artikel

‘De wil is er’

Geen categorie

In 2003 verbonden de sociale partners in de sector Koek en Snoep zich aan een arboconvenant. In drie jaar tijd ontwikkelden zij een tiental instrumenten om fysieke belasting, werkdruk en RSI in te perken. De bijbehorende voorlichtingscampagne werd ondersteund door boegbeeld Tilly en de website www.datwerktwelzolekker.nl. Met resultaat: vrijwel alle werkgevers en tweederde van de werknemers kennen het convenant.

 

Bij de start van het convenant had arbo in veel bedrijven nog een negatieve betekenis. ‘Arbo was regeltjes, alles wat geld kost en ellende oplevert’, weet Christ Essens, projectleider van het arboconvenant.

 

Na drie jaar valt de aandacht voor arbeidsomstandigheden bij veel bedrijven beter in de smaak. Tijdens de convenantperiode daalde het ziekteverzuim van 7 procent in 2003 naar 5,8 procent in 2006 (een daling van 17%). Maar de doelstellingen voor vermindering van RSI, werkdruk en fysieke belasting in de sector als geheel werden niet gehaald. De werkdruk nam zelfs toe. In 2003 kende 18,6 procent van de werknemers een te hoge werkdruk. In 2006 was dit 22,8 procent. In de eindevaluatie van het convenant, dat in december 2006 verscheen, wordt de oorzaak hiervan gezocht in de supermarktoorlog.

 

In oktober 2003 verlaagde Albert Heijn de prijzen van duizend producten. De slag om de gunst van de klant was begonnen. Bedrijven in de sector Koek en Snoep werden onder druk gezet om nog sneller, nog goedkoper en nog flexibeler te produceren. ‘Als je kilo’s moet draaien met weinig tot geen marge, dan verdwijnt arbo snel op de achtergrond’, zegt Mariette Patijn, bestuurder bij FNV Bondgenoten. Toch vindt zij dat de sector de supermarktoorlog niet de schuld kan blijven geven van het uitstellen van arbo-investeringen. Juist bij een hoge werkdruk vormt rouleren de simpelste en goedkoopste oplossing om fysieke belasting te voorkomen’.

 

Bij Bolletje heeft de prijzenslag juist een extra impuls gegeven aan een verbetering van de arbeidsomstandigheden. ‘De supermarktoorlog heeft ons gedwongen te automatiseren. We hebben jaarlijks dertig uitzendkrachten werken om pepernoten en taaitaai in te pakken. Dit jaar zijn dat er nog maar tien. De rest van het inpakwerk is geautomatiseerd. Een case -pakker doet zakjes automatisch in doosjes en een palletizer trekt folie om de dozen heen’, zegt Johan Leferink, hoofd opleidingen Arbo en Milieu bij Bolletje BV. De fysieke belasting van de inpakkers is afgenomen; de efficientie van het proces is toegenomen.

 

Tijdens de looptijd van het convenant zijn de doelstellingen voor RSI, werkdruk en fysieke belasting in de sector als geheel niet gehaald. Maar werknemers van bedrijven die gebruikmaakten van instrumenten, zoals de WerkWijzer en de oplossingenboeken fysieke belasting en werkdruk, bleken aanzienlijk minder klachten te vertonen dan werknemers die deze instrumenten naast zich hadden neergelegd. De conclusie in de eindevaluatie is stellig: ‘Het is zeer waarschijnlijk dat de doelstellingen wel gehaald zouden zijn als alle bedrijven de instrumenten ook hadden toegepast’.

 

In april 2006, nog voor de afloop van het convenant in juni 2006, richtte de sector het zogeheten Arbo Adviespunt Koek en Snoep op. Dit instituut zou de kennis over arbo in de sectoren blijvend moeten verzamelen, verbeteren en verspreiden. De helpdesk zou alle vragen die er leefden ook beantwoorden. Maar in de praktijk werden die vragen nauwelijks gesteld. In de eindevaluatie wordt de rol van het adviespunt bekritiseerd.

 

In de eindevaluatie wordt aangeraden om te zoeken naar meer proactieve manieren om de werkvloer te bereiken. Don’t call us, we’ll call you. De sector neemt dit advies ter harte en is een vervolgtraject gestart met de ambitieuze opdracht om de convenantresultaten zo uit te bouwen dat het ook echt leidt tot veranderingen op de werkvloer. ‘De komende jaren gaan we ons vooral richten op communicatie en gedragsverandering’, zegt Patijn. ‘We maken een heel concreet plan voor communicatie. We gaan bijeenkomsten organiseren en zullen naar de bedrijven toe gaan’.

 

Ook het Arbo Adviespunt Koek en Snoep heeft de boodschap begrepen: ‘In april heeft het adviespunt twee bijeenkomsten voor preventiemedewerkers georganiseerd. Dit gaat leiden tot de oprichting van een preventiemedewerkersnetwerk of -platform’, licht Essens toe.

 

Een van de kritiekpunten uit de eindevaluatie luidt dat de ontwikkelde instrumenten te veel voor de werkgevers bedoeld zijn. De sociale partners lieten zich dat geen twee keer zeggen en ontwikkelden een handboek waarin de instrumenten van www.datwerktwelzolekker.nl nog eens speciaal worden toegelicht voor ondernemingsraden en personeelsvertegenwoordigingen. Een soort empowerment voor medezeggenschap waarin je adviezen kunt lezen als: ‘Richt j e niet te veel op kleine praktische zaken. Het stimuleren van een stevig arbobeleid is veel belangrijker’.

 

Volgens Leferink heeft het convenant bij Bolletje tot een cultuuromslag geleid. De organisatie ging dankbaar aan de slag met de digitale branche-RI&E die ontsproot aan het convenant. ‘Vroeger maakte de arbodienst een RIE. Nu hebben we een stagiair per afdeling een toegespitste branche-RIE laten maken’, schetst Leferink. ‘Het voordeel van de nieuwe aanpak is dat de werkvloer zich veel meer betrokken voelt. Ze hebben nu zelf meegeholpen de RIE te maken en voelen zich ook meer aangesproken de problemen op te lossen.’

 

Essens denkt dat je de werkvloer goed kunt bereiken door arbo te verankeren in de opleidingsactiviteiten van de sector. In de scholing met de naam ‘Lekker leren’ ligt de nadruk op dit moment nog op het aanleren van de procesmatige en technische kanten van het bereiden van al het lekkers. ‘Maar wij willen hierop aanhaken met modules die goede arbeidsomstandigheden centraal stellen’, zegt Essens.

 

Leferink weet dat de kleinere bedrijven niet zo open staan voor de instrumenten. ‘Bij bijeenkomsten vanuit het convenant zijn de kleine bedrijven vaak afwezig’, signaleerde Leferink. Hij denkt dat ze het nut van arbo-investeringen nog niet zo zien. Ook bij de werkgroep Scholing Koek en Snoep schitteren de kleintjes vaak door afwezigheid. Toch denkt Leferink dat ze over twee, drie jaar wel moeten. ‘Als je ziet dat we bij Bolletje in een jaar tijd van dertig inpakkers naar tien zijn gegaan, dan moet je of een sociaal plan opstellen of je mensen beter opleiden. Je hebt straks andere mensen nodig.’

 

Patijn voelt er wel wat voor om de coachende vaardigheden van de leidinggevenden in kleine bedrijven te versterken. ‘Niet alleen zeggen: ‘Je moet rouleren en als je het niet doet dan …’, maar leidinggevenden ook leren om de ander aan te spreken op zijn of haar gedrag: ‘Ik zie je nu al twee uur op dezelfde plek staan. Waarom lukt het je niet om een andere plek op te zoeken?’.’

 

Het convenant richtte zich voornamelijk op fysieke belasting, RSI en werkdruk. Toen de Arbeidsinspectie de branche begin 2006 kwam inspecteren, bleek het echter bedroevend gesteld te zijn met de machineveiligheid. Bij 84 procent van de bedrijven constateerden de inspecteurs onregelmatigheden. Machines zonder veiligheidsschakelaars en veiligheidskappen waren geen uitzondering.

 

Dit gegeven leidde tot de ontwikkeling van een Checklist Machineveiligheid. Daar zijn twee versies van. Een uitgebreide voor arboprofessionals en een eenvoudige versie voor werknemers. Maar hoe zorg je ervoor dat zo’n checklist ook gebruikt wordt? ‘We moeten aanhaken bij dingen die toch al gebeuren’, weet Essens. Zo hoorde hij laatst van een preventiemedewerker die de checklist wel wilde meenemen in de kwaliteitsronde waarin de voedselveiligheidseisen onder de loep genomen worden.

 

Op de vraag of het maken van de arbocatalogus dan nog slechts een kwestie is van het in elkaar schuiven van de instrumenten op www.datwerktwelzolekker.nl, antwoordt Patijn ontkennend. ‘Die arbocatalogus laten we nog even zitten’, verwoordt de vakbondsvrouw het standpunt van FNV Bondgenoten. ‘Er zijn een paar voorbeeldbranches waarbij ze hard bezig zijn een arbocatalogus te maken. We gaan als FNV niet in tweehonderd sectoren het wiel uitvinden.’

 

Desondanks staat het punt gewoon op de agenda van het volgende overleg van de sociale partners. Want in de sector valt geregeld de vraag: ‘Waar blijft de arbocatalogus?’

 

Dat er binnen de sector nog geen overeenstemming bestaat over de arbocatalogus, neemt niet weg dat de bouwstenen er al liggen. ‘De oplossingenboeken, de branche-RI&E, de CAO Arbo en Gezondheid’, somt Essens op. Hij heeft ook al een beeld van de ideale arbocatalogus. Die is volgens hem digitaal, met een begin (een gemeenschappelijke opvatting over hoe je met arbo omgaat) en een eind (de Arbo-cao). En ook al weet de sector nog niet hoe de arbocatalogus er precies uit zal komen te zien of hoe deze zal heten, een ding weet Essens zeker: ‘In 2008 is ie er.’ In de tussentijd vindt hij dat de sector best even kan roeien met de riemen die hij heeft. Patijn is het daar roerend mee eens: ‘We hebben al veel instrumenten ontwikkeld. Als je dan al meteen het volgende lanceert voordat j e die hebt gecommuniceerd, dan is dat misschien niet zo zinvol. Eerst maar eens zorgen dat we de resultaten van het convenant kunnen verankeren.’ Want op dit moment is dat tenslotte nog geen gesneden koek.

 

Reageer op dit artikel