artikel

Maatwerk of rode lap?

Geen categorie

Vanwaar de teleurstelling bij de FNV? Zo op het eerste gezicht lijkt dit toch aardig op het SER-advies van vorig jaar? En kwam dat advies niet uit de koker van werkgevers en bonden? Verhagen ziet het anders. ‘Nee, ik vind in dit wetsvoorstel weinig tot niets terug van ons advies. De minister heeft eruit geplukt wat hij wilde. Dat we regels wilden schrappen, dat heeft hij goed opgepikt, maar dat de doelvoorschriften zo concreet mogelijk moeten zijn, komt niet goed uit de verf. Alles wordt overgelaten aan de markt.’

 

Het mag de stemming bij MKB Nederland niet drukken. Van Mierlo ziet tot zijn genoegen dat er meer mogelijkheden komen voor maatwerk. ‘De werkgever wordt niet langer in een keurslijf geperst. Goed bijvoorbeeld dat het arbeidsomstandighedenspreekuur komt te vervallen en dat het op maat van het bedrijf kan worden ingevuld. Soms had zo’n bedrijfsarts helemaal niets te doen omdat er niemand kwam opdagen.’

 

Maar Poort vraagt zich af of die tevredenheid terecht is. ‘Ja, het lijkt gemakkelijker te worden voor de werkgevers. Fijn dat ze nu bijvoorbeeld geen plan van aanpak bij de RI&E hoeven te schrijven. Maar wat als een werknemer een schadeclaim indient als gevolg van het werk? Dan zal de werkgever voor de rechter zijn zorgplicht hard moeten maken. Dat kan hij niet alleen door de RI&E. Hij moet ook aantonen wat hij op basis van de RI&E heeft gedaan en dan kom je toch uit op het plan van aanpak uit de bewuste periode.’

 

Een vreemde voorstelling van zaken, vindt van Mierlo. ‘Ik zou het heel merkwaardig vinden als de rechter inderdaad niet zou toetsen op de feitelijke gang van zaken. Vergeet niet dat dat plan van aanpak nog steeds moet worden gemaakt. De werkgever hoeft alleen niet meer schriftelijk te rapporteren over de uitvoering ervan. Dat sluit goed aan op de gewoonte van het grootste deel van het bedrijfsleven: geen schriftelijke rapportage. Natuurlijk: grote petrochemische ondernemingen hebben hun interne procedures, maar het MKB heeft genoeg aan een RI&E. Op basis daarvan moet de werkgever maatregelen nemen.’

 

Die RI&E komt vaak terug in het betoog van Van Mierlo. Werkgevers zijn zelf verantwoordelijk, zo benadrukt hij keer op keer. Laat het dan ook aan henzelf over hoe ze hun RI&E gaan uitvoeren. Dit klinkt logisch, maar uit cijfers van het ministerie van SZW blijkt dat 88 procent van de werknemers werkt in een organisatie met een RI&E. 12 procent van de werknemers werkt dus voor een werkgever die niet beschikt over de basis voor een arbobeleid.

 

Van Mierlo is niet onder de indruk. ‘De RI&E moet aansluiten op de bedrijfsactiviteiten. Dan zien werkgevers er het nut van in. Dat is nu niet altijd het geval. Sommige verhalen die wij horen… Komt er iemand van de arbodienst langs bij een bedrijf en die vraagt of er wordt gewerkt met chemische stoffen. ‘Nee’, zegt de ondernemer. Die arbodienst weer: ‘O nee? Wat stopt u dan in uw afwasmachine?’ Tja, dat soort vragen kun je natuurlijk niet serieus nemen.’ Dat mag zo zijn, maar het blijft moeilijk om beleid te baseren op een RI&E die er niet is. Van Mierlo: ‘Daarom is MKB Nederland gestart met meerjarige activiteiten om arbo dichter bij het bedrijf te brengen. Verder zijn we per sector aan het bekijken waar die RI&E aan moet voldoen. Los daarvan’, voegt Van Mierlo eraan toe, ‘vergeet niet dat bij die tien procent zonder RI&E geen hoogrisicobedrijven zitten. Die zijn er door de Arbeidsinspectie allemaal al uitgehaald.’

 

Die laatste uitspraak staat niet op zichzelf. Ook dat verschil tussen hoogrisico- en laagrisicobedrijven duikt regelmatig op in het gesprek met de werkgeversvertegenwoordiger. Stel strenge regels op voor bijvoorbeeld gasflessen, zegt Van Mierlo, maar ga niet tot de millimeter nauwkeurig regelen hoe de werkgever zijn beeldschermen moet opstellen. Het klinkt logisch.

 

Poort reageert verontwaardigd. ‘De SER heeft dat verschil tussen hoge en lage risico’s van tafel geveegd. Maar Van Hoof gebruikt het nog steeds. De Arbeidsinspectie moet zich vooral bezighouden met grote risico’s, zegt hij. Wat hij nog steeds niet begrijpt, is dat risico bestaat uit kans maal effect. In bepaalde kantoorbranches kan RSI een veel groter risico vormen dan valgevaar in de bouw. Goed, het effect is misschien minder dramatisch, maar als die kans maar groot genoeg is, komt de vermenigvuldiging toch hoger uit.’

 

Verhagen valt hem bij. ‘Stel, ik werk bij een noodlijdende bank en ik zit met al mijn collega’s de hele dag met laptops achter keukentafeltjes. Dan is het RSI-risico op dat moment misschien wel groter dan het ontploffingsrisico bij het petrochemisch bedrijf een eindje verderop. In Denemarken stond daglicht een paar jaar geleden in de top drie van risico’s.’ Maar volgens Van Mierlo moeten we niet verstrikt raken in een woordenspel. ‘Waar het om gaat is dat de arboregelgeving al goed is geregeld op Europees niveau. Soms is het verstandig om daar een nationale kop bovenop te zetten – in het geval van oplosmiddelen bijvoorbeeld – maar meestal is dat overbodig. Het enige wat je nodig hebt, is een verstandige overheid en een verstandige Arbeidsinspectie. Die moeten zich de vraag stellen wat de grootste uitval veroorzaakt, en daar hun aandacht op richten.’

 

Terug naar het wetsvoorstel. Dat spreekt niet langer van hoge en lage risico’s, maar van doelvoorschriften en middelvoorschriften. Die eerste horen in de wet, de tweede in de arbocatalogi die de branches kunnen opstellen. Het idee is simpel: de wet bepaalt dat werknemers daglicht moeten krijgen, werkgevers en werknemers in de verschillende sectoren berekenen vervolgens hoe groot de ramen moeten zijn. Een ander voorbeeld: de wet regelt dat niemand te zwaar mag tillen; de branches bepalen dat de zakken beton kleiner worden.

 

Werkgevers en bonden zijn het bovendien eens over het ultieme doelvoorschrift: dat is concreet, het liefst met een wettelijke grenswaarde erbij. Niet meer dan zoveel kilo dus. En minstens zoveel lux.

 

Helaas valt het in de praktijk allemaal tegen. De twee voorbeelden hierboven zijn niet willekeurig gekozen. Juist bij daglicht en tillen is het verre van simpel wat nu precies in de wet hoort en wat in de catalogi. Begin tegen Van Mierlo bijvoorbeeld niet over een wettelijke tilnorm. ‘Tillen is nu net een voorbeeld van een risico waarbij je geen grenswaarde moet aangeven in de wet. Dat is niet houdbaar omdat zo’n norm te weinig rekening houdt met de verschillende soorten werk. Als je je aan die 25 kilo van de FNV wilt houden, kun je geen bejaarde meer uit bed tillen.’

 

Onzin, vindt Verhagen. ‘In de wet zitten altijd redelijkerwijsclausules of tijdelijke vrijstellingsregelingen. Maar je moet wel een norm hebben, want regelmatig zwaarder tillen dan 25 kilo is schadelijk. Die 25 kilo is een heel geschikte grenswaarde, en niet eens zo’n hele strenge. Bij een maximum van 25 kilo is vastgesteld dat 90 procent van de mannen geen klachten zal oplopen en 70 procent van de vrouwen. Een groot deel loopt dus wel risico.’

 

Toch moeten de branches het regelen, houdt Van Mierlo vol. ‘Mensen houden zich beter aan regels als ze die zelf hebben bedacht. En werkgevers en werknemers kunnen dat. Dat hebben ze bewezen tijdens de arboconvenanten.’

 

Verhagen weer: ‘Ik kan soms moeilijk peilen wat werkgevers willen. We hebben met z’n allen in de SER afgesproken dat we duidelijke, wetenschappelijke grenswaarden willen in het publieke domein. Dat valt niet altijd mee, maar we moeten er wel naar streven.’

 

Een enigszins stekelige discussie dus, langs voorspelbare ideologische lijnen. Maar toch zijn het niet alleen de klassieke werkgevers-werknemers-tegenstellingen die de zaak ingewikkeld maken. Soms is de zaak gewoon ingewikkeld. Hoe wil de FNV bijvoorbeeld ‘daglicht’ regelen in een helder doelvoorschrift?

 

‘Dat is een lastige’, geeft Verhagen toe. ‘Het ligt voor de hand om dan de hoeveelheid lux te nemen als grenswaarde, maar dat is niet de enige belangrijke factor. De lichtinval is bijvoorbeeld ook belangrijk; dat merk je als het licht onder een verkeerde hoek op je beeldscherm valt. Daarom willen wij in dit geval aansluiten bij het Bouwbesluit. Dat is heel praktisch: het bepaalt bijvoorbeeld hoeveel vierkante meter raam er moet zijn voor een vertrek van een bepaalde grootte.’

 

Maar wacht eens… Dat klinkt niet als een doelvoorschrift, maar meer als een middel om dat doel te bereiken. De oppervlakte van de ramen, dat moeten de sectoren toch bepalen? ‘Dat zou je kunnen zeggen’, geeft Verhagen toe, ‘maar zoals gezegd: er is in dit geval geen goede grenswaarde te geven. Af en toe moeten de werkgevers wat water bij de wijn doen. Wij doen dat ook bij die tilnorm. Tien procent van de mannen en dertig procent van de vrouwen krijgt wel last. Ook met een wettelijke norm.’

 

Om nog even bij dat tillen te blijven: in de toekomst staat iedereen die op last van de baas meer dan 25 kilo van de vloer moet krijgen, in een lastige spagaat. Want enerzijds heeft hij volgens de wet de plicht om zijn eigen veiligheid in de gaten te houden, anderzijds moet hij zich houden aan de instructies van de werkgever. Dat dit dramatisch kan botsen, bewees ook de brand in het Catshuis. Rob Poort: ‘De werknemers daar deden precies wat ze was opgedragen: ze verwijderden de waslaag van de vloeren met thinner. Dat was verboden, en het was ook gevaarlijk, gezien de brandende kachel in dezelfde kamer. Maar nogmaals: de werkgever had ze gezegd dat ze het moesten doen.’

 

Dat was een specifieke situatie, vindt Van Mierlo. ‘Kijk, ik kan niet mijn hand in het vuur steken voor alle werkgevers, maar verreweg de meesten beseffen dat de veiligheid van hun werknemers heel belangrijk is. Daarom kun je ervan uitgaan dat de werkgever op basis van de RI&E helmen en gehoorbescherming ter beschikking stelt en de medewerkers opdraagt om die te gebruiken. De nieuwe wet geeft aan dat werknemers dat dan ook moeten doen. En verreweg de meesten houden zich daaraan.’

 

Wie de heren hoort discussieren, krijgt geleidelijk het idee dat hun standpunten nauw verbonden zijn met hun mensbeeld. Bij MKB Nederland geven ze hun leden – en ook de werknemers – het voordeel van de twijfel; bij de FNV ligt dat vertrouwen aanmerkelijk lager. Luister naar Verhagen: ‘Ik heb de indruk dat de werkgevers nogal eens met een roze bril achter hun bureau zitten. In hoeverre weten ze werkelijk wat er in het land aan de hand is?’

 

De laatste hittegolf leverde hem de nodige munitie. ‘Wij hebben daar een meldlijn over gehouden. Dan denk je dat daar wel veel onbenullige klachten bij zullen zitten. Zo van: ‘Het is buiten 26 graden en het wordt nu binnen ook wel warm.’ Niks hoor. Van de eerste tien meldingen die ik las, waren er acht schrijnend. Zwangere vrouwen die moesten doorwerken bij 35 graden, mensen die de hele dag in de hitte stonden en alleen in de pauze mochten drinken.’

 

Poort komt met een ander voorbeeld van foute werkgevers. ‘Tijdens het wereldkampioenschap voetbal heeft de brandweer een onderzoek gedaan naar de feestversiering in cafe’s. Wat bleek? 75 procent had materiaal hangen dat niet brandveilig was. Die kroegbazen kopen hun vlaggetjes gewoon bij de Makro. Vijf jaar na Volendam!’

 

Van Mierlo reageert verontwaardigd. ‘Nee, daar weiger ik in mee te gaan. Dat is een fout beeld dat hier wordt geschetst. Vergeet niet dat werkgevers een loondoorbetalingsverplichting hebben bij ziekte. Dat is een voldoende extra prikkel om de zaak goed in orde te hebben. Werkgevers staan voor een goed personeelsbeleid. Zonder dat kunnen ze toch geen goed bedrijfsresultaat behalen?’

 

Reageer op dit artikel