artikel

Recente jurisprudentie

Geen categorie

Een projectmanager van een softwarebedrijf stelt in een procedure dat hij tijdens zijn werkzaamheden (thuis en op locatie in bedrijven van derden) RSI-klachten heeft opgelopen. Voor de schade stelt hij zijn werkgever aansprakelijk.

 

In hoger beroep vindt hij het hof aan zijn kant. Volgens het hof is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht (artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek) die hem verplicht er op toe te zien dat gedetacheerde werknemers een veilige werkplek krijgen. Op grond van overgelegde medische rapportages acht het hof het aannemelijk dat de werknemer RSI-klachten heeft opgelopen door het werken met een laptop.

 

Het hof schuift het argument terzijde dat er geen speciale aanleiding was voor het inrichten van een werkplek. De werkgever had aandacht moeten hebben voor een ergonomisch verantwoord ingerichte werkplek, ook volgens de maatstaven die golden toen de werknemer zijn werkzaamheden verrichtte. Het hof neemt aan dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het tekortschieten van de werkgever en de schade van de werknemer. De werkgever kan namelijk niet aantonen dat de veiligheidsmaatregelen die hij heeft nagelaten te nemen, de schade niet zouden hebben voorkomen.

 

(Gerechtshof Den Bosch, 26 April 2005, AM 13 januari 2006, p. 57)

 

Een werkneemster ontvangt een anonieme intimiderende en bedreigende brief. Daarop geeft de werkgever de opsteller van de brief een week de tijd om zich vrijwillig te melden, conform de ‘Regeling ongewenste gedragingen’. Als er geen reactie volgt, schakelt hij een onderzoeksbureau in voor een handschriftonderzoek. Hieruit blijkt volgens hem dat de werkneemster mogelijk zelf de anonieme briefschrijfster is. Het handschriftonderzoek geeft echter geen honderd procent zekerheid.

 

Daarom gaat de werkgever over tot een bloedonderzoek. Op de enveloppe is namelijk DNA aangetroffen. De medewerkers van de afdeling geven allen bloed, maar de werkneemster vraagt enkele dagen later haar bloedmonster terug. De werkgever willigt haar verzoek in, maar dan heeft het laboratorium al geconcludeerd dat het DNA op de enveloppe afkomstig is van de werkneemster.

 

Vervolgens verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ziet daar eigenlijk geen reden voor, maar komt de werkgever tegemoet vanwege de verstoorde verhouding tussen de partijen. Hij vindt het begrijpelijk dat de werkgever wil voorkomen dat anonieme en intimiderende brieven worden geschreven op het werk. De wijze waarop het onderzoek naar de schrijver heeft plaatsgevonden, kan de toets der kritiek echter niet doorstaan. Gezien de ingrijpendheid van de onderzoeksmethoden, had de werkgever op zorgvuldige wijze met de belangen van de werkneemster moeten omgaan. De werkgever is echter direct overgegaan tot het indienen van het ontbindingsverzoek, zonder ook maar een keer tegen de werkneemster zijn vermoeden te uiten dat zij de dader was. Ook zijn de uitkomsten van het DNA-onderzoek gebruikt, terwijl de werkneemster haar toestemming daarvoor had ingetrokken. Daarom laat de rechter de uitkomst van het DNA-onderzoek buiten beschouwing.

 

Omdat het handschriftonderzoek niet uitsluit dat een ander dan de werkneemster de brief heeft geschreven, kan er niet vanuit worden gegaan dat de werkneemster dit heeft gedaan. De ontbinding is daarom aan de werkgever te wijten. De werkneemster komt daarom op basis van billijkheid en een factor van C = 1,5 een vergoeding toe van 100.000 euro.

 

(Kantonrechter Amsterdam, 19 oktober 2005, JAR 2006, 1)

 

Een filiaalmedewerker van Albert Heijn glijdt uit over uisnippers die in een binnen opgestelde haringkar liggen. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk voor de schade. Als de kantonrechter de vordering toewijst, gaat de werkgever in beroep. Het hof overweegt dat op grond van getuigenverklaringen niet kan worden uitgesloten dat de werkneemster over uisnippers of visresten is gevallen. Volgens de werkneemster zelf zat er na haar val ui onder haar schoenen en lagen er in haar directe omgeving nog meer uisnippers. Het hof gaat er daarom van uit dat de werkneemster over uisnippers of visresten is uitgegleden en daardoor is gevallen. Volgens het hof brengt haringverkoop vanuit een kraam in een supermarktfiliaal het risico met zich mee dat de vloer sneller vervuild raakt dan gebruikelijk, waardoor het glijgevaar toeneemt. Dat betekent niet dat de werkgever in zo’n geval de vloer continu brandschoon moet houden, wel dat hij hem extra laat schoonmaken en dat hij er toezicht op houdt dat dit ook daadwerkelijk gebeurt. Uit het verweer van de werkgever blijkt echter dat de vloer rond de haringkraam slechts werd schoongehouden volgens de algemene schoonhoudinstructies voor de totale werkvloer. Er was dus geen sprake van extra oplettendheid, noch van extra toezicht op de naleving van het schoonmaken. Daarom concludeert het hof dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden, zodat hij aansprakelijk is voor de schade van de werkneemster.

 

(Gerechtshof Arnhem, 22 november 2005, JAR 2006, 13)

 

Een 41 jaar oude toezichthouder asbestsloop raakt in juli 2004 arbeidsongeschikt wegens rugklachten. Bijna een jaar later, in juni 2005, oordeelt de bedrijfsarts dat de werknemer weer drie dagen per week mag gaan werken. Voorwaarde is dat het bij licht werk blijft. De werknemer werkt vervolgens een middag, maar stopt er weer mee omdat zijn fysiotherapeut de opgedragen werkzaamheden te belastend zou vinden.

 

Eind augustus 2005 rijdt hij met een vrachtauto van een koeriersbedrijf naar een dakbedekkingsbedrijf en helpt daar met het lossen van de auto. Zijn eigen werkgever is hier getuige van en constateert dat de man kennelijk geen enkele last van zijn rug heeft. De ondernemer waar de vrachtwagen werd gelost, heeft de werkgever bovendien toevertrouwd dat de werknemer daar al vijftien tot twintig keer eerder was langsgekomen om ladingen te lossen. De werknemer wordt daarom op staande voet ontslagen. De man stelt dat er sprake was van een incidentele vriendendienst. Hij vordert in een kort geding doorbetaling van salaris. In de arbeidsovereenkomst staat immers niets vermeld over het uitvoeren van nevenwerkzaamheden.

 

Daarom vindt de rechter dat het op zichzelf niet ongeoorloofd is dat een werknemer tijdens zijn dienstverband nevenwerk uitvoert. Maar het ligt anders als hij voor bepaalde werkzaamheden bij zijn werkgever arbeidsongeschikt is, maar tegelijkertijd wel hetzelfde werk verricht in het kader van zijn nevenbetrekking. Dat betekent immers dat hij dat soort werk wel zou kunnen uitvoeren bij de eigen werkgever of dat die werkzaamheden nadelig kunnen zijn voor de reintegratie bij de werkgever. De werknemer heeft bovendien gezegd dat hij in de bewuste periode bijna alleen maar in bed heeft gelegen, terwijl ook is gebleken dat hij in april 2005 betrokken is geweest bij een vechtpartij in een horecagelegenheid.

 

Al met al is vol doende aannemelijk dat het ontslag op staande voet in een bodemprocedure in stand zal blijven. Daarom wordt de vordering van de werknemer afgewezen.

 

(Kantonrechter Zwolle, 16 november 2005, JAR 2006)

 

Een treinpassagier raakt in apri l 1998 met haar arm beklemd tussen de sluitende deuren. Als de trein gaat rijden, wordt de vrouw meegetrokken en komt ze ten val tussen trein en perron.

 

De vrouw raakt zeer ernstig gewond. De NS erkent aansprakelijkheid en vergoedt ruim 135.000 euro. Dat is het maximumbedrag van de aansprakelijkheid van de personenvervoerder op grond van artikel 8:110 BW en het daarop berustende Besluit. Het slachtoffer vordert in deze procedure echter volledige schadevergoeding. Zij vindt dat de NS zich niet op beperking van aansprakelijkheid kan beroepen, omdat er sprake is van bewuste roekeloosheid van de kant van de NS.

 

Het hof is van oordeel dat de NS reeds vanaf het begin van de jaren negentig bekend was met de diverse gebreken die kleefden aan de inklembeveiliging, aan de vertrekprocedure en aan de mogelijkheden om een eenmaal aangevangen vertrekprocedure af te breken. De vervoerder heeft ondanks dat toch nagelaten aanvullende maatregelen te nemen om dit soort ongevallen te voorkomen, hoewel dit wel mogelijk was geweest. Mede gelet op de grote hoeveelheid passagiers die jaarlijks wordt vervoerd, moet de NS zich er eveneens bewust van zijn geweest dat zich daardoor – al dan niet eenmalig – een ongeval met voor het slachtoffer zeer ernstige (financiele) gevolgen zou voordoen. Volgens het hof heeft de NS daarom bewust roekeloos gehandeld waardoor het bedrijf zich niet kan beroepen op de wettelijke limitering.

 

Ten slotte overweegt het hof – mede in verband met het recht op bescherming van eigendom ingevolge artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens – dat het algemeen belang bij de handhaving van de limitering van de aansprakelijkheid van de personenvervoerder in dit geval niet opweegt tegen de bescherming van de individuele rechten van het slachtoffer. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid acht het hof het dan ook onaanvaardbaar dat de NS jegens de vrouw een beroep doet op de limitering van de aansprakelijkheid.

 

(Hof Amsterdam, 12 augustus 2004, VR 2006, 12)

 

Een thans 51 jaar oude drukker in een drukkerij valt regelmatig uit wegens ziekte en meldt zich in januari 1994 definitief ziek.

 

Sinds januari 1995 krijgt hij een volledige WAO-uitkering. In april 1995 heeft het Solvent Team Enschede geconcludeerd dat hij waarschijnlijk lijdt aan OPS/CTE. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat er bij de werkgever met oplosmiddelen werd gewerkt, dat het afzuigsysteem niet goed werkte, dat daarover bij de leiding is geklaagd en dat de werknemer momenten van acute intoxicatie had waarop hij naar buiten moest voor frisse lucht.

 

De werkgever is inmiddels failliet en de werknemer spreekt de schadeverzekeraar aan voor vergoeding van zijn schade.De medisch adviseur van de verzekeraar vindt de conclusies van het Solvent Team echter onvoldoende onderbouwd. Oud-collega’s van de werknemer hebben verklaard dat er in de drukkerij geen of nauwelijks sprake was van blootstelling aan oplosmiddelen. Ook was de werknemer vaak ziek door allerlei oorzaken en was hij al ziek toen hij in dienst kwam. De verzekeraar wil dat de werknemer nadere medische gegevens aandraagt. Volgens de kantonrechter is de arbeidsanamnese van het Solvent Team inderdaad op onderdelen onjuist en onvolledig. Bij het opstellen van die anamnese is namelijk geen rekening gehouden met de verklaringen van de oud-collega’s van de werknemer. Ook is geen rekening gehouden met relevante omstandigheden uit de persoonlijke sfeer van de werknemer, zoals het feit dat ontslag dreigde in verband met reorganisatie en het feit dat hij kennelijk al bij indiensttreding gezondheidsklachten had. Daarom kan bij het antwoord op de vraag of er sprake is van OPS/CTE niet van de diagnose van het Solvent Team worden uitgegaan. Uit het protocol voor het vaststellen van OPS/CTE volgt dat binnen drie jaar na de laatste blootstelling moet worden getoetst of het om deze aandoening gaat. Maar die termijn is al verlopen. Daarom overweegt de rechtbank een deskundige te benoemen die aan moet geven of het nog mogelijk is om een betrouwbare diagnose te stellen. Blijkt dat van wege het tijdsverloop niet meer mogelijk te zijn, dan zal dat voor risico van de werknemer komen, omdat hij moet bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van de werkzaamheden. De rechter gelast echter eerst overleg tussen de partijen om deze kwestie te bespreken en de mogelijkheden voor het treffen van een schikking te onderzoeken. Wel moet de werknemer dan gespecificeerde gegevens verstrekken over de omvang van zijn schade. Verder moet hij de door de verzekeraar gevraagde medische stukken geven waaruit blijkt dat hij in 1984/85 niet overspannen was maar werkloos, en brieven van een neuroloog overleggen waarnaar wel wordt verwezen, maar die niet zijn bijgevoegd.

 

(Rechtbank Rotterdam, 14 september 2005, JAR 2006, 28)

 

Reageer op dit artikel