artikel

Nieuwe inzichten in blootstelling aan lasrook

Geen categorie

Hoewel de grenswaarde van 3,5 mg/m3 voorlopig nog blijft, zal in het traject tot 1 april 2010 gestreefd moeten worden naar verdere verlaging van de blootstelling tot onder het niveau van 1,0 mg/m3. In het overgangstraject naar 1,0 mg/m3 is het de vraag of de Praktijkrichtlijn de lasser voldoende beschermt om naar de nieuwe grenswaarde toe te werken. Dit is moeilijk vast te stellen; de Praktijkrichtlijn geeft geen (kwantitatief) inzicht in de blootstelling en adviseert uitsluitend welke beheersmethoden ingezet moeten worden. Mogelijk biedt een arbocatalogus in wording enig houvast. Voorlopig blijft de centrale vraag hoe de arbo-deskundige om moet gaan met deze situatie.

 

Een deel van de oplossing wordt wellicht gevonden door een nieuwe tool in het adviespallet van de arbo-deskundige: de Lasrook Assistent. Dankzij een subsidie uit het STECR-financieringsfonds Aladdin hebben IRAS (Universiteit Utrecht) en ArboUnie dit nieuwe instrument ontwikkeld dat wetenschappelijke en praktische kennis samenbrengt in een praktijkgericht programma.

 

Een uitdaging bij het ontwikkelen van de Lasrook Assistent was om de blootstelling aan lasrook te voorspellen aan de hand van plaatselijke omstandigheden. Naast bekende blootstellingbepalende factoren, zoals lastechniek, bewerkt materiaal en inschakelduur, kijkt het programma ook naar andere mogelijk relevante factoren. Een grote database met 1250 lasrookmetingen uit Nederlandse onderzoeken van de laatste 25 jaar is hiervoor het uitgangspunt. Naast de hoogte van de blootstelling bevat deze database ook veel contextuele informatie over de bemeten situaties. Bijvoorbeeld de inzet van verschillende soorten beheersmaatregelen en gedragskenmerken van de lasser.

 

Met deze gegevens is een statistisch model gebouwd dat de blootstelling aan lasrook het beste voorspelt. Factoren die de meeste invloed bleken te hebben op de blootstelling, zijn gemodelleerd en vervolgens in de Lasrook Assistent opgenomen. Groot pluspunt is dat er alleen ‘harde’ gegevens zijn gebruikt, zonder aannames over de relevantie van bepaalde blootstellingbepalende factoren. We spreken dus van een ‘evidence-based’ benadering.

 

Nadat het best voorspellende model verwerkt was tot gebruiksvriendelijke software, zijn bij vijf bedrijven vijftig blootstellingsmetingen uitgevoerd. Hierbij is gekeken of de voorspelde blootstelling met de Lasrook Assistent overeenkwam met de meting. Deze resultaten waren bemoedigend en hebben geleid tot een beter conceptontwerp. De Lasrook Assistent versie 1.0 was hiermee geboren. Hiermee kan de gebruiker de dagblootstelling aan lasrook kwantitatief voorspellen (in mg/m3 lasrook), gebaseerd op aangeleverde informatie over de te beoordelen praktijksituatie. Deze informatie voert de gebruiker in met het beantwoorden van tien vragen. De betrouwbaarheid van de schatting wordt gegeven in de vorm van een betrouwbaarheidsinterval. Vervolgens kan de Lasrook Assistent verbeteringen doorvoeren in de beoordeelde situatie om de blootstelling te verlagen. Hierbij wordt rekening gehouden met beheersmaatregelen die eventueel al ingezet worden. Ook het effect van de aangeraden beheersmaatregelen wordt berekend, zowel absoluut (in mg/m3) als relatief ten opzichte van de bestaande situatie (in procenten). Zo kan de gebruiker zelf bepalen welke interventies het beste in de situatie of het budget passen. Een deel van de aanbevolen beheersmaatregelen is toegespitst op de werkwijze van de lasser en brengt niet altijd een investering met zich mee.

 

Zowel de Lasrook Assistent als de Praktijkrichtlijn beoordeelt lastechniek en bewerkt materiaal als meest bepalende determinanten van blootstelling. Een verschil is dat de Praktijkrichtlijn alleen technische beheersmaatregelen bekijkt en een ja/nee-beoordeling geeft zonder dat exacte onderliggende gegevens bekend zijn. De Lasrook Assistent geeft het effect van beheersmaatregelen op basis van meetgegevens uit de praktijk. Bij onderlinge vergelijking blijkt dat suboptimaal gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en afzuigingsvoorzieningen voor lasrook leiden tot een beduidend lagere reductiefactor dan de Praktijkrichtlijn hanteert. Ook de ingeademde omgevingslucht, op momenten dat niet gelast wordt, en niet-gedragen persoonlijke beschermingsmiddelen dragen bij aan de (dag)blootstelling van de lasser. In de praktijk valt de effectiviteit van beheersmaatregelen dus vaak tegen.

 

Een logische stap zou zijn om de sterke punten van beide instrumenten te gebruiken. Van vervanging van de Praktijkrichtlijn door de Lasrook Assistent is dus geen sprake. De laatste geeft inzicht in de hotspots, de plekken waar de blootstelling het hoogst wordt verwacht. De Praktijkrichtlijn houdt echter extra rekening met mogelijke risicocomponenten in de lasrook (voorbeeld Chroom-VI), omdat de Lasrook Assistent hier geen informatie over geeft. Vervolgens geven beide instrumenten suggesties voor beheersmaatregelen. De Lasrook Assistent geeft bovendien inzicht in de effectiviteit hiervan en biedt de mogelijkheid voor een kostenefficiente aanpak. De Lasrook Assistent is kosteloos beschikbaar via www.lasrookassistent.nl, waar u ook meer informatie kunt vinden. Training in het gebruik van de Lasrook Assistent wordt als workshop aangeboden door IndusTox Consult.

 

Reageer op dit artikel