artikel

Ernst longaandoening speelt ondergeschikte rol

Geen categorie

In 2001 is voor het onderzoek een aantal groepsinterviews georganiseerd. In groepjes van drie tot vier personen spraken 24 deelnemers onder leiding van een psycholoog over problemen die ze op het werk of thuis tegenkwamen en hoe ze daarmee omgingen.

 

De resultaten hiervan vormden de basis voor een vragenlijst die vervolgens in 2001 en 2002 is samengesteld. De onderwerpen die hierin aan bod kwamen, waren klachten, beperkingen, ziektekenmerken, werkkenmerken en psychosociale variabelen, waaronder de manier waarop mensen met hun ziekte omgingen en het ziekteverzuim in de laatste twaalf maanden.

 

Vervolgens is in 2002 met behulp van longartsen, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, advertenties in huis-aan-huisbladen en posters bij apotheken en huisartsen een groep van tweehonderd werknemers met astma en COPD geformeerd. Deze mensen vulden de vragenlijst in en ondergingen een longfunctieonderzoek om de ernst van de vernauwing van hun luchtwegen vast te stellen.

 

Een jaar later, in 2003, is de gehele groep nogmaals uitgenodigd om een vragenlijst te komen invullen. In deze tweede vragenlijst is wederom gevraagd naar het ziekteverzuim in de afgelopen twaalf maanden.

 

Uit de interviews kwam naar voren dat een aantal mensen prima functioneerde, zowel thuis als op het werk, maar dat er ook mensen waren die nogal wat problemen rapporteerden. Het verschil tussen beide groepen is te beschouwen als een verschil in ‘adaptatie’ aan de ziekte. Adaptatie is hierbij gedefinieerd als ‘het weer in balans brengen van belasting en belastbaarheid door een aanpassing van gedrag, taken of (werk)omgeving’.

 

Aansluitend op de analyse van de eerste resultaten zijn criteria geformuleerd. Daarmee kon een onderscheid worden gemaakt tussen mensen die goed of juist minder goed geadapteerd waren (zie tabel 1). De groep die minder adequaat geadapteerd was, bleek in het afgelopen jaar 2,5 maal meer te hebben verzuimd (4,6 keer) dan de groep die beter geadapteerd was (1,8 keer). Daarnaast bleek dat de ernst van de longaandoening, de mate van vernauwing van de luchtwegen, niet verschilde tussen mensen die goed en minder goed geadapteerd waren. Wel gaven de mensen die niet adequaat geadapteerd waren, vaker aan dat ze behalve benauwd, ook moe waren.

 

TABEL 1. ADAPTATIECRITERIA

 

Aspecten van gebrekkige adaptatie:

 

1.

 

Negeert zijn/haar longaandoeningen en beperkingen (op het werk en/of thuis)

 

2.

 

Collega’s en/of de werkgever weten niet dat betrokkene een longaandoening heeft

 

3.

 

Wil niet opvallen tussen collega’s door minder hard te werken of vaak ziek te zijn

 

4.

 

Neemt stiekem medicijnen in

 

5.

 

Probeert ziek worden uit te stellen tot het weekend of de vakantie

 

6.

 

Ervaart meer klachten tijdens sociale activiteiten

 

7.

 

Heeft geen energie over voor een leven naast het werk

 

8.

 

Vindt het vervelend als mensen opmerkingen maken over (gevolgen van) het ziek zijn

 

 

Hieruit is geconcludeerd dat de ernst van de longaandoening een ondergeschikte rol lijkt te spelen bij ziekteverzuim. Adaptatie aan de ziekte lijkt wel een rol van betekenis te spelen. Vermoeidheid zou kunnen duiden op gebrekkige adaptatie.

 

Maar onderzoek uit 2002 leek deze conclusie te ondergraven. Toen werd nagegaan of de resultaten uit de kleine, kwalitatieve studie ook naar voren kwamen in de grotere studie. Ook hier bleek dat de ernst van de longaandoening geen belangrijke rol speelde. Echter, goede adaptatie aan de ziekte bleek wel samen te hangen met meer verzuim (zie figuur 1), wat tegenovergesteld was aan bevindingen uit de kwalitatieve studie.

 

 

FIGUUR 1. RESULTATEN VAN DWARSDOORSNEDE STUDIE

 

De Odds Ratio is de verhouding tussen de kans op hoog verzuim en de kans op laag verzuim. Het gaat in deze figuren dus niet om de absolute lengte van de balkjes, maar om de verhouding tussen de lichte en donkere balkjes. Mensen die meer last hebben van belastende factoren op de werkplek, hebben 2,5 (1/0,4) keer zoveel kans om in de groep met hoog verzuim (Odds ratio = 1) te zitten dan in de groep met laag verzuim (Odds ratio = 0,4).

 

 

Enkele verrassende conclusies: mensen met astma die na hun werk vaker geen energie meer over hadden, verzuimden minder dan degenen die niet alle energie in hun werk staken (adaptatiecriterium 7). En mensen met astma verzuimden juist meer als ze vaker gebruik maakten van regelmogelijkheden op het werk. De COPD-patienten die veel verzuimden, hadden hun werkgever bovendien vaker geinformeerd over hun ziekte, verborgen hun benauwdheid en beperkingen minder (adaptatiecriterium 3) en waren vermoeider.

 

Hoe is dit te verklaren? Een mogelijkheid is dat deze mensen in eerste instantie hun ziekte willen verbergen. Ze praten hierover dus niet met hun werkgever en maken geen gebruik van regelmogelijkheden. Ook doen ze er alles aan niet te verzuimen. Maar op den duur kunnen ze dit niet volhouden en als ze zich uiteindelijk ziek melden, kan het een aanleiding zijn om gebruik te maken van regelmogelijkheden, en wel met de werkgever rond de tafel gaan zitten.

 

Onderzoek krijgt dan ook meer zeggingskracht wanneer metingen worden herhaald en de ontwikkeling in de tijd is te volgen. Omdat de deelnemers na een jaar nogmaals zijn uitgenodigd om een vragenlijst te komen invullen, werd het mogelijk te zien welke factoren die in 2002 waren gemeten, konden voorspellen of iemand in 2003 meer of minder ging verzuimen. Vanwege het kleine aantal COPD-patienten konden deze analyses alleen worden gedaan binnen de groep werknemers met astma.

 

Uit de resultaten van deze prospectieve studie kwam duidelijk naar voren dat de deelnemers die goed geadapteerd waren en in 2002 veel verzuimden, in 2003 een minder hoog verzuim vertoonden (zie figuur 2). Hetzelfde gold voor die astmapatienten die minder vaak alle energie tijdens het werk verbruikten ten koste van een leven daarbuiten (adaptatiecriterium 7) en minder klachten ervoeren tijdens sociale activiteiten (adaptatiecriterium 6). Deze bevindingen komen dus weer overeen met de bevindingen van de kwalitatieve studie, waar goede adaptatie samenhing met weinig verzuim.

 

De belangrijkste bevinding van dit onderzoek – dat adaptatie samenhangt met verzuim – biedt handvaten voor de praktijk. Dat adaptatieproces wordt mogelijk op twee manieren bevorderd: door het gedrag van de werknemer aan te passen en de omgeving waarin hij werkt. Het advies aan bedrijfsartsen is dan ook om te letten op aanpassingsproblemen bij hun clienten en deze vervolgens bespreekbaar te maken. De genoemde adaptatiecriteria kunnen hierbij als houvast dienen (zie tabel 1).

 

 

FIGUUR 2. RESULTATEN VAN LONGITUDINALE STUDIE

 

Openheid over de ziekte lijkt een grote rol te spelen in het adaptatieproces. Werkgevers en collega’s kunnen immers pas rekening houden met het feit dat een werknemer astma of COPD heeft, als zij hiervan op de hoogte zijn. Uit de groepsinterviews kwam echter naar voren dat sommige werknemers met COPD of astma erg hun best doen om hun ziekte te verbergen.

 

Hier lijkt een taak weggelegd voor bedrijfsartsen, werkgevers en arbocoordinatoren. Bedrijfsartsen kunnen tijdens spreekuurcontacten het belang van openheid benadrukken bij werknemers, terwijl werkgevers en arbocoordinatoren een bijdrage kunnen leveren aan een open cultuur. Dit kan bijvoorbeeld door uitleg te geven over de gevolgen van astma of COPD voor het uitvoeren van het werk. Weten collega’s wat ze wel of juist niet kunnen verwachten van een collega met COPD of astma, dan kunnen ze daar ook rekening mee houden. Omgekeerd zal de werknemer zich ook vrijer voelen om het even wat rustiger aan te doen als hij weet dat zijn collega’s hiervoor begrip opbrengen. Extra alertheid is geboden bij werknemers met astma of COPD die aangeven vooral buiten het werk klachten te hebben. Mogelijk moeten zij dermate hun best doen om collega’s bij te benen, dat ze hierdoor geen energie meer overhouden voor ontspanning en activiteiten thuis. De bedrijfsarts kan deze patienten helpen door hen te stimuleren om meer rekening te houden met de beperkingen die de ziekte met zich meebrengt. Ook is van belang dat werknemers hun problemen bespreken met de werkgever of collega’s. Dit is zeker het geval als zij op het werk zijn blootgesteld aan hinderlijke factoren als tocht of tabaksrook.

 

Wanneer een bedrijf het adaptatieproces van de werknemer ondersteunt, kan het ervoor zorgen dat het ziekteverzuim omlaag gaat en dat er meer mensen op een prettige manier aan het werk blijven. Het adaptatieproces kost echter tijd. Mensen zullen in het begin geneigd zijn om hun ziekte en de daaruit voortkomende beperkingen verborgen te houden. Wanneer op dat moment alleen wordt gekeken naar ziekteverzuim, lijkt de werknemer prima te functioneren. Gaat het werken de werknemer met COPD of astma echter steeds meer moeite en energie kosten, dan is een periode van verzuim in de toekomst veelal onvermijdelijk. Het adaptatieproces kan betekenen dat iemand zich in een eerder stadium voor korte tijd ziek meldt, maar dan wel om langdurig verzuim in de toekomst te voorkomen.

 

 

MEER INFO

 

Sick leave in asthma and COPD; the role of the disease, adaptation, work, psychosocial factors and knowledge, Cecile R.L. Boot, Radboud Universiteit Nijmegen, 2004. ISBN 90 9018644 1.

 

 

Reageer op dit artikel