artikel

OAR geen geschikte risicomaat bij verfspuitwerk

Geen categorie

De Occupational Air Requirement (OAR) is een generiek instrument voor de beoordeling van oplosmiddelhoudende producten. Sinds zijn introductie dertig jaar geleden is vervanging van oplosmiddelhoudende producten met behulp van de OAR in Denemarken en Noorwegen de normaalste zaak van de wereld. In beide landen zijn leveranciers van verfproducten verplicht een codering op basis van de OAR (in Denemarken: de MAL-code) op het etiket en/of in de productinformatie te vermelden. In aanvulling hierop geldt een ‘algemene vervangingsplicht’:

 

de gebruiker moet in elke toepassing het product gebruiken met het laagst mogelijke codenummer, dat wil zeggen het product met het laagst mogelijke risico voor de gezondheid. Ook zijn aan elk codenummer eisen gekoppeld over ventilatie en persoonlijke bescherming.

 

In de Nederlandse vervangingsverplichtingen worden maximale oplosmiddelgehaltes voorgeschreven per toepassing. Vervanging met behulp van de OAR werkt ‘generieker’. Op basis van de samenstelling wordt een OAR-getal aan een product toegekend, waarna de gebruiker het product met het laagst mogelijke getal (in een gegeven toepassing) moet kiezen. Hiermee zou gedetailleerde regelgeving voorkomen kunnen worden en dat maakt de OAR interessant voor beleidsmaker en bedrijfsleven. In november 2002 werden in het tijdschrift Arbeidsomstandigheden de methodiek en de voor- en nadelen van het OAR-getal al eens op een rijtje gezet (Verberk et al, ‘02; Groeneveld & Peters, ‘02). Mocht u deze artikelen hebben gemist, dan volgt hieronder een korte beschrijving van de methode.

 

De OAR is een maat waarmee de hoeveelheid verse lucht wordt berekend die nodig is om de concentraties aan oplosmiddelen die vrijkomen bij verwerking van een liter product beneden een grenswaarde

 

– bijvoorbeeld de MAC-waarde – te houden (zie kader). De OAR (m3/l) wordt berekend door de concentratie van elk individueel oplosmiddel te vermenigvuldigen met zijn verdampingfactor ‘f’.

 

Het dimensieloze getal ‘f’, een cijfer tussen de nul en twee, geeft de relatieve verdampingssnelheid weer van het oplosmiddel. Deze factor wordt experimenteel bepaald. De teller wordt vervolgens gedeeld door de grenswaarde, waarna de afzonderlijke OAR-waarden van de individuele oplosmiddelen worden opgeteld voor de berekening van het

 

‘OAR-getal’ van het gehele product. Ten slotte kan aan het product op grond van dit OAR-getal een klassenummer worden toegekend, tussen ‘00’ (minst risicovol) tot ‘5’ (meest risicovol).

 

BEREKENING VAN DE OAR

 

OAR = S (1000 * ci * f )/ MACi

 

Met:

 

OAR = Occupational Air Requirement (m3/ l product)

 

Ci = gehalte oplosmiddel i in product (g/ l product)

 

f = verdampingsfactor (dimensieloos)

 

MACi = Maximale Aanvaarde Concentratie

 

 

In eerder onderzoek is aangetoond dat de OARwaarde een redelijke schatter is van de hoogte van blootstelling die kan ontstaan tijdens het uitvoeren van een zogenaamde ‘standaardverfklus’. Hierbij werd een halve liter verf met een kwast of roller aangebracht bij minimale ventilatie (Brouwer et al; 2001).

 

Dat het OAR-getal ook tijdens spuitwerkzaamheden een goede schatting zal geven van de blootstelling aan oplosmiddelen lijkt echter onwaarschijnlijk.

 

Onderzoek naar blootstellingsdeterminanten en – modellen voor spuitwerk laat zien dat het blootstellingsproces hier bijzonder complex is. Liet het aanbrengen van verf met een roller of kwast al veel verschillende blootstellingsdeterminanten zien (zie bijvoorbeeld Verberk et al., ‘02), de lijst met de factoren die de hoogte van inhalatoire blootstelling bepalen tijdens spuitwerk, is nog veel langer.

 

Vooral de efficientie waarmee de verf wordt overgedragen op het object is van groot belang. Immers, de verfdeeltjes die terugkaatsen of met de luchtstroom aan het object voorbij gaan (de ‘overspray’), zijn vrij beschikbaar om door de werknemer ingeademd te worden. De hoogte van het aanbrengrendement, ofwel het percentage van de lak dat daadwerkelijk belandt daar waar het bedoeld is, blijkt afhankelijk te zijn van het type spuitapparatuur, de afstand van de spuiter tot het object, de bekwaamheid van de spuiter en de geometrie en grootte van het object. Door de grote variatie in blootstellingsdeterminanten zal het zeer moeilijk zijn om een standaardklus te definieren. Toetsing van de OAR op z’n geschiktheid als ‘risicomaat’ is daardoor lastig.

 

Niet alleen zijn er meer blootstellingsdeterminanten bij spuitwerkzaamheden, ook zijn meerdere blootstellingsroutes relevant. Behalve inademing is ook de dermale blootstellingsroute van belang. Zo bleek uit een beoordeling van de huidblootstelling onder autoschadeherstelwerkers dat bij verfspuitwerk tot 26 procent van het totale oppervlak van de werkkleding en/of de onbedekte huid kan worden blootgesteld (de Pater; ‘98). De mogelijke blootstelling via de huid komt in de OAR-berekening in het geheel niet tot uitdrukking.

 

En er zijn meer knelpunten als men de OAR wil toepassen als maat voor het blootstellingsrisico tijdens spuitwerkzaamheden. Zo is de dynamiek waarmee oplosmiddelen vrijkomen na verneveling nog onbekend. Een mogelijke aanname zou kunnen zijn dat alle oplosmiddelen in het verspoten product in een keer vrijkomen. Deze aanname is echter niet gevalideerd, en waarschijnlijk wat al te zeer

 

‘worst case’. Al met al lijkt de OAR in het geval van spuitwerkzaamheden geen goede risico maat.

 

Het ligt dan ook voor de hand om de OAR alleen te gebruiken voor het onderling vergelijken van producten, dus als een gevarenindicator. Daarmee zou de OAR in elk geval dienst kunnen doen als een communicatiemiddel dat de vervanging van gevaarlijke producten bevordert. Een inkoper ziet immers aan het OAR-label welk product veiliger is.

 

Voorwaarde is dan wel dat de OAR een goede weergave is van het werkelijke gezondheidsgevaar van een product. Naar onze mening is dit niet het geval als alleen het huidige OAR-getal gebruikt wordt.

 

Vanuit arbeidshygienisch perspectief is de blootstelling aan niet-vluchtige stoffen tijdens spuitwerkzaamheden even relevant als de blootstelling aan oplosmiddelen. Een illustratie hiervan is te vinden in de carrosseriebranche. Het blijkt dat de hier toegepaste lakken en primers ook nu nog hoge gehalten (tot 25 procent) aan reprotoxische en/of kankerverwekkende loodchromaat-pigmenten kunnen bevatten (Terwoert & Van der Woerd, ‘03). Naast pigmenten kunnen ook isocyanaten, anti-velmiddelen, en epoxyharsen en hun verharders relevante gezondheidsrisico’s opleveren. Metingen laten zien dat de concentraties aan deze stoffen hoog op kunnen lopen tijdens spuitwerkzaamheden.

 

Wil de OAR een correct beeld geven van de gevaareigenschappen van verf tijdens verspuiten, dan ligt een uitbreiding met een tweede getal voor overige gezondheidseffecten voor de hand. Dit is allesbehalve een nieuw idee, aangezien Denemarken al vanaf 1973 een tweecijferig coderingssysteem kent, namelijk de zogenaamde ‘MAL-code’: de Deense afkorting van ‘Verftechnische Arbeidshygienische Luchtbehoefte’. De MAL-code werkt als volgt. Het eerste cijfer staat voor de OAR-klasse en geeft het gevaar weer van de vluchtige bestanddelen in het product. Het tweede cijfer van de MAL-code vormt een indicatie voor de gezondheidsrisico’s van de vaste en niet-vluchtige vloeibare bestanddelen van een product, en van de gezondheidsrisico’s van blootstelling via de huid en de ogen. De voornaamste criteria voor de toekenning van het tweede nummer aan de afzonderlijke bestanddelen zijn:

 

De toegekende R-zinnen en gevaarsymbolen op grond van de Gevaarlijke stoffenrichtlijn van de EU (67/548/EEC).

 

Het voorkomen op Deense officiele lijsten van carcinogene, reproductietoxische en allergene stoffen.

 

In enkele gevallen bepaalde fysisch-chemische parameters (bijv. de pH).

 

Met behulp van concentratiegrenzen wordt vervolgens bepaald of het gehele product ook het betreffende nummer krijgt toegekend.

 

Recent is veel ervaring opgedaan met het classificeren van producten op basis van intrinsieke stofeigenschappen.

 

Zo is onder meer binnen het Europese project ‘Riskofderm’ 1 een classificatiemethode ontwikkeld voor het ‘hazard’ van stoffen en producten;

 

hier vooral met betrekking tot blootstelling via de huid (Schuhmacher et al., ‘03). Deze zogenaamde

 

‘Toolkit’-methodiek lijkt in veel opzichten op de methodiek die voor het tweede cijfer van de MAL-codering wordt gebruikt. In beide gevallen wordt gebruikgemaakt van R-zinnen en fysisch-chemische parameters, en wordt er gewerkt met concentratiegrenzen wanneer producten moeten worden beoordeeld in plaats van zuivere stoffen. De Toolkit-methode lijkt echter wat eenduidiger, en is in ieder geval voor ‘derden’ wat doorzichtiger dan de Deense MAL-codemethodiek.

 

Wordt product-labelling met behulp van de OAR of de MAL-code louter als communicatiemiddel gebruikt, dan lijkt dit slechts in beperkte mate bij te kunnen dragen aan een veiliger werkplek. Daarom zou een introductie van zo’n labellingsysteem – bijvoorbeeld een ‘opgefriste’ MAL-code – gepaard moeten gaan met aanvullende regelgeving, die zorgdraagt voor een verdergaande beheersing van de risico’s. Zo zou, net zoals dat nu in Denemarken het geval is, een werkgever verplicht kunnen worden gesteld om op basis van de productcode het minst schadelijke product te kiezen dat in de gegeven toepassing nog technisch voldoet: een ‘algemene vervangingsplicht’. Daarnaast kan eventueel voor specifieke toepassingen een ‘specifieke vervangingsplicht’ worden geformuleerd. In Denemarken wordt bijvoorbeeld voor verschillende toepassingen van verven een maximum gesteld aan de hoogte van het codenummer van het product. Verder kan bij nader te omschrijven toepassingssituaties gedacht worden aan minimaal vereiste beheersmaatregelen bij het gebruik van een product met een specifieke productcode. Ook dit is in Denemarken al geruime tijd de praktijk.

 

Of de OAR inderdaad een geschikt middel is om vervanging in onder meer de metaalindustrie te stimuleren moet nog blijken. Het voordeel is, dat het een pragmatisch instrument kan zijn waarmee de gebruiker op eenvoudige wijze een selectie kan maken uit productalternatieven. De druk op de beleidsmaker neemt af, en het bedrijfsleven wordt relatief vrij gelaten in de wijze waarop de keuze wordt ingevuld. Zwakke kanten van de OAR en de MAL-code zijn echter het ‘optellen’ van uiteenlopende gezondheidseffecten in de berekening, en het verschil in belang van de dermale en inhalatoire blootstellingsroute per toepassing. Als een tweecijferige code wordt gebruikt (de MAL-code) moet bovendien een afweging worden gemaakt tussen het relatieve belang van inhalatoire versus dermale gezondheidseffecten.

 

Of de voordelen opwegen tegen de nadelen is een discussiepunt dat nu op tafel ligt.

 

REFERENTIES

 

Brouwer, D.H., Pater de A.J., Zomer, C. en M. Lurvink (2001), Experimentele studie ter evaluatie van de OAR-benadering bij het binnenshuis met een kwast verwerken van VOS bevattende verfproducten, TNO Voeding, Zeist 2001.

 

Groeneveld, M. & K. Peters (2002), ‘Generieke beoordeling van oplosmiddelen haalbaar?’, in: Arbeidsomstandigheden 11-02, p. 16-19.

 

Pater de, A.J., Beijer, M.W., Drooge van H.L., Bierman E.P.M. en D.H. Brouwer (2000), Potential ermal exposure during spray painting – a range finding study, TNO Voeding, Zeist.

 

Schuhmacher-Wolz, U., Kalberlah, F., Oppl, R., J.J. van Hemmen (2003) ‘A toolkit for dermal risk assessment: toxicological approach for hazard characterization’, Annals of Occupational Hygiene 47(8): 641-652.

 

Terwoert, J. & H. van der Woerd (2003), Reductie van de blootstelling aan oplosmiddelen in de carrosserienieuwbouw – Nulmeting en stand-dertechniek, IVAM/TME, Amsterdam/Nootdorp.

 

Verberk, M., N. Gret & P. van Broekhuizen (2002) ‘OAR geen alternatief voor vervangingsplicht’, in: Arbeidsomstandigheden 11-02, p. 20-22.

 

 

Reageer op dit artikel