artikel

Minder grenswaarden voor gevaarlijke stoffen

Geen categorie

Jarenlang, vanaf 1976, verliep het vaststellen van MAC-waarden via de zogeheten drietrapsprocedure: de Commissie WGD van de Gezondheidsraad adviseert een gezondheidskundige grenswaarde voor stoffen die de gezondheid van werknemers kunnen beinvloeden, de Subcommissie MAC-waarden van de SER toetst vervolgens de sociaal-economische consequenties en praktische haalbaarheid van de grenswaarde, en ten slotte stelt de staatssecretaris van SZW de wettelijke of bestuurlijke grenswaarde vast.

 

Maar de ‘drietrapsraket’ heeft zijn langste tijd gehad, zo lijkt het. In plannen van het kabinet gaat de huidige procedure op de schop. Staatssecretaris Van Hoof van Sociale Zaken en Werkgelegenheid denkt voor de toekomst aan een systeem waarbij bedrijven zelf (privaat) aanvaarde concentraties van gevaarlijke stoffen vaststellen. De overheid schrijft nog maar voor een beperkt aantal stoffen met een hoog risico een (publieke) norm voor. Van Hoof heeft de Sociaal Economische Raad advies gevraagd over zijn plannen.

 

‘De adviesaanvraag heeft bij veel deskundigen geleid tot opgetrokken wenkbrauwen’, weet Theo Scheffers, arbeidshygienist en arboconsultant toxische stoffen bij DSM Geleen. De plannen zijn in een aantal opzichten opvallend. Scheffers: ‘Het kabinet maakt onderscheid in gevaarlijke stoffen met een hoog en laag risico. En er komt een onderscheid tussen publieke (wettelijke) normen en private normen die bedrijven zelf gaan vaststellen. Bovendien verdwijnt de huidige haalbaarheidstoets. Dat zijn belangrijke nieuwigheden.’

 

Voor gevaarlijke stoffen met hoog risico wil het kabinet wettelijke normen handhaven, maar liefst zo min mogelijk. In de plannen gelden als criteria voor een hoog-risicostof: ‘een ernstig effect van de stof op zich’ (dus los van de blootstelling) of ‘een hoge, veelvoorkomende blootstelling, en waardoor blijvende gezondheidsschade als gevolg van blootstelling aan deze stoffen zich bij veel werknemers kan voordoen’.

 

Vooral het verschil tussen laag en hoog risico van gevaarlijke stoffen leidt bij Scheffers tot verbazing. En niet alleen bij hem, zegt hij. Scheffers: ‘Het onderscheid tussen hoog en laag risico roept bij veel mensen vraagtekens op. Voor de beoordeling van risico heb je twee dingen nodig: het gevaarsaspect van een stof en gegevens over de blootstelling. Het gevaarsaspect gaat over stofeigenschappen; je moet weten bij welke concentraties en duur een stof irritaties geeft, kanker veroorzaakt of het nageslacht beinvloedt. Daarna moet je iets weten over de blootstelling. Alleen door de combinatie van grenswaarde en blootstelling kun je indruk geven hoe hoog een risico is.’ ‘Klopt’, zegt Freek de Wolff, hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Leiden. Ook hij vindt het ‘verschrikkelijk lastig’ om van hoog en laag risico te spreken. ‘Het is moeilijk om daar iets in zijn algemeenheid over te zeggen. Dat moet je per geval apart bekijken. Gaat het om gevoeligheid van een bepaalde populatie? Lopen zwangere vrouwen een hoog risico? Het leidt in eerste instantie tot meer vragen dan antwoorden’, aldus De Wolff.

 

Ook Mart van der Steeg, arbeidshygienist/veiligheidskundige van de Dienst Arbo en Milieu van de Vrije Universiteit Amsterdam noemt het ‘een arbitrair onderscheid’. Van der Steeg: ‘Het verbaast mij. Er zijn natuurlijk stoffen die acuut dodelijk zijn, kanker of wat ook veroorzaken. Van andere stoffen weten we dat niet of openbaren effecten zich pas op langere termijn. Dat geldt zeker voor nieuwe stoffen op de markt. Dat vind ik ‘tricky’. Hoe maak je het onderscheid straks? Wordt het stelsel daardoor niet heel diffuus? Ik heb de nodige vraagtekens of dit een juiste oplossing is voor de geschetste problemen. Ik vraag me af of dit de juiste weg is.’

 

De grote kritiek op de huidige procedure van vaststelling van MAC-waarden is de traagheid van procedure. Het duurt soms wel vijf tot zeven jaar voordat een stof de ‘drietrapsraket’ heeft doorlopen en een grenswaarde vastgesteld kan worden. In de afgelopen 25 jaar zijn voor 180 stoffen MAC-waarden benoemd. Ook is er niet altijd duidelijke prioriteitstelling welke stoffen nodig een MAC-waarde vereisen. Verder is er gebrek aan internationale afstemming en samenwerking, waardoor er inefficient en soms dubbelop wordt gewerkt.

 

Het huidige systeem is niet optimaal, weet ook Mart van der Steeg. ‘Een deel van de MAC-waarden is gebaseerd op Amerikaanse normen. Die waren niet allemaal even goed onderbouwd.

 

De laatste jaren is een deel van de buitenlandse MAC-waarden tegen het licht gehouden en zonodig bijgesteld en veelal verlaagd. Het belangrijkste is dat MAC-waarden onafhankelijk en deskundig worden vastgesteld.’ Van der Steeg heeft daarom twijfels bij het voorstel voor een publiek en privaat stelsel waarbinnen bedrijven voor een deel zelf verantwoordelijk worden voor het vaststellen van grenswaarden. Van der Steeg: ‘Zeker als ik kijk naar het midden- en kleinbedrijf. Ik betwijfel of zij voldoende knowhow hebben om met gevaarlijke stoffen om te gaan.’

 

Maar volgens Theo Scheffers gaat de SER-aanvraag specifiek over hoe je grenswaarden in de toekomst moet vaststellen. Scheffers: ‘De overheid legt de verantwoordelijkheid voor MAC-waarden waar zij vindt dat die hoort te liggen, bij de producenten. Het heeft niet te maken met hoe het MKB op de werkplek met MAC-waarden omgaat.’

 

Van der Steeg: ‘Dat maak ik niet op uit de SER-aanvraag. Er staat nergens dat het alleen over producenten gaat. Wat er niet staat, lees ik niet.’

 

Meer vraagtekens dus. Woordvoerder Rene Bakker van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de exacte bedoelingen van de plannen: ‘De voorstellen gaan zowel over het vaststellen van grenswaarden door producenten als de omgang met gevaarlijke stoffen binnen bedrijven. De plannen zijn vooral bedoeld om bedrijven op de werkvloer goed met gevaarlijke stoffen te laten omgaan.’

 

Hoogleraar toxicologie De Wolff is daar niet gerust op. ‘Ik ben een groot voorstander van het terugdringen van regelgeving. Maar het moet wel haalbaar zijn’, zegt hij. De Wolff: ‘Ik vind het heel griezelig om het vaststellen van grenswaarden aan de private sector over te laten. Die is belanghebbend. Je moet belanghebbenden niet hun eigen regels laten opstellen. Als een bedrijf zelf verantwoordelijk wordt voor de toegestane waarden van de stof waarmee gewerkt wordt binnen een bedrijf, kunnen bepaalde gegevens in het voordeel van de gebruiker worden geinterpreteerd. Dit soort zaken moeten bij de centrale overheid blijven. De overheid heeft nu in het vaandel staan om terug te treden. Niet omdat ze het zo leuk vinden, maar omdat het goedkoper is. Op het moment dat het bij de onafhankelijke overheid blijft, gaat het primair om de gezondheid van werknemers. Minder om de portemonnee van hun bazen.’

 

Ook Van der Steeg vreest voor een glijdende schaal. ‘Over de juistheid en compleetheid van de huidige veiligheidsinformatiebladen bestaat al jarenlang discussie en dat loopt nog niet best. Waarom zou het nu ineens wel goed gaan? Bij een terugtrekkende overheid riskeer je dat zaken verdunnen en diffuus worden en dingen minder goed worden opgepakt. Ik ben bang dat je op een glijdende schaal terechtkomt, waarbij je tevoren niet weet waar het eindigt. Zeker bij gevaarlijke stoffen vind ik dat wel belangrijk. Een publiek-privaat onderscheid zou niet mijn insteek zijn .’

 

Arbeidshygienist Scheffers ziet daarentegen voordelen aan een grotere private verantwoordelijkheid. ‘Nu kijkt de Gezondheidsraad in alle toxicologische boeken en maakt een samenvatting. Dat is een goede maar kostbare procedure. Waarschijnlijk worden in de toekomst de rollen omgekeerd. De producent maakt een grenswaardedocument en komt met een voorstel dat bijvoorbeeld door de Gezondheidsraad wordt getoetst. Dat werkt beter en sneller. Het is in ieder geval voor de overheid goedkoper, want die wentelt de kosten af op het bedrijfsleven.’ Scheffers wijst ook op het programma DOSbase, waarin ook private grenswaarden zijn opgenomen. ‘Het programma DOSbase geeft veel meer grenswaarden dan de Nederlandse MAC-lijst. Daar zitten ook bedrijfsgrenswaarden in. Ook van buitenlandse producenten. Mensen in de praktijk hebben een richtsnoer nodig. Vermoedelijk heeft de overheid dat gezien en bedacht om dat uit te breiden’, aldus Scheffers.

 

Efficienter wordt het volgens hem alleen als er straks goede spelregels gelden. Er moet voorkomen worden dat bedrijven stoffen in de toekomst verschillend beoordelen. De invoering van een privaat systeem vergt daarom de nodige randvoorwaarden, stelt Scheffers. ‘Er moet een databank komen waarin alle bedrijfsgrenswaarden van producenten te raadplegen zijn. Om te voorkomen dat de risico’s voor benzeen door producent X anders beoordeeld worden dan door producent Y, moet aanmelding bij de databank centraal geregeld worden. Anders krijg je straks allemaal verschillende waarden naast elkaar. Er moeten ook duidelijke afspraken komen over meetmethoden. Hoe gaan we meten, zodanig dat er in Zeeland hetzelfde uitkomt als in Groningen?’

 

De Wolff: ‘De meetmethoden van stoffen in de lucht zijn zo goed geworden dat daar bijna geen tweespalt meer over ontstaat. Het gaat eerder over interpretatie van getallen en wat wel en niet acceptabel is voor de mens. Daar zitten allerlei discutabele elementen. Je moet vooral voorkomen dat er geen conflicterende gegevens in omloop zijn. Dat is een reeel risico. Je kunt eindeloos twisten over hoe je tot een vaststelling van zo’n waarde komt. Er spelen allerlei factoren als individuele gevoeligheid, leeftijd, geslacht. Door die variabelen kunnen bedrijven tot verschillende conclusies komen.’ Van der Steeg: ‘Ik vind het heel belangrijk dat de onderbouwing van waarden inzichtelijk is. Je moet niet terugkeren naar vaag onderbouwde normen zoals vroeger bij de buitenlandse normen het geval was. Die kant wil je niet meer op.’

 

Op termijn kijkt iedereen voor de kwaliteitsgaranties naar Europa. Scheffers: ‘Het scheidsrechterschap over grenswaarden lijkt mij een taak van de Gezondheidsraad in Nederland of, liever nog, in Europa. Het Europese aspect wordt heel belangrijk. Het mag natuurlijk niet zo zijn dat productie over de grens miljoenen euro’s scheelt, omdat daar andere normen gelden.’

 

Ook Van der Steeg begrijpt niet zo goed waarom eerdere plannen voor Europese harmonisatie niet tot uitvoering komen. ‘Daar werd in 1991 al over gesproken. Het lijkt me goed tot een Europese kwaliteitsgarantie te komen. Het is misschien niet overal tegelijk haalbaar, maar het gaat erom dat je daarnaar toe werkt.’

 

Scheffers: ‘Het setje Europese normen is nog heel beperkt. Op de Nederlandse MAC-lijst staan al zo’n duizend stoffen. Daar zit een hiaat tussen. En overlap. Stoffen die in Nederland zijn beoordeeld, worden ook weer Europees beoordeeld. Flauwekul. Laat dat een organisatie doen. Maar zolang er geen goede Europese instantie is die het kan overnemen, moeten we niet hier onze oude schoenen weggooien.’

 

‘Op den duur ontkom je niet aan Europese normen’, meent ook De Wolff. ‘Maar voorlopig lijkt Europa niet werkbaar. Europa is enorm stroperig. Het duurt eindeloos. Ik ben geen voorstander om daarop te wachten. Ik zou zeggen: houd voorlopig onze drietrap in stand en probeer de huidige procedure te versnellen .’ Dat laatste heeft ook de voorkeur van Van der Steeg.

 

Toch voorzien de plannen van het kabinet in het afstoten van de tweede trap: de haalbaarheidstoets door de SER-commissie gaat er tussenuit. De bedoeling is dat daarvoor in de plaats brancheorganisaties ‘good practices’ opstellen. Uit de haalbaarheidstoets zou vooral blijken dat veel bedrijven moeilijk aan de wettelijke normen kunnen voldoen. Scheffers: ‘Dus schaf je ze maar af? Dat lijkt mij toch niet de bedoeling.’ De arbeidshygienist ervaart dat juist de haalbaarheidstoets veel oplevert. Scheffers: ‘Het lijkt mij zeker zinvol om de maatschappelijke toetsing op een of andere manier in stand te houden. Juist de huidige haalbaarheidstoets zet aan tot veel onderzoek op de werkplek en verschaft veel informatie. Dat is hartstikke goed. Wat dat betreft werkt de SER zeer stimulerend. Je kunt het misschien iets anders organiseren, maar je moet het wel behouden.’

 

Reageer op dit artikel