artikel

Inpakken en wegwezen?

Geen categorie

De regelgeving rond het werken met asbest maakt geen onderscheid tussen asbestverwijdering en asbestsloop. Er wordt gesproken over ‘het verrichten van werkzaamheden met het oogmerk op het al of niet langs destructieve weg verwijderen of demon-teren van asbest- of asbesthoudende materialen uit een gebouw, constructie, apparaat of transportmiddel.’ Het slopen of verwijderen van asbesthoudende materialen mag alleen door een ‘deskundig bedrijf’ worden uitgevoerd. Een ‘deskundig bedrijf’, zoals bedoeld in het Asbestverwijderingsbesluit, is een bedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat (de BRL 5050) voor het uitvoeren van asbestverwijderingswerkzaamheden en/of over een certificaat op grond waarvan het bedrijf gerechtigd is een inventariserend onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbest in een te slopen gebouw of object. Een dergelijk deskundig bedrijf mag een door de minister van VROM aangewezen merkteken voeren. Een actueel overzicht van gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijven is beschikbaar bij de Stichting Bouwkwaliteit (www.bouwkwaliteit.nl, 070-307 29 29).

 

Asbestsloop- of verwijderingswerkzaamheden dienen daarnaast op grond van het Arbobesluit Arbeidsomstandighedenwet te worden uitgevoerd door of onder toezicht van een deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA). Deze DTA is in het bezit van een diploma van een door de minister van SZW erkende opleiding. In de praktijk zijn de ervaringen met DTA’s overigens wisselend. Het is en blijft noodzakelijk dat een DTA bij het opstellen van een werkplan ondersteuning krijgt van arbo-deskundigen. Gecertificeerde veiligheidskundigen en arbeidshygienisten die regelmatig met asbestverwijderingen te maken hebben, zijn deskundig genoeg om, met ondersteuning van laboratoria die (vrijgave)metingen verrichten, het werkplan van de DTA te toetsen.

 

Na asbestsanering, waaronder ook fixatie van het niet-verwijderde asbest kan worden begrepen, moet de ruimte of een afgeschermd deel van een bestaande ruimte (een containment) waaruit asbest is verwijderd, worden gereinigd. Vervolgens dient daar de asbestconcentratie in de lucht gemeten te worden: dit is de zogenaamde eindmeting waarbij de wanden van de ruimte minimaal eenmaal worden geveegd (actieve monstername). Het resultaat van deze eindmeting wordt getoetst aan de vrijgavegrens. Laat de eindmeting geen overschrijding van de vrijgavegrens zien, dan kan de ruimte worden vrijgegeven voor normaal gebruik. Voor de vrij-gave wordt als vrijgavegrens 0,01 vezels per cm3 gehanteerd.

 

Op de campus van de Katholieke Universiteit Nijmegen en UMC St Radboud vindt al jaren groot-schalige ver- en nieuwbouw plaats. Om plaats te maken voor nieuwe gebouwen voor onderwijs, onderzoek en patientenzorg worden oude gebouwen of delen daarvan gesloopt. Veel van deze gebouwen zijn in de jaren vijftig en zestig gebouwd. Vooral in de ventilatiekanalen ervan is veel asbest verwerkt. Daarnaast wordt tegen plafonds spuitas-best aangetroffen en wordt bij het verwijderen van kozijnen her en der asbestkoord gevonden.

 

De rollen, taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de gebouwbeheerder en die van de interne arbodienst bij het verantwoord verwijderen van asbest zijn vastgelegd in een asbestprotocol. Op basis hiervan stelt de geselecteerde asbestverwijderaar een werkplan op, dat de veiligheidskundige van de arbodienst toetst. Het werkplan bevat een volledige beschrijving van het betreffende gebied, de wijze waarop het containment wordt gerealiseerd en bewaakt op onderdruk, de noodzakelijke werkmethoden, de afvoer van het vrijgekomen asbest en de procedure voor vrijgave en ingebruikname.

 

Omdat bij verbouwingen asbestsaneringen plaatsvinden in gebieden waar de normale bedrijfsvoe-ring zoveel mogelijk gewoon moet doorgaan, wordt er nauw toezicht gehouden op de naleving van de afspraken uit het werkplan. In de beginperiode werd bij twijfel over de te volgen werkwijze regelmatig overleg gevoerd met de Arbeidsinspectie, die vanuit haar verantwoordelijkheid toezicht houdt op asbestverwijderingen.

 

Begin jaren negentig was er nog geen sprake van gecertificeerde asbestverwijderaars. Dit leidde in die jaren tot enkele vervelende incidenten bij asbestsaneringen op de campus. Het probleem was en is natuurlijk het containment. Dit is niet makkelijk te betreden en maakt het houden van toezicht zodoende tot een tijdrovende aangelegenheid. Maar toen er bij inspecties een volledig ingerichte zithoek in een containment werd aangetroffen, medewerkers met droge haren de decontaminatiesluis uitkwamen of asbest onverpakt in een personenbusje bleek te worden afgevoerd, waren dit zeer zeker voldoende redenen om de asbestverwijderaar per direct van het terrein te sturen. Gezien dit soort incidenten is certificering van asbestverwijderaars zelf een zeer gewenste methode om de goede van de kwade te onderscheiden. De overheid heeft hier haar verantwoordelijkheid genomen en de regelgeving aangepast om de gevaren van asbest beter onder controle te krijgen.

 

Met de komst van gecertificeerde asbestverwijderaars is echter een nieuw probleem ontstaan: nu kan het gebeuren dat een werkplan, dat in nauw overleg met de interne arbodienst is opgesteld, wordt afgekeurd door de instantie die de asbestverwijderaar certificeert. De gecertificeerde asbestverwijderaars zenden hun werkplannen namelijk ter toetsing naar hun certificerende instantie. Doet dit probleem zich voor, dan betreft het bijna altijd een situatie waarin het bouwen van een containment niet aan de orde is, omdat met de zogenaamde ‘glovebag’-methode het asbest op een veilige, eenvoudige en dus goedkope manier is te verwijderen. Voorbeelden hiervan zijn zuurkasten waarin asbesthoudende platen zijn verwerkt of deuren bekleed met asbesthoudend materiaal. Voor beide was de oplossing tot dan toe: in zijn geheel inpakken en afvoeren.

 

Maar die situatie is gewijzigd. Omdat certificerende instanties deze methode niet goedkeuren, kiezen asbestverwijderaars toch voor een containment. Dit leidt tot hoge kosten voor de opdrachtgever en geeft veel onbegrip, te meer daar hierdoor de indruk ontstaat dat certificerende instellingen niet op de hoogte zijn van de feitelijke situatie en louter op basis van formele regelgeving een oordeel vellen. De kern van een Arbo-besluit is echter dat de stand der techniek wordt vastgelegd, maar dat iedere andere werkwijze die dezelfde aantoonbare veiligheid voor medewerkers en omgeving oplevert ook mogelijk is. Een bericht uit Cobouw van 24 januari dit jaar (‘Regelgeving bouw en milieu kan eenvoudiger’) is waarschijnlijk mede op dit soort ervaringen gebaseerd. Hierin wordt aangegeven dat volgens de Commissie Bouwstoffen de wetgeving en handhaving van de verschillende overheden onnodig ingewikkeld, kostbaar en nadelig is voor de voortgang van bouwwerken. Met betrekking tot het onderdeel ‘asbest’ uit het Bouwstoffenbesluit beveelt de commissie een herbezinning op de regelgeving aan.

 

In dit artikel wordt onder asbest of asbesthoudende materialen of producten vooral begrepen: chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5, witte asbest), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4, blauwe asbest) en amosiet (Cas-nummer 12172-73-5, bruine asbest).

 

Voor leken is het wellicht moeilijk te begrijpen, maar in de praktijk wordt de veiligheid juist gediend door geen onderscheid te maken tussen deze verschillende soorten asbest. Ofwel: het maakt nu niet uit wat erin zit of in welke samenstelling, het is asbest en dus gevaarlijk. Op het moment dat soort of samenstelling bepalend is voor de beheersmaatregelen, moeten namelijk extra kosten worden gemaakt voor noodzakelijke metingen. Daardoor ontstaat er ongetwijfeld weer discussie over de uitkomst van die metingen en over de noodzakelijke beheersmaatregelen. De regel zou dan ook moeten zijn dat asbestsaneringen worden afgestemd op de risico’s, maar dan wel die van de verspreiding van de asbestvezels en dus niet van de vezels zelf. Wat dat aangaat is het nodig dat het gezonde verstand weer de boventoon gaat voeren, want kijkend naar de feitelijke situatie en door gebruik te maken van de arbeidshygienische strategie, kan per situatie een verantwoord werkplan worden opgesteld. Verantwoord betekent dan: veilig voor de betrokken medewerkers en zonder het maken van onnodige kosten. –

 

Reageer op dit artikel