artikel

Meer inspanning, weinig resultaat

Geen categorie

Het eerste deel van het onderzoek richtte zich op het effect van de adviezen op de hoeveelheid beweging en de fitheid van de deelnemers. Lichamelijke activiteit werd gemeten met behulp van een vragenlijst en een gestructureerd interview. Met de vragenlijst werd in kaart gebracht in hoeverre de deelnemers aan de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen voldeden. Deze norm stelt dat we minstens vijf dagen per week ten minste een half uur per dag matig intensief moeten bewegen om gezond te blijven.Verder werd aan de hand van de vragenlijst het effect van de adviezen bepaald op sportieve activiteiten (sportindex) en op overige lichamelijke activiteiten tijdens de vrije tijd (vrije-tijdindex).

 

Bij het interview werd heel nauwkeurig gevraagd naar alle activiteiten in de afgelopen zeven dagen.

 

Aan de hand van de antwoorden werd het energieverbruik van de respondent berekend.

 

Uit deze metingen bleek dat werknemers met een bewegingsadvies meer energie gingen verbruiken (zie tabel 1) en hoger scoorden op de sportindex dan de controlegroep. Met een submaximale fietstest werd vastgesteld dat hun conditie was verbeterd, terwijl de conditie van de werknemers uit de controlegroep juist achteruit was gegaan (zie tabel 1).

 

De adviezen bleken echter geen aantoonbaar effect te hebben op het percentage werknemers dat aan de bewegingsnorm voldeed. Gedurende de looptijd van de onderzoeken daalde dat zelfs. Procentueel gezien was deze daling vrijwel gelijk voor de interventie-

 

en de controlegroep (6 procent versus 6,6 procent; zie tabel 1).

 

ONDERZOEKSMETHODE

 

Het doel van het onderzoek was om het effect van een advies op maat ter stimulering van bewegen te onderzoeken. Hierbij is gekeken naar het effect op lichamelijke activiteit, fitheid, gezondheid en ziekteverzuim. Om het effect op deze factoren na te gaan zijn vragenlijsten en fitheids- en gezondheidstesten gebruikt. Ziekteverzuimgegevens waren afkomstig van de personeel-en-organisatieafdelingen van de betrokken gemeentelijke diensten van de gemeente Enschede.

 

 

In het tweede deel van het onderzoek stond het effect van de bewegingsadviezen op de gezondheid centraal. Daarbij werd onder andere gekeken naar de uitwerking op enkele cardiovasculaire risico-

 

factoren, zoals lichaamssamenstelling, bloeddruk en cholesterol. Daarnaast werden de gevolgen in kaart gebracht voor klachten aan het bewegingsapparaat.

 

Specifiek ging het hierbij om klachten aan de lage rug en de bovenste extremiteiten:

 

hand, pols, arm, elleboog, schouder en nek.

 

Uit het onderzoek kwam een directe relatie naar voren tussen de bewegingsadviezen, het vetpercentage en het cholesterolgehalte. Zowel bij de interventiegroep als bij de controlegroep trad een lichte daling (= verbetering) op. Deze daling was iets sterker in de interventiegroep.

 

Voor de andere voornoemde gezondheidsfactoren werden echter geen effecten gevonden. De daling in de bloeddruk en vermindering van het aantal klachten aan het bewegingsapparaat was in beide groepen ongeveer even groot (zie tabel 1). Wel vond binnen de interventiegroep een sterkere daling plaats van klachten aan de bovenste extremiteiten dan in de controlegroep (achttien versus zes procent;

 

zie tabel 1). De deelnemers van de controlegroep hadden echter al bij aanvang van het onderzoek relatief minder klachten gerapporteerd (73 procent in de interventiegroep versus 62 procent in de controlegroep).

 

Het derde deel van het onderzoek draaide om het effect van counseling op ziekteverzuim. Over een periode van drie jaar werden daartoe verzuimgegevens verzameld: vanaf het jaar voor de start van de interventie (1999/2000) tot en met een jaar na afloop van de interventie (2001/2002).

 

Een effect op ziekteverzuim kon niet worden aangetoond.

 

Weliswaar bleken gecounselde werknemers gemiddeld zes dagen per jaar minder te verzuimen dan de anderen, maar aan dat gegeven mogen geen conclusies worden verbonden. Probleem was dat het onderzoek – zoals vele andere op dit terrein – was opgezet om effecten aan te kunnen tonen op lichamelijke activiteit en fitheid. En dus niet op ziekteverzuim. Voor het aantonen van een dergelijk effect is een grotere onderzoekspopulatie nodig.

 

Die is echter vaak lastig te realiseren.

 

Ook bleek het onmogelijk om hard te maken dat bewegingsadviezen tot lagere verzuimkosten leiden.

 

De totale kosten voor de uitvoering van het programma bedroegen € 430,– per deelnemer. In de periode dat de bewegingsadviezen werden gegeven lagen de verzuimkosten in de interventiegroep gemiddeld iets lager dan in de controlegroep. Dit verschil bedroeg € 125,– per deelnemer. Daarmee kwamen de kosten van het programma per deelnemer op € 305,– (kosten minus baten). In de negen maanden na de beeindiging van het adviesproject groeide het kostenverschil tussen wel en niet geadviseerde werknemers echter aanzienlijk tot € 635,–. Hoewel we deze kosten om methodologische redenen niet zonder meer kunnen aftrekken van de kosten van het programma, lijkt de interventie op langere termijn baten op te leveren (zie tabel 2).

 

Maar ook voor de kosten en de baten van de adviezen geldt dat een grotere onderzoekspopulatie noodzakelijk is om er harde uitspraken over te kunnen doen.

 

TABEL 1. ONDERZOEKSRESULTATEN IN CIJFERS (VOORAFGAAND EN NA AFLOOP VAN DE INTERVENTIE)

 

 

TABEL 2. KOSTEN EN BATEN

 

 

Door middel van een literatuuronderzoek is gekeken wat er bekend is over de effectiviteit van bewegingsprogramma’s.

 

In het algemeen blijkt het slecht gesteld met de kwaliteit van onderzoeken hiernaar.

 

Daarom is het lastig om een eenduidig oordeel te vellen over de effectiviteit. Uit de literatuur valt die niet zomaar af te leiden. Vanwege de beperkt aanwezige literatuur kan voorzichtig worden geconcludeerd dat individuele programma’s effect hebben op de lichamelijke activiteit en de fitheid.

 

Groepsgewijze programma’s lijken aangewezen om de hoeveelheid klachten aan het bewegingsapparaat terug te brengen.

 

Een op maat gesneden bewegingsadvies leidt tot meer beweging, vooral in de vorm van intensievere (sportieve) activiteiten. Ook worden mensen aantoonbaar fitter. Een gunstig effect op het ziekteverzuim werd wel gevonden, maar de daling van het verzuim was te gering om statistisch significant te zijn. Er is reden om aan te nemen dat bewegingsadviezen meer geld opleveren dan dat zij kosten, maar ook dit is statistisch gezien niet hard gemaakt.

 

Vervolgonderzoek met een grotere onderzoekspopulatie is nodig om aan te tonen dat de kosten van het advies worden terugverdiend door afnemend verzuim.

 

MEER INFO

 

Karin Proper, Effectiveness of worksite physical

 

activity counseling, Hoofddorp 2003. Het proefschrift

 

is te bestellen bij TNO Arbeid, Postbus 718, 2130 AS Hoofddorp, website: www.arbeid.tno.nl.

 

SAMENVATTING

 

Uit het promotieonderzoek van Karin Proper blijkt dat werknemers actiever en fitter worden wanneer zij een op maat gesneden bewegingsadvies krijgen. Ook blijken hun lichaamsvetpercentage en cholesterolgehalte lager te zijn dan van niet-geadviseerde collega’s. Het is echter niet hard te maken dat bewegingsadviezen ook bijdragen tot een lager ziekteverzuim. Het onderzoek liet een verschil zien van zes verzuimdagen tussen de interventie- en de controlegroep. Dit verschil was echter niet statistisch significant. Hetzelfde geldt voor de uitgevoerde kosten-batenanalyse. In het jaar na afloop van het programma waren de baten als gevolg van een verminderd ziekteverzuim groter dan de daarvoor gedane investeringen. Desondanks kan niet met zekerheid worden gezegd dat de kosten van een bewegingsadvies zichzelf terugverdienen.

 

 

Reageer op dit artikel