artikel

Kabinet gaat voor maatwerk

Geen categorie

Rutte had de SER gevraagd wat die van zijn idee vond om door de invoering van een nieuw systeem van certificering nieuwe partijen op de markt voor arbodienstverlening toe te laten. Daarnaast wilde de staatssecretaris advies over het schrappen van de zogenaamde ‘in hoofdzaak-bepaling’, die bepaalt dat spelers op de markt voor arbodienstverlening arbo als hun ‘core business’ moeten hebben. Dat maakt het bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen onmogelijk om de markt direct te betreden. Ook vroeg Rutte na te denken over mogelijkheden om de RI&E voor kleine bedrijven te verlichten. Verder moest de SER adviseren over een manier waarop werkgevers hun preventie van beroepsrisico’s intern kunnen organiseren, in plaats van via de aansluiting bij een arbodienst.

 

De SER wees het voorstel af om deelcertificatie van arbodiensten mogelijk te maken. In plaats daarvan stelde de raad een model voor dat recht doet aan de noodzaak van een dialoog tussen werkgevers en werknemers over de inrichting van de arbodienstverlening. Onder voorwaarden is het dan mogelijk dat werkgever en werknemer afspreken de arbodienstverlening in eigen beheer vorm te geven, waarbij de afspraken gelden voor een periode van vijf jaar.

 

De SER was van mening dat de uitwerking van het deskundigheidsniveau in de wet slechts procedureel hoeft te zijn. Dan hoeft bij ‘opting out’ – preventie geheel in eigen beheer – slechts een deskundige van het hoogste niveau te worden ingeschakeld. Die moet dan in ieder geval de toetsing van de RI&E voor zijn rekening nemen. Verzuimbegeleiding zou per geval moeten worden beoordeeld. De oorzaken van verzuim kunnen immers verschillen en dus moet er per geval bekeken kunnen worden of de inschakeling van een bedrijfs-arts aan de orde is.

 

Verder vond de SER het een goed idee om de ‘in hoofdzaak-bepaling’ te schrappen. Wel zou dan de onafhankelijkheid van de ingeschakelde dienst moeten worden gewaarborgd.

 

Daarnaast achtte de raad het wenselijk om de last van de RI&E voor de kleinste bedrijven te verlichten. De SER dacht daarbij aan bedrijven met tien of minder werknemers. Toetsing van de RI&E zou achterwege kunnen blijven als sociale partners op het niveau van de branche afspraken maken over een branche-RI&E-regeling.

 

De SER was verder van mening dat preventie en bescherming taken zijn die volgens het model ‘intern tenzij aantoonbaar de deskundigheid ontbreekt’ gere-geld kunnen worden. De Arbeidsinspectie zou moeten toezien op de deugdelijkheid van het uitbestedingsbesluit.

 

Het kabinet vindt dat het advies van de SER navolging verdient. Als werkgevers overeenstemming kunnen bereiken met hun werknemers over de organisatie van het arbo- en verzuimbeleid in de onderneming, dan mogen zij dat straks zelf vormgeven, inclusief de inschakeling van deskundigen. Het kabinet noemt dit de ‘maatwerkregeling’. Weten de partijen echter geen overeen-stemming op ondernemings- of brancheniveau te bereiken, dan blijft de werkgever verplicht bij een arbodienst aangesloten (standaardregeling). Het kabinet hoopt dat werkgevers hierdoor de inschakeling van deskundigen minder als opgedrongen zullen ervaren. Ook is het de bedoeling dat werkgevers minder snel geneigd zullen zijn te denken dat ze de verantwoordelijkheid voor het preventiebeleid aan derden hebben overgedragen.

 

De Europese richtlijn verlangt dat als er sprake is van algemeen verbindende richtlijnen, er richtlijnen worden gegeven voor het niveau van deskundigheid van de interne preventiemedewerker. Het kabinet is van mening dat daaraan kan worden voldaan door het handhaven van een verplichting om een deskundige van het hoogste niveau bij de toet-sing van de RI&E in te schakelen. Daarmee is de verplichting om die deskundige bij een arbodienst te betrekken van de baan, mits er geregeld wordt dat de deskundige, indien nodig, toe-gang heeft tot de drie andere disciplines die in de wet genoemd worden.

 

De verplichte bijstand bij ziekteverzuim stoelt volgens het kabinet niet op Europese regelgeving, maar op de loondoorbetalingverplichting bij ziekte. De SER is van mening dat ook hier ruimte moet komen om tot eigen regelingen te komen. Dat moet dan onnodige medicalise-ring door verplichte inschakeling van bedrijfsartsen helpen voorkomen. Werkgevers zullen dus de contractuele beschikbaarheid van een bedrijfsarts moeten regelen. Die arts hoeft niet langer meer bij een gecertificeerde arbodienst in dienst te zijn.

 

De SER stelde in zijn advies dat bedrijven met meer dan tien maar minder dan vijftig werknemers na overeenstemming met de personeelsvergadering over mogen gaan tot arbodienstverlening in eigen beheer. Complicatie is echter dat de personeelsvergadering geen mogelijkheid heeft om overeenkomsten met rechtsgevolgen te sluiten, in tegenstelling tot de OR en PVT. Het kabinet volgt de SER dan ook niet in zijn redenering. Het kabinet is van mening dat bedrijven met minder dan vijftig werknemers en zonder PVT of OR alleen op basis van in de CAO of met een (in te stellen) OR/PVT gemaakte afspraken tot arbodienstverlening in eigen beheer mogen overgaan. Het kabinet meent verder dat de evaluatieperiode van vijf jaar te lang is en wil daar een veel kortere periode voor gaan hanteren.

 

Het kabinet neemt het advies over om de verplichte toetsing door een arbodienst voor bedrijven met tien of minder werknemers te laten vervallen. Daarnaast is de toetsing voor kleine bedrijven (tot maximaal 25 werknemers) verlicht tot een toetsing op afstand. Het in de Certificatieregeling Arbodiensten voorgeschreven bedrijfsbezoek is voor deze bedrijven reeds in april van dit jaar komen te vervallen. In-hoofdzaak-bepaling

 

Ook de in-hoofdzaak-bepaling komt te vervallen. Dat betekent dat dienstverleners die niet over alle vier de kerndeskundigen beschikken eveneens arbozorg mogen verlenen. Het kabinet zal maatregelen nemen om de onafhankelijkheid van nieuwe aanbieders te waarborgen door de geldende eisen ook op deze aanbieders van toepassing te verklaren.

 

Op grond van het arrest van het Europese Hof moet er voorrang worden gegeven aan interne deskundige bijstand bij bescherming tegen en preventie van beroepsrisico’s. Met andere woorden: werkgevers moeten hun preventiebeleid in eerste instantie zoveel mogelijk intern optuigen. De verplichte inschakeling van de arbodienst heeft, aldus het kabinet, tot weinig eigen verantwoordelijkheidsbesef geleid en zelfs de indruk gewekt dat uitbesteding ook overdracht van de verantwoordelijkheid betekende.

 

Het kabinet wil dat werkgevers zich laten bijstaan door een of meer deskundige werknemers. Hun deskundigheidseisen worden in de wet ingevuld. De vereiste deskundigheid wordt afgestemd op de RI&E. Werkgevers kunnen gemotiveerd afwijken van het in de RI&E gegeven ad-vies. De Arbeidsinspectie zal de beslissing kunnen toetsen. Het kabinet wil in bedrijven met maximaal vijftien medewerkers werkgevers de bevoegdheid geven zelf als preventiemedewerker op te treden.

 

Omdat er voorrang gegeven moet worden aan interne deskundigheid, wil het kabinet bepalen dat eigen werknemers deze taak vervullen, tenzij er in het bedrijf aantoonbaar te weinig deskundigheid beschikbaar is. Bedrijven kunnen een interne arbodienst instellen (als zij onder de verplichting vallen om aangesloten te zijn bij een arbodienst: aan de orde bij het ontbreken van afspraken in een CAO of het ontbreken van een PVT/OR), of zorgen dat zij de beschikking hebben over een medewerker met een certificaat in een van de vier genoemde disciplines.

 

De SER onderschrijft het voorstel van Rutte dat een interne dienst kan bestaan uit een interne deskundige en drie externe deskundigen en geeft aan dat de certificatieregeling arbodiensten zodanig moet worden aangepast dat certificatie van een dergelijke interne dienst mogelijk wordt. Het kabinet geeft wel aan dat de wijziging van de wet op dit punt tot een duidelijke en handhaafbare regeling moet leiden.

 

De instelling van een interne dienst moet volgens de SER gebaseerd kunnen worden op de omstandigheden in het bedrijf, en niet op de door de staatssecretaris voorgestelde objectieve criteria ten aanzien van bedrijfsomvang en risicoprofiel. Het bedrijf krijgt daarmee de mogelijkheid om voor uitbesteding te kiezen als het intern onmogelijk is om de dienst van de grond te krijgen; dit besluit moet dan door de Arbeidsinspectie getoetst (gehandhaafd) kunnen worden. Uitbesteden kan dan dus alleen als daar goede redenen voor zijn. Het kabinet wil het advies van de SER wel over-nemen, maar dan wel een effectief toetsingskader formuleren.

 

Er is ook een toetsingskader nodig om de deskundigheid van de interne preventiemedewerker in relatie tot de in de RI&E vast-gelegde risico’s te kunnen toetsen. Hetzelfde geldt voor de situ-atie waarin het bedrijf afwijkt van het door de bij de RI&E betrokken deskundige gegeven advies ten aanzien van het deskundigheidsniveau van de preventiemedewerker.

 

De rol van de arbodienst wordt kleiner, maar is zeker nog niet uitgespeeld. De markt wordt opengegooid voor andere aanbieders, waardoor dienstverleners meer op toegevoegde waarde en minder op prijs kunnen concurreren. Toch lijkt het er op dat het kabinet de kool en de geit wil sparen. De voorgestelde regelingen rond de interne preventiemedewerker en de aan deze functionaris te stellen deskundigheidseisen worden mogelijk zwaar aangezet. Daardoor zullen werkgevers zich wel tot een externe aanbieder moeten wenden. Als een ondernemer duizenden euro’s moet investeren om zichzelf of een medewerker op het gesuggereerde niveau te krijgen, zal hij immers gauw geneigd zijn om de deskundigheid dan maar bij een externe in te huren.

 

Reageer op dit artikel