijke kader geregeld in het Besluit draagbare blustoestellen. Voor heel Europa zijn de vormgeving van het bedieningsetiket, de gebruikte pictogrammen en de indeling gelijk, zodat in de EU een eenduidige instructie voor de gebruiker is. alle blusmiddelen moeten rood zijn. Op het etiket staan het registratienummer en de naam van de vergunninghouder duidelijk aangegeven. ln sommige landen hebben de blustoestellen een gekleurde band rond de bovenkant of een gekleurd etiket, bijvoorbeeld zwart voor CO2.

 

Voor het aanschaffen en plaatsen van kleine verrijdbare eenheden bestaan geen regels. De bevoegde autoriteit (brandveiligheidinspecteur of adviseur van een assuradeur) kan zo’n bluseenheid eisen. Ook de eigen brandveiligheidkundige kan overgaan tot aanschaf van deze eenheden. De grootte van deze blustoestellen is vastgelegd in NEN-EN 1866:1998, die aangepast wordt in verband met de PED.

 

Een blusdeken wordt gebruikt om snel een kleine brandende massa af te dekken en de brand te verstikken. Voor blusdekens bestaat de Europese norm NEN-EN 1869. Deze norm stelt eisen aan het weefsel, de afmetingen en testmethode.

 

Met een blusdeken, opgehangen in een keuken, kan geen brand van een commerciele friteuse worden geblust, in regel meer dan 2 liter / kg olie of vet. Dit is gebleken uit een onderzoek uit 2001, gedaan door de Duitse Horecabond na ongelukken, falende blussingen, waarbij gebruikers ernstige brandwonden opliepen. De Europese Normcommissie CEN TClO heeft de opdracht gekregen de norm bij te stellen, en de landen het advies gegeven aandacht te besteden aan deze toepassing. Tot op heden (juli 2006) is er nog geen relevante wijziging doorgevoerd.

 

Grotere dekens zijn geschikt om personen te blussen, waarvan de kleding in de brand staat. Dit uiteraard alleen als er geen water bij de hand is. Blusdekens worden ook gebruikt bij las- en snijwerkzaamheden om vonken op te vangen.

 

* Dit artikel is gebaseerd op de Gids Bedrijfshulpverlening 2007, onder redactie van Mr. S.M. van der Minne, A. van Soest, drs. A. Zanders.

 

Reageer op dit artikel