artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

De rechter acht NS Reizigers aansprakelijk voor het trauma van een hoofdconducteur, wegens schending van de zorgplicht.

 

Een hoofdconducteur werkt vanaf 1981 bij NS Reizigers (NSR). In de loop der j aren wordt hij tien keer geconfronteerd met een zelfmoord of een dodelijk ongeval en ook heeft hij vaak te maken met agressie en geweld. In 1999 wordt hij door een reiziger bespuugd en blijft daarna ziek thuis. Er wordt Post Traumatische Stressstoornis (PTSS) vastgesteld. De ziekte gaat gepaard met depressies en paniekstoornissen. In 2000 komt hij onder behandeling van een psycholoog. Na veertig sessies vraagt deze nog vijftien extra sessies aan. Maar de werkgever weigert die te vergoeden, waarna de behandeling stopt. De conducteur zit sinds 2002 in de WAO. Hij vordert schadevergoeding van NSR.

 

De rechter stelt vast dat uit de medische rapporten blijkt dat een reeks gebeurtenissen heeft geleid tot het ontstaan van PTS S. Het spuugincident was de druppel die de emmer deed overlopen. Ook psychische schade valt onder de zorgverplichting van artikel 7:658 BW. De rechter vindt preventie van agressie- en geweldsincidenten uitermate lastig, omdat incidenten nooit helemaal zijn uit te sluiten. Maar van NSR mag worden verwacht dat zij zich maximaal inspant om de risico’s voor het personeel tot een minimum terug te brengen. Met het ontwikkelen van een antiagressiebeleid alleen is nog niet aan de zorgplicht voldaan. Beleid moet ook worden uitgevoerd en zo nodig worden bijgesteld. En daar ontbrak het aan.

 

Uit onderzoek in 1997 bleek dat de vaak voorkomende agressie naar conducteurs die in 1993 was geconstateerd, in de jaren erna nauwelijks was afgenomen. Het beleid was kennelijk weinig effectief en dat kwam niet alleen door externe factoren. Zo heeft NSR nagelaten om meer invloed te krijgen op de inzet van de spoorwegpolitie. Nazorg vond alleen plaats als er indicaties waren dat de verwerking niet goed verliep. Maar juist adequate opvang direct na een traumatische gebeurtenis is van essentieel belang. NSR heeft de hoofdconducteur slechts twee maal nazorg aangeboden.

 

Ook acht de rechter het onjuist dat de vergoeding van de behandeling is gestopt. Want de psycholoog had duidelijk aangegeven dat extra behandeling de kans op werkhervatting zou vergroten. Dit alles betekent schending van de zorgplicht. Het nemen van preventiemaatregelen tegen zelfdodingen op het spoor is zeer ingewikkeld. Maar omdat van schending van de zorgplicht al sprake is wegens gebrek aan preventie tegen agressie en de gebrekkige opvang en nazorg kan dat verder buiten beschouwing blijven. De rechter wijst de vordering af. De hoogte van de schadevergoeding zal later worden vastgesteld.

 

(Kantonrechter Utrecht, 2 mei 200, LJN BA4348)

 

Een vrouw stelt een werkgever aansprakelijk voor arbeidsongeschiktheid door RSI. De rechter geeft de werkgever de kans om aan te tonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of anders dat het oorzakelijk verband tussen ziekte en werk ontbreekt.

 

Een vrouw werkt van 1979 tot 1998 als administratief medewerkster bij een scholengemeenschap. In oktober 1994 valt zij uit wegens klachten aan het bovenste deel van het bewegingsapparaat. Zij wordt volledig arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een volledige WAO-uitkering. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk voor de schade. De kantonrechter wijst de vorderingen toe en de werkgever gaat in beroep.

 

Het hof overweegt dat de vrouw voldoende heeft aangetoond dat haar klachten het gevolg zijn van de door haar verrichte werkzaamheden. De relatie met het werk is gelegd door de bedrijfsarts, de Arbeidsinspectie en de revalidatiearts. Ook de neuroloog/psychiater heeft aangegeven dat de vrouw aanvankelijk specifieke RSI-klachten had. Tevens staat vast dat de werkneemster typ- en beeldschermwerkzaamheden heeft verricht. Dat gebeurde soms langdurig en vaak onder hoge druk. Het is daarbij op voorhand voldoende aannemelijk dat de arbeidsomstandigheden niet aan de daaraan te stellen eisen voldeden. De werkgever krijgt de gelegenheid om een tegenbewijs te leveren. Als hij daar niet in slaagt, moet hij bewijzen dat hij zijn zorgplicht heeft nageleefd. Dan dient hij aan te tonen dat hij (onder meer) ten volle heeft voldaan aan het Besluit Beeldschermwerk van 10 december 1992. De vrouw is eind 1994 uitgevallen en de rechter acht deze periode lang genoeg om, als het Besluit niet is nagekomen, de schade bij de vrouw te veroorzaken. Als de werkgever ook dit niet weet te bewijzen, mag hij proberen aan te tonen dat het oorzakelijke verband tussen de dan vaststaande tekortkoming en de schade van de werkneemster ontbreekt. De werkgever heeft subsidiair ook een beroep gedaan op de toepassing van proportionele causaliteit. Ook daarvoor mag hij de feiten en omstandigheden aantonen, voorzover deze te maken hebben met de aard van de arbeidsongeschiktheid.

 

(Gerechtshof Amsterdam, 14 december 2006, JAR 2007, 87)

 

Een werkneemster slaagt er niet in om haar werkgever aansprakelijk te stellen voor de gevolgen van een werkgerelateerd verkeersongeval, omdat zij niet weet te onderbouwen waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd.

 

Een vrouw werkt als verkoopmedewerkster bij een fast-foodketen in Gorinchem. In augustus 2000 zal ze gaan werken in een filiaal in Tiel. Zij krijgt van het zusterbedrijf van de werkgever een auto ter beschikking. Op weg naar Tiel krijgt zij op de A15 een eenzijdig ongeval. Zij wordt drie dagen ter observatie opgenomen in een ziekenhuis. Na diverse behandelingen wordt zij arbeidsongeschikt verklaard en vanaf juni 2002 zit ze in de WAO.

 

In december 2004 trekt het UWV haar uitkering in en een jaar later wordt haar arbeidsovereenkomst ontbonden. Zij vordert schadevergoeding, maar de kantonrechter wijst die af. Ze stapt naar het gerechtshof.

 

Het hof overweegt dat de vrouw op initiatief van de werkgever in Tiel was ingeroosterd. Zij kreeg daarvoor een auto ter beschikking. Daarmee staat vast dat het vervoer naar Tiel – en dus ook het ongeval – plaatsvond in het kader van de uit te voeren werkzaamheden. Het bezwaar tegen dit deel van het vonnis is daarom terecht. De vrouw acht de werkgever op grond van goed werkgeverschap (art.7:611 BW) en de redelijkheid en billijkheid aansprakelijk en schadeplichtig voor het ongeval. Maar zij heeft daartoe geen feiten en omstandigheden aangevoerd. Zij heeft gesteld dat zij mogelijk last had van de chemische stoffen waarmee in Gorinchem werd gewerkt voordat ze aan haar fatale rit begon. Dat zou haar rijgedrag hebben beinvloed. De werkgever heeft dit gemotiveerd weersproken en het hof is van oordeel dat die omstandigheden niet van invloed waren op het ongeval. Daarom wij st het hof het hoger beroep af.

 

(Gerechtshof ’s-Gravenhage, 23 maart 2007, LJN BA3551)

 

Het gerechtshof verwerpt de vordering van een arbeidsongeschikte werkneemster op haar ex-werkgever, omdat het causale verband tussen gezondheidsschade en het werk niet is bewezen.

 

Een vrouw werkt sinds september 1990 als grafisch vormgever bij een producent van marsepeindecoraties voor banketbakkerijen en cateringbedrijven. In maart 1997 blijft zij ziek thuis en een jaar later zit ze voor 80 tot 100 procent in de WAO. De arbeidsovereenkomst wordt in mei 1998 ontbonden wegens verstoorde arbeidsverhoudingen. Zij krijgt daarbij een vergoeding van (omgerekend) ruim 18.000 euro.

 

Zij vordert nu schadevergoeding van de werkgever, omdat zij allerlei fysieke klachten heeft gekregen die het gevolg zijn van slechte werkomstandigheden. Zij werkte aan een ondeugdelijke montagetafel en had een slechte stoel. De werkgever heeft die klachten jarenlang genegeerd en daarmee zijn zorgplicht geschonden.

 

De kantonrechter benoemt vier deskundigen. Als uit hun rapportages blijkt dat het onvoldoende aannemelijk is dat de klachten het gevolg zijn van een ondeugdelijke werkplek, wijst hij de vordering af.

 

Het hof stelt voorop dat artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel vereist dat de werknemer aannemelijk maakt dat de lichamelijke klachten het gevolg zijn van de werkomstandigheden. Uit de rapporten van de deskundigen blijkt dat de werkplek destijds niet voldeed aan de toen geldende (wettelijke minimum)eisen. Als gevolg daarvan verrichtte de vrouw haar werk in een houding die, mede gezien de duurbelasting, kon leiden tot overbelasting van een gezonde rug. Maar de arbodeskundigen hebben alleen de werkplek, en niet de vrouw onderzocht. Zij hebben de vraag naar de causaliteit niet voldoende (kunnen) beantwoorden. Daarom zijn hun rapporten niet relevant. Volgens de ingeschakelde medisch deskundigen is de arbeidsongeschiktheid met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet het rechtstreekse gevolg van de werkhouding en de inrichting van de werkplek. Er zijn lichamelijk geen structurele afwijkingen gevonden. Gelet op deze gedetailleerde en voldoende onderbouwde rapporten is het hof van oordeel dat er vanuit juridische optiek geen verband bestaat tussen de lichamelijke klachten van de vrouw en de (inrichting van) haar werkplek. Het hof verwerpt het hoger beroep.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 13 februari 2007, LJN BA4851)

 

Reageer op dit artikel