artikel

‘Ik streef naar opheffing van onze arbodienst ’

Geen categorie

Leenaars werkt met zijn arbodienst sinds anderhalf jaar aan een nieuw model. Met een beetje fantasie kun je stellen dat hij zijn dienst overbodig wil maken. Ter verduidelijking gebruikt Leenaars het ontwikkelingsmodel Derde Wereld. ‘Je kunt mensen in Afrika voedsel brengen, maar je kunt ze ook leren vissen en voedsel verbouwen. Dat geldt ook voor de arbodienstverlening. Het is veel beter om medewerkers zelf de ‘tools’ te geven om bijvoorbeeld een werkplek goed in te richten. Vandaar dat we een model ontwikkelen waarbinnen we naast arbo en milieucoordinatoren en onze arbodienst ook een stuk of honderd preventiemedewerkers opleiden.’

 

En daarmee waait ook de ‘eigen verantwoordelijkheidwind’ door de UvA, die een eigen arbodienst heeft. Daarnaast kent elke faculteit een of twee arbocoordinatoren. Op de werkvloer worden door de arbodienst diverse secretariaatsmedewerkers, laboratoriummedewerkers en andere disciplines geschoold in de arbobasisvaardigheden: de zogeheten preventiemedewerkers. Een risico-iInventarisatie en – evaluatie of de inrichting van een werkplek wordt zo laag mogelijk in de organisatie uitgevoerd, waarna de arbodienst toetst en evalueert. Leenaars: ’We willen hiermee bereiken dat mensen pro-actief in plaats van reactief worden. De arbocoordinatoren en preventiemedewerkers zijn de antennes in onze organisatie. De preventiemedewerkers worden door ons opgeleid. Gedifferentieerd natuurlijk. Zo zal de laborant meer te horen krijgen over gevaarlijke stoffen en het hoofd van het secretariaat meer over RSI en werkplekinrichting. Natuurlijk houden we wel een vinger aan de pols. Zo hebben we terugkomdagen en regelmatig evaluaties. En uiteraard houden we als arbodienst ook onze lijn naar het centrale en het facultaire management.’

 

‘Ik streef naar opheffing van onze arbodienst’, stelt Leenaars zonder blikken of blozen. Om er wel direct aan toe te voegen dat dit een utopie zal blijken te zijn. Maar toch. Geconfronteerd met de argwaan van de interviewer houdt hij echter voet bij stuk. ‘Anders zou ik toch niet zoveel mogelijk werk afstoten? Het ideaalbeeld is dat mensen hun eigen arbeidsomstandigheden dermate serieus nemen dat wij overbodig worden. Wij willen ook helemaal niet groeien. Wij worden ook gevraagd om elders onze capaciteiten in te zetten. Maar dat doen we niet. Wij werken exclusief voor de UvA. Al werken we ook voor bedrijven die vanuit de UvA zijn ontstaan. Binnenkort gaan we ook aan de slag voor de Hogeschool Amsterdam. Maar dat is omdat de Hogeschool en de UvA onder een bestuur opereren.’ Jarenlang waren de universitaire arbodiensten een doorn in het oog van Commit, Arbo Unie, ArboNed en Maetis cum suis. Maar times they are a changing om met Bob Dylan te spreken. Mei vorig jaar sprak het Europese Hof. Bedrijven dienen hun arbozorg eerst intern op te tuigen. Bij onvoldoende mogelijkheden intern mag pas extern worden geshopt. Even daarna sprak de SER. Bedrijven mogen met toestemming van de werknemersvertegenwoordiging hun arbodienstverlening ook bij niet-arbodiensten inkopen. Volgend jaar ligt de arbomarkt bij voldoende parlementaire vlijt en consensus open.

 

Leenaars: ‘Een zekere mate van tevredenheid kwam wel op bij me op toen ik de uitspraak van het Europese hof hoorde. In de beginfase van de gecertificeerde arbodiensten zagen externe arbodiensten ons helemaal niet zitten. Ze zagen ons als concurrent. Uiteraard vanwege marktbelang. Tegelijkertijd werden onze belangen niet goed behartigd. Niet door de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA) en niet door de Concerngebonden Arbodiensten (CAB). De arbodiensten van de banken zochten wel toenadering tot ons, maar daarmee hadden we te weinig gemeen. Ook de CAB probeerde aansluiting met ons te vinden. Zij hadden interne problemen en wilden die via ons oplossen. Daar pasten we voor. We richten ons uitsluitend op kennisinstellingen. Daarbuiten hadden en hebben we niets te zoeken. Gelukkig wordt nu erkend dat we het beter doen dan de externe arbodiensten. We zijn niet goedkoper dan externe arbodiensten; universiteiten investeren meer, maar krijgen er ook meer voor terug. Dat model wordt omarmd. Wij zijn daar heel tevreden over. We hebben gelijk gekregen.’

 

Op 26 oktober congresseerden de universitaire/ Universitair Medische Centra arbodiensten in Rotterdam. Misschien wel kenmerkend voor de stiel van de diensten, zo low profile mogelijk. Desondanks was het congres al weken van tevoren ‘uitverkocht’. Weg met de arboregels luidde de provocerende stelling. Leenaars kan zich daar wel in vinden. Gevraagd of hij tot het kamp Rutte behoort dat minstens een halvering van het aantal arboregels nastreeft, dan wel tot het kamp van de arbeidsinspectie/vakbonden die voor beschadigingen van de gezondheid van werknemers vrezen, kiest hij uiteindelijk toch voor Rutte. ‘Het opleggen van regels werkt niet. Mensen moeten inzien dat ze die regels het beste kunnen naleven. Zo irriteer ik me ook aan misbruik door fabrikanten van NEN-normen om hun waar te verkopen. Je hoeft geen bepaling op te nemen dat medewerkers bij daglicht moeten werken. Een goede arboprofessional overtuigt de werkgever van het nut om zijn medewerkers prettig bij daglicht te laten werken. Daar heeft hij geen regels voor nodig. Ik geloof niet zo in slechte werkgevers. Natuurlijk zijn ze er wel, maar ik denk dat de wal het schip wel zal keren.’ Leenaars beseft dat hij spreekt vanuit een luxe positie. Hij zal niet zo snel op onbegrip voor goede arbeidsomstandigheden stuiten. ‘We kennen een ideele doelstelling. Kwaliteit gaat boven kwantiteit bij ons. Dat zet ik ook boven personeelsadvertenties. Ik zit in een riante positie. Ik mag kwaliteit leveren. We hebben geen last van omzettargets.’ Toch kan ook Leenaars zich lang niet alles permitteren en moet hij zich waarmaken. Zo houdt de arbodienst ieder jaar gesprekken met de diverse managementlagen. En ook de universitaire arbodienst moet op de kleintjes letten. ’Ook wij moeten goed kijken hoe met de financien om te gaan. Met minder middelen meer kwaliteit leveren, daar draait het om. Ook onze centrale leiding kijkt kritisch of arbodienstverlening betaald dient te worden uit centrale middelen, of uit het budget van de afdelingen. De UvA heeft een behoorlijk vast pakket aan arbodienstverlening, maar voor onderdelen die meer willen hebben we ook een pluspakket. Elders winkelen mag niet. De UvA heeft de overtuiging dat arbozorg het beste exclusief bij ons kan worden ingekocht. Het werkt ook niet. We hebben wel eens externe deskundigen ingehuurd en die slaan toch de plank mis. Ze missen dan toch de kennis die je voor zo’n aparte universitaire wereld moet hebben.’ Dat betekent niet dat Leenaars nooit botst met de faculteitsonderdelen. ‘Soms doen de onderdelen voorstellen die niet werken. Die ontraden we dan ook als arbodienst. Een voorbeeld? De eerstedagscontrole door bedrijfsartsen. Veel te duur en het werkt ook niet.’

 

In zijn ‘vorige leven’ als directeur van de arbodienst van de Utrechtse universiteit liet Leenaars zich tijdens de certificering van zijn toenmalige werkgever in het bijzijn van een redacteur van het Utrechts Universiteitsblad eens ontvallen ‘op termijn goede mogelijkheden te zien om te komen tot een gezamenlijke arbodienst voor alle Nederlandse universiteiten en academische ziekenhuizen’. Een citaat dat hij nu aanvecht. ‘Nee, wat ik bedoel te zeggen en heb bedoeld te zeggen is dat we heel nauw moeten samenwerken. En dat doen we ook. We moeten niet op veertien plaatsen het wiel uitvinden. We dienen samen kennis en ervaring te delen en daar structuur in aan te brengen. Zonder dat we nu gelijk een soort van externe arbodienst voor universiteiten worden. De kracht zit juist in de inbedding in de organisatie. Maar onze diverse deskundigen komen geregeld bij elkaar om kennis uit te wisselen en thema’s op te pakken.’

 

Ook een soort fusie tussen de belangverenigingen SAAZ Unie (arbodiensten academische ziekenhuizen en IAVM (arbodiensten universiteiten) is voor Leenaars geen optie. ‘Nee, we houden nu samen congressen, maar een gezamenlijke overkoepelende organisatie is niet wenselijk. Voor je het weet moet je een bureau optuigen met secretariaat. Dat is niet nodig.’ In het vorige nummer van Arbo sprak de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Arbeidsgeneeskunde (NVAB) Bas Sordrager zijn zorg uit over de leegloop van goede bedrijfsartsen binnen arbodiensten. Ze zouden met het oog op meer vrijheid in hun beroep steeds vaker de vrije markt opgaan. Die zorg deelt Leenaars niet. ‘Nee, we hebben niet te klagen over belangstelling om bij ons te komen werken en bedrijfsartsen gaan ook niet zo snel weg bij ons. Je hebt hier ook meer speelruimte. Je hoeft niet alleen je spreekuur te draaien, maar bedrijfsartsen krijgen hier ook de ruimte om het management te adviseren over preventief verzuimbeleid. We hebben niet zo’n nadruk op omzet.’ De verzuimcijfers zijn laag in de academische wereld. Zo’n drie tot vier procent. Volgens Leenaars is het tegengaan van verzuim dan ook niet prioriteit nummer een. ‘Het zou niet gek zijn als we een verzuim kenden van minder dan een procent en we streven ook wel naar een verlaging van het verzuimpercentage, maar veel winst is niet meer te halen. We streven veel meer naar een hogere productiviteit van onze wetenschappers door ze een inspirerende werkomgeving aan te bieden. Dat vertaalt zich in meer publicaties en betere onderzoeken.’ Voor ondersteunend personeel geldt weer een andere aanpak, aldus Leenaars. ‘Hoogleraren moeten overtuigd worden, verpleegkundigen zul je toch wat meer moeten voorlichten en instrueren hoe gezond te werken. Maar ook voor hen geldt dat je ze moet motiveren. Bij magazijnmedewerkers is de aanpak weer anders. Die moet je vaak gewoon zeggen wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen. Jij krijgt een tilcursus.

 

Punt.’

 

Reageer op dit artikel