artikel

Interventies in werksituatie nauwelijks effectief

Geen categorie

Een eerste onderzoeksvraag van het promotieonderzoek was of veranderingen in werkkenmerken herstel van vermoeidheid bevorderen. Van werkkenmerken is bekend dat ze een rol kunnen spelen bij het ontstaan van een grote verscheidenheid aan gezondheidsklachten, waaronder vermoeidheid. Werkkenmerken als ervaren werkdruk, de mate van autonomie in het werk, sociale steun van collega ’s en conflicten op het werk zijn van invloed op het ontstaan van vermoeidheid (Bultmann et al, 2002). Op basis hiervan zou verwacht kunnen worden dat werkkenmerken ook een rol spelen in het herstel van vermoeidheid. Lopen bijvoorbeeld werknemers met weinig sociale steun van collega ’s een verhoogde kans om vermoeid te raken, dan is omgekeerd te verwachten dat werknemers die wel veel sociale steun ontvangen op het werk een verhoogde kans hebben op herstel. Een van de vraagstellingen binnen dit onderzoek was dan ook of werkkenmerken een rol spelen bij het herstel van vermoeidheid. De onderzoekspopulatie maakte deel uit van een groep van ruim twaalfduizend werknemers die behoorden tot de Maastrichtse cohortstudie naar vermoeidheid in de arbeidssituatie. Deze groep werknemers, afkomstig uit 45 Nederlandse bedrijven en met een grote verscheidenheid aan functies en beroepen, is gedurende drie jaar (1998-2001)gevolgd. De groep kreeg elke vier maanden een schriftelijke vragenlijst thuisgestuurd; eens per jaar was dat een uitgebreide vragenlijst. Hierin waren met name vragen opgenomen over het werk, vermoeidheid en andere gezondheidsmaten. In dit promotieonderzoek is uitsluitend gebruik gemaakt van de uitgebreide vragenlijsten.

 

Naast de vragenlijsten zijn administratieve verzuimgegevens verzameld bij de bedrijven die aan het onderzoek deelnamen. Hiervoor is gekozen omdat werknemers een sterk beroep moeten doen op hun geheugen als ze de vraag krijgen voorgelegd hoeveel dagen ze in een bepaalde periode hebben verzuimd, en hun eventuele foutieve informatie de onderzoeksresultaten zou kunnen beinvloeden. Door gebruik te maken van administratieve verzuimgegevens van bedrijven is getracht deze herinneringseffecten te omzeilen. De ziekteverzuimgegevens zijn gebruikt bij het onderzoek naar de relatie tussen vermoeidheid en verzuim. Vermoeidheid is gemeten met een vragenlijst die informeerde naar de klachten van de ondervraagden tijdens de voorgaande twee weken. Het vragenlijstonderzoek leverde zodoende een beeld op van langdurige vermoeidheid. Deze vermoeidheid gaat niet zomaar over door bijvoorbeeld even rust te nemen. Met behulp van de vragenlijst zijn ook verschillende aspecten van vermoeidheid gemeten. Naast een ‘algemeen gevoel van vermoeidheid ’zijn ook symptomen geregistreerd die met vermoeidheid gepaard gaan, zoals een verminderd concentratievermogen, afgenomen motivatie en gedaalde activiteit. De variatie in vermoeidheidsscores was groot: de score varieerde van ‘niet of nauwelijks vermoeid ’ tot ‘ernstig vermoeid ’.

 

Het is belangrijk te vermelden dat mensen met een chronische ziekte niet in de onderzoekspopulatie zijn opgenomen. Het is bekend dat vermoeidheid samengaat met een grote verscheidenheid aan chronische aandoeningen. Bij chronisch zieken kan vermoeidheid een afwijkend verloop hebben en door andere (ziektespecifieke)factoren worden beinvloed dan bij mensen zonder chronische aandoening. Daarom is ervoor gekozen om mensen met een chronische ziekte niet in het onderzoek mee te nemen.

 

Een eerste studie naar de relatie tussen werkkenmerken en het verloop van vermoeidheid werd uitgevoerd onder de totale onderzoekspopulatie. Het betrof hier overwegend mild vermoeide werknemers. Drie werkkenmerken zijn meegenomen in het onderzoek: werkdruk, steun en sturingsmogelijkheden in het werk. Uit deze (eerste)deelstudie bleek dat positieve veranderingen in het werk samenhangen met een daling van de vermoeidheidsklachten. In vergelijking met een stabiele werksituatie bleken een verlaging van de werkdruk en een toename in steun en sturingsmogelijkheden in het werk samen te gaan met een daling van de vermoeidheid.

 

Vervolgens is een tweede studie uitgevoerd binneneen groep met uitsluitend vermoeide werknemers. Deze groep werd geselecteerd met behulp van een afkappunt. Werknemers die hierboven scoren, zijn als ‘vermoeid ’ te bestempelen en zullen daarmee een hogere kans op verzuim en arbeidsongeschiktheid hebben dan werknemers die onder het afkappunt scoren (Bultmann et al. 2000). In deze tweede studie naar de rol van werkkenmerken in het verloop van vermoeidheid is onderzocht of een verandering in zeven werkkenmerken effect had op een latere daling van de vermoeidheid. Net als in het eerste onderzoek werd de invloed onderzocht van de werkkenmerken werkdruk, sturingsmogelijkheden en steun op het werk (dit keer uitgesplitst naar steun van collega ’s en steun van de leidinggevende). Daarnaast werden nog eens drie werkkenmerken bestudeerd, te weten fysieke belasting, emotionele belasting en autonomie ten aanzien van de werktijden. Ook zijn in deze studie de verschillende aspecten van vermoeidheid (subjectieve vermoeidheid, verminderde concentratie, motivatie en activiteit)apart bekeken. Hieruit bleek dat werkkenmerken nauwelijks invloed hebben op een daling in de vermoeidheid. Van alle zeven onderzochte werkkenmerken had alleen een verlaging van de werkdruk een daling in vermoeidheid in al haar facetten tot gevolg. Een toename in de sturingsmogelijkheden in het werk had alleen een stijging van de motivatie tot gevolg.

 

Uit deze studie kwam tevens naar voren dat 65 procent van de groep vermoeide werknemers een jaar later nog steeds vermoeid was. Dat geeft aan dat als werknemers eenmaal vermoeid zijn, het moeilijk is om hiervan te herstellen. In het promotieonderzoek is ook de vraag gesteld of vermoeidheid tot verzuim leidt. Verzuim brengt hoge sociale kosten met zich mee voor de werknemer en hoge economische kosten voor de werkgever. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat verzuim wordt bepaald door een grote verscheidenheid aan sociale, werkgerelateerde, organisatiegerelateerde en individuele factoren. Over de relatie tussen vermoeidheid en verzuim was nog weinig bekend. Het verzuim is in deze studie gemeten in de zes maanden die direct volgden op de meting van de vermoeidheid. Hierdoor en door het verzuim over een relatief korte periode te berekenen werd het aannemelijk dat vermoeidheid in direct verband staat met verzuim.

 

Er is gekeken naar de relatie tussen vermoeidheid en verzuim enerzijds, en kortdurend (een tot zeven dagen)en langdurig verzuim (meer dan 42 dagen) anderzijds. De resultaten laten zien dat een hogere vermoeidheidsscore samengaat met een grotere kans op een lange verzuimperiode. Daarnaast bleek dat werknemers met een hogere vermoeidheidsscore een grotere kans hebben op kort verzuim. De relatie tussen vermoeidheid en verzuim was sterker voor langdurig verzuim dan voor kort verzuim.

 

De onderzoeksresultaten wijzen uit dat binnen een populatie met voornamelijk mild vermoeide werknemers positieve veranderingen in de werksituatie (lagere werkdruk, meer sturingsmogelijkheden en meer sociale steun)samengaan met een daling van de vermoeidheid.

 

De tweede studie naar de invloed van werkkenmerken in het verloop van vermoeidheid laat zien dat interventies in het werk bij vermoeide werknemers nauwelijks tot een afname van de vermoeidheid leiden. Alleen een verlaging van de werkdruk leidt tot vermindering van de vermoeidheid in al haar dimensies.

 

In eerder onderzoek is vastgesteld dat interventies in de werksituatie van belang zijn om vermoeidheid te voorkomen. Dit promotieonderzoek toont echter aan dat bij eenmaal vermoeide werknemers interventies in werkkenmerken nauwelijks effectief zijn in het bewerkstelligen van een afname van de vermoeidheid. Verder bleek uit de resultaten dat de bijdrage van veranderingen in werkkenmerken aan een daling in de vermoeidheidsscore laag is. Hieruit is te concluderen dat, wil een forse verlaging van de vermoeidheidsscore worden bereikt, het bij vermoeide werknemers nodig is om andere interventies in te zetten naast een verlaging van de werkdruk. Om te bepalen welke interventies dit zouden moeten

 

zijn, is vervolgonderzoek nodig.

 

De onderzoeksresultaten wijzen erop dat het voorkomen van vermoeidheid leidt tot het voorkomen van een deel van het verzuim. Verder blijkt vermoeidheid met name gerelateerd te zijn aan langdurig verzuim: dat geeft de ernst aan van vermoeidheid als gezondheidsklacht.

 

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de preventie van (ernstige en aanhoudende)vermoeidheid bij werknemers meer aandacht verdient. Het monitoren van vermoeidheid bij werknemers kan een middel zijn om een negatieve ontwikkeling in de vermoeidheidsstatus vroegtijdig te signaleren, zodat snel ingegrepen kan worden

 

om chronische vermoeidheidsklachten en verzuim te voorkomen. Het monitoren zou kunnen plaatsvinden met behulp van het meetinstrument dat in het promotieonderzoek is gebruikt. Maar voordat dit instrument in de praktijk kan worden gebruikt, dienen zijn kwaliteiten in relatie tot dit specifieke doel nader te worden bestudeerd.

 

– Bultmann, U. , de Vries, M. , Beurskens, A. J. , Bleijenberg, G. , Vercoulen, J. H. , Kant, IJ. & Swaen, G. M. (2000). Measurement of prolonged fatigue in the working population: determination of a cutoff point for the Checklist Individual Strength. Journal of Occupational Health Psychology, 5, 411-416.

 

– Bultmann, U. , Kant, IJ. , van den Brandt, P. A. &Kasl, S. V. (2002). Psychosocial work characteristics as risk factors for the onset of fatigue and psychological distress: prospective results from the Maastricht cohort study. Psychological medicine, 32, 333-345.

 

De in dit artikel beschreven deelstudies zijn onderdeel van het proefschrift ‘The natural course of fatigue in a working population ’ van Nathalie Janssen, ISBN 90-5278411-6.

 

Reageer op dit artikel