artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Het feit dat een werkgever onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, is geen rechtvaardiging voor een doorbraak van de verjaringstermijn

 

Een man is van 1951 tot 1961, met een onderbreking van vier jaar, als constructiewerker in dienst bij scheepswerf De Schelde.

 

In de zomer van 1993 wordt de diagnose mesothelioom gesteld.

 

Hij overlijdt in februari 1994 op 57-jarige leeftijd.

 

In januari 1994, dus kort voor zijn overlijden, stelt hij De Schelde aansprakelijk voor de schade.

 

Na zijn overlijden zetten zijn weduwe en haar twee dochters de procedure voort.

 

De verzekeraar deelt eind december 1996 mee dat de vordering verjaard is. De erven wijzen in augustus 2000 de verzekeraar op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 april 2000 waaruit zou moeten blijken dat de vordering niet is verjaard. In augustus 2003 vorderen de erven van De Schelde een schadevergoeding van ruim 55.000 euro. De kantonrechter wijst de vordering af en de erven gaan in beroep.

 

Het hof stelt dat – gezien de uitspraak van de Hoge Raad – (van Hese-De Schelde) in beginsel een beroep op de verjaringstermijn van dertig jaar in uitzonderlijke gevallen onaanvaardbaar kan zijn. Of dat zo is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden.

 

Het gaat volgens het hof grotendeels om vergoeding van immateriele schade die ten goede zou moeten komen aan de nabestaanden.

 

Er is geen vergoeding van levensonderhoud gevraagd.

 

Het feit dat de werkgever kan worden verweten dat hij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, betekent nog niet dat dit ook een doorbraak van de verjaringstermijn rechtvaardigt.

 

Zeker omdat de relatie tussen mesothelioom en asbest op dat moment nog niet bekend was.

 

De Schelde hoefde pas na het verschijnen van het proefschrift van Stumphius in 1969 rekening te houden met aansprakelijkheid.

 

Maar toen was het dienstverband al acht jaar geeindigd. Vrij kort nadat de ziekte bekend werd, is De Schelde wel aansprakelijk gesteld.

 

Maar met de vordering tot schadevergoeding is ruim negen jaar gewacht. Alles bij elkaar genomen vindt het hof dat de argumenten voor de doorbraak van de verjaringstermijn te weinig gewicht in de schaal leggen. De uitspraak van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

 

Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 31 augustus 2007, LJN BB4930)

 

Als een werkgever een RI&E op zak heeft, voldoende veiligheidsinstructies geeft en er daarnaast actief toezicht op houdt dat zijn werknemers aan de instructies voldoen, dan voldoet hij aan de matigingsgronden.

 

Eind juli 2006 staat een werknemer op een trap om voedingskabels door te voeren naar enkele aansluitpunten. Hij heeft daarvoor een plafondtegel uit het verlaagde plafond gehaald. Daarin zit een beltrafo, aangesloten op een stopcontact waar nog spanning op staat. De uitstekende schroefjes van de beltrafo waaraan de voeding is bevestigd, zijn niet afgeschermd. Op een gegeven moment komt de werknemer in contact met schroefjes die onder spanning staan. Daarbij valt hij met trap en al om. Hij komt bovenop de trap terecht en breekt twee ruggenwervels.

 

De werkgever krijgt een boete van 2700 euro, omdat de installatie niet spanningsvrij is gemaakt (overtreding van artikel 3.5, lid 3 Arbobesluit).

 

De werkgever maakt bezwaar.

 

Omdat hij heeft voldaan aan twee van de drie matigingsgronden (uit Beleidsregel 33, lid 4.) wordt de boete met twee derde verminderd.

 

Hij kon ten eerste aantonen dat hij de risico’s van de werkzaamheden had geinventariseerd en de nodige maatregelen had genomen. Hij had gezorgd voor deugdelijke arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

 

Ten tweede kon hij aantonen dat er voldoende instructies waren gegeven.

 

Maar de werkgever maakt ook bezwaar tegen het dan resterende boetebedrag omdat hij vindt dat er voldoende toezicht is geweest.

 

Hij wijt de oorzaak van het ongeval geheel aan de werknemer zelf. Er kwam namelijk ongeveer eenmaal per week een projectleider langs en in de week voor het ongeval zelfs twee keer. De laatste keer was twee a drie dagen voor het ongeval. Als een werknemer in strijd met de veiligheidsvoorschriften handelt, wordt hij daar direct op aangesproken. Bij herhaling kan een sanctie worden opgelegd. De werknemers zijn hiervan op de hoogte.

 

Het slachtoffer werkte al zeventien jaar bij de werkgever en had een ruime ervaring. Gezien de aard van de werkzaamheden, de hoge mate van opleiding, voorlichting en instructie en de overige omstandigheden is de minister van SZW van oordeel dat de werkgever voldoende toezicht heeft gehouden. Het bezwaar wordt gegrond verklaard en de boete wordt ingetrokken.

 

Hoewel het ongeval in 2006 heeft plaatsgevonden, is de regelgeving van na 1 januari 2007 toegepast.

 

Dit pakte voor de werkgever het meest gunstig uit. Beleidsregel 33 kent drie matigingsgronden. De boete wordt (kortweg) met een derde verminderd als de werkgever kan aantonen dat er een RI&E is verricht, nogmaals met een derde als er voldoende instructies zijn gegeven en wederom met een derde als aangetoond wordt dat er voldoende toezicht was.

 

(minister van SZW, 31 juli 2007, niet gepubliceerd)

 

Als de werkgever kan aantonen dat zijn werknemer herhaaldelijk zijn werk weigert, dan is dat een gegronde reden om hem te ontslaan.

 

Een thans bijna 49-jarige man werkt sinds 2001 als industrieel reiniger bij het tankcleaningbedrijf van Duistergast. De directie van het bedrijf stuurt in oktober 2003 een memo aan alle werknemers dat zij tot en met 12 december geen verlof meer verleent, behalve als het gaat om ernstige familieomstandigheden. Op 3 november moet er tot acht uur ’s avonds worden gewerkt, maar de man verdwijnt al om 16.00 uur.

 

Hij verlaat het terrein zonder zich bij de uitvoerder af te melden.

 

Een dag later wordt hij daarop aangesproken, maar hij heeft geen aannemelijke verklaring voor zijn gedrag. Op 5 november deelt de directeur de man ’s morgens mee dat er weer tot 20.00 uur gewerkt wordt, waarop de man zegt: ‘Dan ontsla je me toch?’ Hij klokt die dag om 15.00 uur uit en wordt daarop op staande voet ontslagen.

 

Het verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt aan Duistergast toegewezen. De werknemer gaat in beroep.

 

Het hof acht bewezen dat de werknemer op 3 en 5 november wist dat hij na voltooiing van de andere werkzaamheden naar de tanks terug moest om het werk te doen waar hij volgens het rooster tot 20.00 uur mee was belast. Dat was hem ook uitdrukkelijk meegedeeld.

 

Uit het memo blijkt hoeveel belang Duistergast hechtte aan de inzet van zijn werknemers bij het onderhoudsproject.

 

Dat betekent dat de man zich ook bewust is geweest, of in elk geval had kunnen zijn, van het ongeoorloofde karakter van zijn vroegtijdige vertrek. Er is daarmee sprake van herhaalde werkweigering.

 

Het hoger beroep wordt afgewezen.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 28 september 2007, LJN BB5887)

 

Zieke werknemers hebben de verplichting zich in te spannen voor re-integratie.

 

Een 40-jarige vrouw werkt sinds januari 2002 als schoonmaakster bij schoonmaakbedrijf Perfect.

 

Zij meldt zich in maart 2006 ziek als gevolg van de familiaire Middellandse-Zeekoorts. Dit is een erfelijke aandoening die zich uit in episodische koorts met enkele andere vrij typische kenmerken.

 

Zij gaat van 30 juni tot 25 augustus met vakantie zonder zich beter te melden. Daarom betaalt Perfect haar gedurende die periode geen loon.

 

De bedrijfsarts acht haar in oktober weer in staat licht werk te doen, boven op de normale personeelssterkte.

 

Maar op het moment dat zij weer aan het werk zou gaan, deelt zij mee dat ze niet in staat is aan het re-integratieplan mee te werken. De werkgever stopt dan opnieuw de loonbetaling.

 

Uit een second opinion van het UWV blijkt dat het met het oog op mogelijke aanvallen niet verantwoord is dat de vrouw alleen werkt. Maar op de beoogde werkplek hoeft zij niet alleen te werken.

 

Daarom acht de deskundige van het UWV dat Perfect voldoende re-integratieinspanningen heeft gedaan.

 

De vrouw stapt naar de rechter en vordert doorbetaling van haar loon. De kantonrechter overweegt dat niet wordt betwist dat de vrouw in deze periode ziek was. Zij had zich weliswaar hersteld moeten melden wegens haar voorgenomen verblijf in Turkije, maar op deze zogeheten hersteldmelding kan Perfect in redelijkheid geen beroep doen.

 

Op grond van art. 7:629 lid 1 BW en de cao van het schoonmaaken glazenwassersbedrijf heeft zij immers recht op doorbetaling van het volledige loon. Dat zij niet heeft voldaan aan de regel van Perfect dat langdurig zieken zich eenmaal per week moeten melden, doet daar niet aan af.

 

De kantonrechter overweegt dat zij aangepast werk kan doen als er geen sprake is van een aanval.

 

Omdat de vrouw sinds 20 oktober 2006 stelselmatig het aangepaste werk heeft geweigerd – dus ook in die weken waarin zij geen klachten had – is het loon terecht niet betaald. Maar omdat zij, gezien het deskundigenoordeel, twee weken per maand wegens een aanval niet in staat is tot werken, heeft zij recht op de helft van haar loon over de gehele periode.

 

Zij heeft echter vanaf 8 maart 2007, dus vanaf het tweede jaar van haar arbeidsongeschiktheid, onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht. Daarom kan zij na deze datum op grond van de cao slechts aanspraak maken op 70 procent van haar loon. De vordering wordt daarom slechts gedeeltelijk toegewezen.

 

(Kantonrechter Nijmegen, 11 oktober 2007, LJN BB 5906)

 

Reageer op dit artikel