artikel

IN BELANG TOEGENOMEN, ONDANKS SCHRAPPEN VAN BEPALINGEN

Geen categorie

Het is nu aan de werkgever om te bepalen hoeveel bhv’ers er nodig zijn om invulling te geven aan de wettelijke verplichtingen. Dat hangt af van de te verwachten risico’s. In de praktijk zal het aantal bhv’ers daardoor meestal niet verminderen. Vooral niet als je bedenkt datje met een op vijftig nauwelijks uit de voeten kon. Daarnaast is het van belang te kijken

 

– hoeveel van die bhv’ers daadwerkelijk beschikbaar zijn, rekeninghoudend met de reguliere werktijden, ziekte, verlof, werkzaamheden buiten het gebouw en dergelijke;

 

– hoeveel aanwezigen niet-zelfredzaam zijn;

 

– hoe het staat met overwerk, nacht-, avond-, en weekenddiensten.

 

Dat zijn allemaal risicoverzwarende omstandigheden die het aantal benodigde bhv’ers beinvloeden.

 

Het zal nog wel even duren voordat er in iedere branche of in de meeste bedrijven en instellingen een arbocatalogus is. Maar nu al kunnen we ervan uitgaan dat bhv daarin een moeilijk onderwerp is. De risico’s zijn dan wel deels branchegerelateerde, maar de bhv heeft vooral betrekking op de Iocatie. Dit houdt het volgende in.

 

– Sociale partners bespreken algemene uitgangspunten in de branche.

 

– De werkgever en werknemers(vertegenwoordiging) bespreken de concrete uitwerking op Iocatie.

 

– Het Plan van Aanpak op basis van de RIE wordt met het hoofd bhv besproken.

 

De arbocatalogi verwijzen waar mogelijk naar instrumenten om de doelstellingen te bereiken. Daarin kan voor het opzetten van het bhv-plan en de bhvorganisatie worden verwezen naar NEN 4000, en voor het borgen van de bhv in het totale arbobeleid naar OHSAS 18001.

 

In het verleden bestond het imago van de bhv vooral uit opleidingen en af en toe een oefening. Nu zijn opleidingen het sluitstuk van de bhv. De mate van deskundigheid wordt bepaald door de RIE. De kennis en vooral de vaardigheden zullen in een opleiding nauwlettend op de eigen risico’s moeten aansluiten. Dat lijkt misschien overdreven. Voor veel gebouwen, zoals winkels, kantoren en open bare instellingen, lijken de risico’s grotendeels gelijk. Maar om goed voorbereid te zijn op een noodsituatie, is het toch belangrijk om te oefenen met de specifieke ken merken van de locatie.

 

Bij meerdere bedrijven in een gebouw of een gebouwencomplex bestaat een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de exploitanten (werkgevers) en de eigenaar/beheerder. Afspraken over de risico’s zijn belangrijk, zowel in de preventie als in de operationele bhv. In de praktijk is dit nogal eens lastig. De verschillende deelnemers zijn niet altijd bereid een bijdrage te leveren en vinden vaak dat de verantwoordelijkheid vooral bij een ander ligt (het grootste bedrijf in het gebouw of de beheerder). Maar meestal komen de bedrijven via een vereniging van eigenaren/huurders toch tot een oplossing en bepalen ze op basis van het aantal vierkante meters en het aantal medewerkers de bijdrage. Ais ze doordrongen zijn van het gezamenlijke belang, worden ze het ook eens over de preventieve maatregelen en de gezamenlijke bhv-oefeningen.

 

Het is essentieel dat de directie bhv serieus neemt. Het is meestal niet genoeg als een bhv’er roept dat hij zo belangrijk en nuttig is. Wanneer een werkgever tegenwerpingen maakt, is het belangrijk om door te vragen naar de beweegredenen. Geef de weerstanden een naam, probeer het belang van de werkgever te achterhalen en zijn visie te begrijpen. Pas dan kan bhv een plek krijgen in het totale plan dat de werkgever heeft om de bedrijfsrisico’s te beheersen. Dat vormt de beste basis om bhv te promoten.

 

SCHIJNVEILIGHEID

 

De beleidsregel waarin een verwijzing stond naar een minimale hoeveelheid te besteden uren aan training en oefening is vervallen.lnhoudelijk is dat goed te verdedigen. Met een herhaling van 8 uur pertweejaar houdje nauwelijks een adequate bhv-organisatie in stand.

 

Maar ook de toelichting op de beleidsregel is achterhaald. Enkele zinsneden hieruit samengevat: ‘Het opleidingspronel maakt een eind aan de bestaande onduidelijkheid betreffende een bhv-brede minimaal verantwoorde basisopleiding en een positionering daarvan. Vooralsnog is de verwachting (7997) dat het overgrote deel van de bedrijfshulpverleners met een opleiding op grond van het gepubliceerde opleidingspronel kan volstaan. Het pronel is ontwikkeld in een samenwerkingsverband in het kader van de brandbeveiligingsconcepten, als coproductie van de ministeries van Binnenlandse Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Over het pronel bestaat brede consensus onder belanghebbenden en deskundigen. ln feite wordt met het pronel voor de opleiding een basisniveau aan ordening en bescherming gegeven.’

 

Inmiddels is de consensus behoorlijk afgebrokkeld. De basisopleiding bleek nauwelijks aan te sluiten op de RIE. Een beleidsregel die voornamelijk schijnveiligheid biedt, is dan ook terecht geschrapt.

 

 

Bhv is geen eenmalige oefening. Verschuivingen en veranderingen in bedrijfsactiviteiten, indelingen en risico’s maken het noodzakelijk om een goed opgezette bhv-organisatie in stand te houden. Daar komt nog bij het personeelsverloop in de bhv en het langzaam wegzakken van de kennis van de bhv’ers. Incidenten zijn immers schaars (gelukkig). Maar dat betekent ook dat de bhv’ers na verloop van tijd minder scherp worden.

 

Daarom is het belangrijk om regelmatig het bhv-plan tegen het licht te houden, zo nodig bij te stellen en ook de opleiding en de oefeningen daarop af te stemmen. Het opleidingsinstituut heeft daarvoor een actuele RIE en Plan van Aanpak nodig.

 

Een planmatige aanpak wordt omschreven in NEN 4000. Deze norm geeft een procesbeschrijving die loopt van de directieverantwoordelijkheid en de afstemming met de medewerkers en bhv’ers naar het bhv-plan, de bhv-organisatie, het evalueren (directiebeoordeling) en, waar nodig, het bijstellen. Daarmee blijft het bedrijf of de instelling optimaal voorbereid op een noodsituatie. []

 

Reageer op dit artikel