artikel

BURN-OUT DOOR PERSOONLIJKHEIDSKENMERKEN

Geen categorie

Jansen, geboren in 1951, werkt sinds maart 1987 bij constructiebedrijf Bus. Eerst als constructeur plaatwerk, maar sinds 1995 als hoofdconstructeur. In het bedrijf wordt er in teams aan een project gewerkt. De hoofdconstructeur stuurt twee tot vijf constructeurs aan, afhankelijk van de omvang van een project. Vanaf april 1997 tot aan het eind van zijn dienstverband in 2005 is Jansen regelmatig arbeidsongeschikt wegens spanningsklachten. Hij wil schadevergoeding en wijt de klachten aan het werk. De kantonrechter wijst de vordering af en de werknemer gaat in beroep.

 

Het beroep van werkgever Bus op verjaring wordt verworpen: de vordering is ingesteld toen duidelijk was dat terugkeer naar het werk er niet meer in zat. Pas toen was ook helder dat er inkomensschade was te verwachten. Werknemer Jansen vindt dat werkgever Bus zijn zorgplicht op grond van art. 7:658 Burgerlijk Wetboek onvoldoende is nagekomen. Volgens dit artikel heeft de werkgever de verplichting om voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

 

Jansen vindt dat er dat er sprake was van een grote en abnormaal hoge werkdruk en dat hij in vergelijking met zijn collega’s onredelijk zwaar belast werd. Hij verwijst daarbij naar de RI&E uit 1994 en uit 1999 en de PAGO uit datzelfde jaar.

 

Het hof vindt echter dat deze rapporten onvoldoende aantonen dat de werkdruk inderdaad excessief was. Er stond wel in vermeld dat de werkdruk hoog was, maar ook dat dit bij de cultuur van het bedrijf hoorde. In de PAGO van 2001 stond dat op de afdeling R&D een hogere werkdruk werd ervaren (werken onder tijdsdruk, snel werken, te veel werk), maar ook dat men daar doorgaans geen problemen mee had. Ook de beweerde uitval van 15 personen als gevolg van de hoge werkdruk, heeft Jansen niet concreet onderbouwd.

 

Het arbeidsomstandighedenbeleid van Bus had wellicht beter gekund. Echter in het kader van de vordering is het niet maatgevend of het beleid optimaal was, maar of Bus bij het voeren van dit beleid zijn zorgverplichting niet heeft geschonden. Bij het invullen van die zorgplicht moet de werkgever ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van een werknemer, voorzover dat nodig is om te voorkomen dat deze door zijn werk schade lijdt. Maar het treffen van maatregelen is pas dan mogelijk, als wordt onderkend dat er een reeel risico is op overbelasting of burn-out.

 

De pschiater heeft in februari 1999 vastgesteld dat er sprake was van burn-out bij Jansen. De werkgever heeft naar het oordeel van het hof echter in voldoende mate aangetoond dat hij voor die datum aan zijn zorgplicht had voldaan. Tot dat tijdstip hoefde hij er geen rekening mee te houden dat de persoonlijkheidskenmerken van Jansen een bijzonder risico voor burn-out met zich meebrachten. Ook is gebleken dat de werkdruk wel degelijk bespreekbaar was en er is in diverse overlegvergaderingen ook aandacht aan besteed. Het hoger beroep wordt verworpen.

 

De werknemer die een beroepsziekte oploopt door zijn werk, kan de schade vorderen van zijn werkgever. Maar dat de werkomstandigheden de oorzaak van de ziekte zijn, zal de werknemer op z’n minst aannemelijk moeten maken. Als hij daar onvoldoende in slaagt, kan de vordering worden afgewezen.

 

Gerechtshof ‘s Hertogenbosch, 25 januari 2008, LJN BC2747

 

Reageer op dit artikel