artikel

Licht op de zaak

Geen categorie

De benodigde sterkte van lichtbronnen hangt af van de hoeveelheid licht dat via vensters en andere ruimten binnenkomt. Verder spelen de noodzaak om details waar te kunnen nemen en bijvoorbeeld de leeftijd van de werknemer een rol. In een omgeving waar de oogtaak niet van groot belang is, bijvoorbeeld trappenhuizen, past een hoeveelheid licht tussen de 10 en 200 lux. De waarneming van contouren en kleuren bij zo’n laag verlichtingsniveau is beperkt. Om te kunnen lezen of details onderscheiden, is aanvullend licht nodig. Voor normale werkverlichting bevindt het verlichtingsniveau zich tussen de 200 en 800 lux. Ons prestatieniveau neemt trouwens niet recht evenredig toe met de hoeveelheid licht.

 

Vanaf 800 lux wordt gesproken over speciale verlichting. Bijvoorbeeld om glans of schaduwen te voorkomen of juist tot stand te brengen, of om een heel precieze kleurbeoordeling of detailwaarneming mogelijk te maken.

 

De speciale verlichting boven een operatietafel bijvoorbeeld kan wel 110.000 lux bedragen.

 

Iedere lamp geeft op den duur minder licht. Deze zogenoemde depreciatiefactor is bij TL-verlichting bijvoorbeeld al binnen korte tijd 5 tot 15%.Verder neemt de hoeveelheid licht af door vervuiling die zich op de lamp afzet. In een stoffige omgeving kan de hoeveelheid licht op het werkoppervlak daardoor snel flink afnemen. Tussentijdse schoonmaak van lampen en armaturen en tijdige vervanging is daarom geen overbodige luxe.

 

Veelzeggend is dat de hoeveelheid licht met het kwadraat van de afstand afneemt. Wanneer bijvoorbeeld de afstand tussen de bron en het werkblad met twee meter toeneemt, dan zal de lichtsterkte op het werkblad afnemen tot een vierde van het aantal lux bij de lamp. Voor een grotere lichtopbrengst op een sorteer- of montagewerkblad is het dus verstandig om een lamp lager op te hangen. Maar in een stellingenmagazijn waar met reachtrucks wordt gewerkt, stuit het lager hangen van TL-armaturen op onmiskenbare bezwaren.

 

De uit te voeren taken bepalen de juiste lichtkleur op de werkplek.

 

Naarmate het herkennen van de kleur belangrijker is, bijvoorbeeld in een drukkerij, maar ook in ziekenhuizen, valt de keuze op een lichtkleur die onze waarneming zo min moge-

 

lijk beinvloedt. De kleurweergave van een lamp is daarom belangrijk.

 

Naarmate de kleurweergaveindex (Ra-waarde) hoger is (zie tabel), neemt de eigenschap om kleuren weer te geven toe. Wel neemt het rendement af bij een hogere kleurweergave.

 

Bij het meten van licht op de werkplek is het uitgangspunt altijd de hoeveelheid licht op het werkoppervlak. Het meten van licht gebeurt met een lichtgevoelige cel. De bijbehorende meter past correcties toe voor de waarneming met het oog en voor schuin invallend licht.

 

 

Het mengsel van kleuren in licht kan varieren. De samenstelling bepaalt de beleving en de sfeer die verlichting oproept. Dit noemen we de kleurtemperatuur, die we uitdrukken in kelvin (K). In algemene zin geldt dat wanneer de kleurtemperatuur lager is dan 2500 K, de omgeving warm en sfeervol overkomt. Bij een waarde hoger dan 5000 K is de uitstraling van de ruimte koel en zakelijk.

 

Verlichting kan ook hinder opleveren. Veelvoorkomende klachten van gebruikers zijn hinder door te veel of juist te weinig licht, of schitteringen van licht op de werkplek of in de werkomgeving. Ook kan er sprake zijn van een ongelijke verdeling van het licht.

 

Verblinding kan slechtere visuele prestaties opleveren. Dat is bijvoorbeeld zo wanneer je over je beeldscherm naar buiten of tegen een lamp in kijkt.

 

De luminantie van de achtergrond ligt dan veel hoger dan die op het beeldscherm. Omdat je niet constant op het beeldscherm kijkt maar ook naar de omgeving, moeten de ogen zich doorlopend en in grote mate opnieuw instellen. Kortom: de oogtaak wordt zwaarder en de foutenkans neemt toe. Door de werkplek dwars op het venster te plaatsen en daglichtregeling aan te brengen, verbetert de situatie.

 

Verblinding is ook te voorkomen door aandacht te besteden aan de plaats en het type van lamp en armatuur. Een halogeenspotje boven de balie werkt misschien sfeerverhogend, maar het mag de receptiemedewerkers niet verblinden. Om verblinding op de beeldschermwerkplek te voorkomen, is het juiste type armatuur van belang. Let daarbij op de uitstroomhoek van het licht en de reflectoren.

 

info

 

Meer lezen: Arbo-Informatiebladen

 

Kantoren (AI7) en Werken met beeldschermen (AI2), Arbojaarboek, Kluwer 2007.

 

‘Doe eens een lamp aan, lezen met weinig licht is slecht voor je ogen.’ Je hoort het je oma nog zeggen. Haar interpretatie van een laag verlichtingsniveau is een heel andere dan die van een jong kind. Bij het ouder worden neemt de grootte van de pupil namelijk af. Hierdoor komt bij een ouder iemand steeds minder licht het oog binnen. En daardoor moet die meer inspanning leveren om hetzelfde te kunnen zien. Weinig licht is niet slecht voor de ogen.

 

Wel is er meer kans op oogvermoeidheid (eyestrain).

 

‘Doe eens een lamp aan, lezen met weinig licht is slecht voor je ogen.’ Je hoort het je oma nog zeggen. Haar interpretatie van een laag verlichtingsniveau is een heel andere dan die van een jong kind. Bij het ouder worden neemt de grootte van de pupil namelijk af. Hierdoor komt bij een ouder iemand steeds minder licht het oog binnen. En daardoor moet die meer inspanning leveren om hetzelfde te kunnen zien. Weinig licht is niet slecht voor de ogen.

 

 

Ra = 90-100

 

uitstekende kleurweergave

 

Ra = 80-90

 

goede kleurweergave

 

Ra = 80-90

 

matige kleurweergave

 

Ra < 60

 

slechte kleurweergave

 

 

Reageer op dit artikel