artikel

De arboverpleegkundige in de frontlinie

Geen categorie

De werkzaamheden van Smakman passen redelijk binnen het door de beroepsvereniging omschreven profiel. De Beroepsorganisatie Arboverpleegkunde (BAV) noemt de arboverpleegkundige de ‘frontliner’ van de arboprofessionals:

 

een professional die zowel preventief, curatief als op het gebied van de reintegratie zijn beroep uitoefent. En daarbij te maken heeft met individuele werknemers, groepen en de onderneming als klant van de arbodienst. De arboverpleegkundige is een verpleegkundig specialist die breed inzetbaar is in de geintegreerde arbozorg.

 

Ook is hij een generalist die de klant kan ondersteunen bij het herkennen, opsporen, analyseren en diagnosticeren van bedreigingen voor de gezondheid van werknemers. Daarnaast kan de arboverpleegkundige de klant helpen bij het beinvloeden van de organisatie en de mensen daarbinnen, zodat hun capaciteiten optimaal worden benut. Volgens de BAV heeft de arboverpleegkundige deze generalistische deskundigheid op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn al in het verleden ontwikkeld en kan hij zich profileren als de eerstelijnsarbodeskundige bij uitstek.

 

De BAV heeft momenteel 439 leden: daarmee is 60 tot 70 procent van alle arboverpleegkundigen aangesloten. In 2000 deed Peter van Waveren (Market Performance Marktonderzoek en Advies B.V.) onderzoek onder de BAV-leden om zicht te krijgen op de beroepsontwikkeling.

 

Het merendeel van de respondenten bleek behoorlijk wat praktijkervaring te hebben en was werkzaam als arboverpleegkundige of arboadviseur, voornamelijk bij arbodiensten.

 

Ze vervulden gemiddeld 6,5 verschillende taken en zijn zodoende het best te typeren als generalist. De top drie van taken bestond uit werkplekonderzoek (90 procent) RI&E (86 procent) en gezondheidsvoorlichting & onderwijs (75 procent). Van Waveren constateerde onder BAV-leden een grote betrokkenheid bij het vak en behoefte aan een duidelijker profilering en meer opleidingsmogelijkheden.

 

Erkenning van de arboverpleegkundige als kerndiscipline in de wet heeft voor de leden een hoge prioriteit.

 

RELATIEBEHEER Anjo Veldkamp en Coen Jansonius werken bij ArboUnie als arboverpleegkundige of, zoals het daar heet, arboadviseur. Veldkamp: ‘Dat geeft al aan dat we ons vooral bezig houden met arbeidsomstandigheden in bedrijven.

 

Taken rond verzuim en reintegratie worden grotendeels door anderen uitgevoerd.’ Jansonius houdt zich vooral bezig met de RI&E, werkplekonderzoek, inclusief het uitvoeren van orienterende metingen, en deelname aan arbocommissies.

 

Hij doet dat vooral bij scholen, bouwbedrijven en zo’n vijftien andere, zeer diverse bedrijven. ‘De invulling van arboverpleegkundige taken verschilt sterk per arbodienst. Dat was voor mij de reden om voor deze dienst te kiezen, want hier kan ik vooral preventief werken.

 

Dat vind ik interessanter.’

 

Veldkamp en Jansonius zijn ook relatiebeheerder bij een aantal bedrijven. Veldkamp: ‘Sinds enige tijd proberen we bij onze klanten de zelfwerkzaamheid op het gebied van arbozorg te vergroten.

 

Dat betekent meer praten en begeleiden dan zelf uitvoeren.

 

Voordeel is dat de uitkomsten meer dan vroeger ‘eigen’ oplossingen zijn van het bedrijf.’ Die benadering slaat echter niet bij alle bedrijven aan; sommige dragen bepaalde taken liever helemaal over aan de arbodienst.

 

In de betrokken bedrijven bemerkt ze overigens nauwelijks of geen aversie tegen de nieuwe rol van de arboadviseur. Veldkamp vindt de verpleegkundige achtergrond met name van belang voor de communicatie en sociale vaardigheden. ‘De manier waarop je adviseert is net zo belangrijk als de inhoud van je advies.’ Jansonius: ‘Bovendien kunnen bedrijven hun voordeel doen met een breed opgeleide en inzetbare arboverpleegkundige omdat die veel zelf kan afhandelen en niet steeds anderen hoeft in te schakelen.’ Net als Smakman heeft Jansonius ervaren dat je als arboverpleegkundige de meeste dingen in de praktijk en van collega’s leert. ‘Maar de HBO-V is een aardige basis. Je leert hoe mensen lichamelijk en psychisch in elkaar steken en met welke klachten en aandoeningen je zoal te maken kunt hebben. Dat is handig nu ik met klanten ook over verzuim praat.’ Jansonius is overigens niet zo ingenomen met de naam arboverpleegkundige en noemt zich liever arboadviseur.

 

‘Dat is meer in overeenstemming met mijn taken.

 

En bedrijven benaderen mij ook meer als adviseur dan als verpleegkundige.’

 

GESCHIEDENIS VAN HET VAK

 

Al voor de Tweede Wereldoorlog waren in Nederland verpleegkundigen werkzaam in bedrijven. In 1946 verenigden zij zich in de Nederlandse Vereniging van Verbandmeester(e)s(sen), die enkele jaren later werd omgedoopt tot NVVB: Nederlandse Vereniging van Verpleegkundigen in Bedrijven. De leden heetten al snel bedrijfsverpleegkundigen en hielden zich vooral bezig met de zorg voor de gezondheid van medewerkers in bedrijven en met acute hulp bij ongevallen. Vanaf 1970 kwam er meer aandacht voor preventieve gezondheidszorg en werd de bedrijfsverpleegkundige ingeschakeld bij het inventariseren van en geven van voorlichting over risico’s bij de arbeid en het verrichten van werkplekonderzoek. In 1990 kwam er een eerste beroepsprofiel, opgesteld door het Directoraat Generaal van de Arbeid van het ministerie van SZW. Met de invoering van de Wet Beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en door de veranderingen binnen arbodiensten ontstond al snel de behoefte aan actualisering van het profiel. In 1997 kwam de Commissie Taken en Deskundigheid van de Beroepsorganisatie Arboverpleegkunde (BAV) met een nieuw beroepsprofiel onder de titel ‘Profiel ’97: Arboverpleegkundige, een verpleegkundig specialist breed inzetbaar in de Arbozorg’. Mei 2000 werd dit profiel herzien, waarbij de professionele onafhankelijkheid werd benadrukt. September 2001 verscheen het ‘Professioneel Statuut Arboverpleegkundige’. Momenteel wordt in het kader van de Wet BIG een beroepsdeelprofiel Arboverpleegkundige geschreven.

 

 

Het bestuur van de BAV ziet bij monde van voorzitter Rob Emond, penningmeester Martijn den Heijer en secretaris Marja Bakker een aantal belangrijke ontwikkelingen in het vak van de arboverpleegkundige. In de eerste plaats is er de demedicalisering van arbodienstverlening die de arboverpleegkundige in de frontlinie van de arbozorg plaatst, net zoals in andere Europese landen. Die ontwikkeling maakt het noodzakelijk om de opleiding voor en beroepseisen gesteld aan arboverpleegkundigen binnen Europa te harmoniseren en een systeem van certificering van vakbekwaamheid te ontwikkelen conform Europese normen.

 

Daarnaast speelt de verplichte aansluiting van werkgevers bij arbodiensten een rol in combinatie met het ontwikkelen van een beroepsdeelprofiel arboverpleegkundige aan de hand van de Wet BIG (Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). In dit deelprofiel worden drie arboverpleegkundige functies onderscheiden.

 

De eerste twee zijn die van arboverpleegkundige in arbodienstverlening op het gebied van respectievelijk arbeidsongeschiktheid & reintegratie en arbeid & gezondheid.

 

Deze functies worden momenteel al erkend. De derde functie is nog in ontwikkeling en omvat de arboverpleegkundig specialist in arbodienstverlening op het gebied van arbeid & gezondheid.

 

De huidige ontwikkelingen stemmen het BAV-bestuur zowel positief als negatief. Zo stellen de bestuursleden dat ‘de huidige grote aandacht voor arbeidsongeschiktheid en reintegratie functiedifferentiatie voor arboverpleegkundigen mogelijk maakt, maar ook het gevaar van een smallere taakinhoud inhoudt’.

 

En dat ‘de RI&E en het adviseren over arbeid & gezondheid in de praktijk steeds meer door de kerndeskundigen blijkt te worden uitgevoerd’.

 

Bij de opleiding tot arboverpleegkundige aan de Haagse Hogeschool merkt men de effecten hiervan. Sommige arbodiensten hebben niet zoveel op met de brede opleiding, weet Huub Sibbing, opleidingsmanager MGZ (Maatschappelijke Gezondheidszorg).

 

‘De meeste studenten die we opleiden werken al bij een arbodienst, maar de breed opererende arboverpleegkundige staat binnen een aantal arbodiensten wel onder druk. Een aantal grote landelijke diensten kiest duidelijk voor functiedifferentiatie:

 

arboverpleegkundigen voor verzuimtaken, arboverpleegkundigen voor reintegratietaken en arboverpleegkundigen als arboconsulent’, aldus Sibbing. ‘Er hebben zich zelfs al arbodiensten gemeld die hun medewerkers alleen bepaalde modules van de opleiding wilden laten volgen. Tot nu toe hebben we dat geweigerd en gekozen voor een brede opleiding voor geintegreerd werkende arboverpleegkundigen zoals beschreven in het beroepsprofiel.

 

Die vind je overigens wel bij de grote concerngebonden arbodiensten.’

 

Er zijn overigens twee manieren om tot arboverpleegkundige te worden opgeleid: de driejarige MGZ-opleiding met de uitstroomrichting Arbo of een jaar specialisatie na de opleiding HBO-V.

 

In dat jaar gaat het vooral om het leren toepassen van verpleegkundige en communicatieve vaardigheden in de arbodienstverlening, onderzoek van arbeidsomstandigheden, adviesvaardigheid en effectief opereren binnen bedrijven en organisaties. Inmiddels zijn er ook plannen voor een Europees diploma. ‘Dat lijkt te gaan in de richting van een breed opgeleide en inzetbare ‘occupational health nurse’. Er wordt zelfs meer nadruk gelegd op het zelfstandig uitvoeren van onderzoek op een wetenschappelijker niveau’, weet Sibbing.

 

‘Zo zou er bijvoorbeeld een masteropleiding moeten komen, die boven op de bachelor opleiding opleidt tot ‘advanced nurse practioner’.’

 

De Nederlandse beroepsvereniging BAV is aangesloten bij de FOHNEU: Federation Of Occupational Health Nurses in European Union. Van daaruit is het ‘Core Curriculum Occupational Health Nurse’ ontwikkeld. Op basis daarvan wordt gewerkt aan een Europese opleiding, waarvoor in Engeland een eerste pilot zal worden gehouden. Volgens de BAV zouden Nederlandse arboverpleegkundigen, om aan te sluiten bij het EU Core Curriculum, zich meer bezig moeten houden met onderzoek en publicatie.

 

Maar tot op heden komen arboverpleegkundigen maar moeizaam aan de slag op dit terrein.

 

Al met al lijkt het er sterk op dat in Nederland de huidige praktijk van demedicalisering, functiedifferentiatie, nadruk op verzuim en arbeidsongeschiktheid eerder leidt tot een smaller takenpakket voor arboverpleegkundigen dan waar internationaal op wordt ingezet. Ondanks alle inspanningen van de beroepsvereniging staat de ‘frontliner’ van de geintegreerde arbozorg onder druk.

 

Want er zijn ook al arbodiensten die helemaal geen arboverpleegkundigen aanstellen, getuige de opmerkingen van Ria Kerpel, hoofd van een interne arbodienst.

 

‘Binnen onze arbodienst werkten en werken uberhaupt geen arboverpleegkundigen.

 

RI&E en ergonomische adviezen worden gedaan door MVK-ers. En voor de verzuimbegeleiding zijn intern mensen opgeleid die geen medische achtergrond hebben, maar wel heel goed kunnen communiceren.

 

Dat vinden we namelijk de eerste vereiste voor dat werk.

 

Een medische achtergrond is niet nodig om te beoordelen of inzet van een bedrijfsarts nodig is of niet’, aldus Kerpel. ‘Bovendien proberen we werknemers waar mogelijk van de artsen vandaan te houden en onze zorg te demedicaliseren.’

 

Reageer op dit artikel