artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een bejaardenverzorgster werkt al sinds 1977 bij een zorgstichting als zij op 10 juni 1997 arbeidsongeschikt wordt, aanvankelijk volledig, maar vanaf maart 2000 voor 45-55 procent. Tijdens haar ziekte verricht zij van april 1999 tot maart 2000 op vrijwillige basis administratieve werkzaamheden voor de OR.

 

Op verzoek van beide partijen is de arbeidsovereenkomst per 1 september 2002 ontbonden. De vrouw heeft toen een vergoeding gekregen van 3.500 euro. Zij eist echter een schadevergoeding van 33.500 euro extra, omdat naar haar mening de werkgever geen enkel initiatief heeft genomen om haar te reintegreren. Ook heeft hij nagelaten het sociaal plan op haar toe te passen. Bij de rechtbank heeft ze echter geen succes. Die verklaart de werkneemster niet ontvankelijk in haar vordering omdat die reeds was meegenomen in de ontbindingsprocedure. Dus komt ze uit bij het gerechtshof.

 

Het Hof vindt niet dat de werkgever het sociaal plan ook op de werkneemster had moeten toepassen. Ze was niet boventallig en zou dat ook niet zijn geweest als zij haar eigen functie was blijven vervullen. Maar de vordering tot vergoeding van schade wegens een gebrek aan reintegratie snijdt wel hout. Dit is volgens het Hof een andere vordering dan in de ontbindingsprocedure aan de orde is geweest. Daar ging het om een schadevergoedingsvordering wegens tijdens het dienstverband gederfd inkomen, veroorzaakt door wanprestatie. De ontbindingsvergoeding is alleen voor het te verwachten inkomensverlies na de ontbinding. Het Hof vindt dat de werkgever zich te weinig heeft ingespannen voor reintegratie van de werkneemster. Hij heeft de vrouw geen enkele concrete functie aangeboden, terwijl dergelijke functies er wel waren. De OR heeft voorgesteld om de werkneemster te benoemen als ambtelijk secretaris, maar daar heeft de werkgever geen toestemming voor gegeven. Later heeft de werkneemster nog tevergeefs naar die functie en een andere administratieve functie gesolliciteerd.

 

De werkgever moet daarom de schade van de werkneemster, bestaande uit derving van inkomsten door de korting op haar salaris, vergoeden. Het gaat dan om een bedrag van 11.000 euro. Over dat bedrag zijn geen loonbelasting en sociale premies verschuldigd, omdat het gaat om schadevergoeding. Daarom verlaagt het Hof dit bedrag met dertig procent tot 7.700 euro.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage 8 april 2005, JAR 2005, 169)

 

Een matroos laadt in opdracht van zijn kapitein afvalhout in een afvalcontainer als die container wordt geraakt door een wagon. Deze wagon werd geduwd door een vorkheftruck, die werd bediend door een werknemer van de exploitant van het haventerrein. Logisch dus dat de zwaargewonde matroos de exploitant aanspreekt voor vergoeding van zijn schade.

 

Maar de rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van werkgeversaansprakelijkheid (art. 7:658 Boek Burgerlijk Wetboek, het zorgplichtartikel). Er ligt namelijk geen arbeidsovereenkomst (of een afgeleide daarvan) tussen de matroos en de exploitant van het havenbedrijf.

 

Ook is er volgens de rechter geen sprake van risicoaansprakelijkheid van de exploitant. Maar die exploitant heeft wel gehandeld in strijd met de veiligheidsinstructies voor zijn eigen werknemers. De daarin vastgelegde minimale afstanden zijn immers niet in acht genomen. Hierdoor heeft de exploitant ook onrechtmatig gehandeld jegens de matroos. Want de veiligheidsinstructies dienden ook diens bescherming.

 

De exploitant probeert het nog te gooien op eigen schuld van de werkgever ten opzichte van de matroos, maar de rechter maakt hier korte metten mee, omdat de exploitant zijn eigen veiligheidsregels niet is nagekomen.

 

(Rechtbank Rotterdam 5 november 2003, AM 5 augustus 2005, p. 47)

 

Een lasser in dienst van een uitzendbureau is aan het werk bij Staalbouw BV als hij van een trapje valt. Dat trapje stond op een schuin vlak op een hoogte van ongeveer drie meter. De man breekt zijn pols en spreekt zowel zijn eigen werkgever als Staalbouw aan voor de schade. Beide werkgevers verweren zich eendrachtig. Zij voeren aan dat Staalbouw regelmatig toolboxmeetings hield en dat er dagelijks werd toegezien op het gebruik van veiligheidsmiddelen (helm, bril, oordoppen, schoenen). Het klimmateriaal was gecertificeerd en werd regelmatig gekeurd. De werknemer had het veiligheidsreglement van Staalbouw gekregen en ook uitleg gekregen over de werkzaamheden. Verder ging het om een ervaren lasser die in het bezit was van een veiligheidscertificaat (petro)chemie. De ochtend van het ongeval was op verzoek van de werknemer meteen een steiger neergezet. Het was niet te voorzien dat de werknemer een trapje zonder doppen op een gladde en schuin aflopende ondergrond zou plaatsen en daarvoor zijn ook geen instructies nodig. Dit was een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Aldus de werkgevers.

 

De kantonrechter overweegt dat het werken met een trap in het algemeen een verhoogd gevaar oplevert, hetgeen ook de wetgever heeft onderkend (bijvoorbeeld bijlage B4 van het Besluit Klimmaterieel bij de Warenwet). Artikel 7.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit schrijft voor dat een arbeidsmiddel zodanig is geplaatst of ingericht dat het gevaar van verschuiven, omvallen, kantelen (…) zo veel mogelijk wordt voorkomen. De Arbeidsinspectie heeft vastgesteld dat hier niet aan was voldaan en Staalbouw is een boete opgelegd. Een trapje op een schuine ondergrond levert risico’s op.

 

Anders dan de werkgevers aanvoeren, had Staalbouw zijn werknemers instructies moeten geven hoe dergelijke trapjes veilig te gebruiken. Dit is kennelijk niet gebeurd. De werkgevers gaan er bovendien ten onrechte van uit dat een trapje met rubberen doppen wel op een schuine ondergrond mag worden geplaatst. Zij hebben niet voldaan aan hun zorgverplichting van artikel 7:658 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Ook is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Er is ook geen sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Daarom zijn beide werkgevers aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

 

(Kantonrechter Dordrecht 9 juni 2005, Prg 2005, 121)

 

Een werknemer van de firma Bergmans werkt mee aan een nieuw bankgebouw en wil vijf gaten boren in de vloer van de eerste verdieping. Hij stapt op een ladder en houdt zich vast aan een klem van een hekwerk. Helaas: dat breekt af en de man valt naar beneden.

 

Hij stelt zijn eigen werkgever, Bergmans, voor de schade aansprakelijk. Die was echter alleen ingeschakeld om de vijf gaten te boren, en wel door installatiebedrijf Van der Stad. Bergmans vindt dat er sprake is van inlening en dat Van der Stad als ‘aannemer’ had moeten zorgen voor goede en veilige arbeidsomstandigheden. Bergsma is daarom aansprakelijk voor de schade. Nadat de rechtbank de vordering van Bergmans heeft afgewezen, gaat deze in beroep. Het Hof overweegt dat hier sprake is van onderaanneming en niet van het ter beschikking stellen van een arbeidskracht. Daarom kan Bergsma zich niet beroepen op de bepalingen van artikel 7:658 lid 4 Burgerlijk Wetboek en de rechtspraak met betrekking tot de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van een uitgeleende arbeidskracht.

 

Verder hebben de partijen niet afgesproken wie er verantwoordelijk was voor de veiligheid van de werknemer. Bergmans vindt dat het voor hem ondoenlijk is om bij iedere opdracht van geringe omvang een omvangrijk veiligheidsonderzoek ter plaatse te doen. Hij moet er op kunnen vertrouwen dat de hoofdaannemer zorgt voor een veilige werkplek. Het Hof meent echter dat Van der Stad alleen hoeft te voldoen aan de criteria uit het Kelderluikarrest (HR 5 nov. 1965) (zie kader). Als Bergmans een verdergaande zorgplicht van Van der Stad wilde, had hij dit met hem overeen moeten komen. Op basis van de kelderluikcriteria kan, gelet op de omstandigheden van het geval, geen aansprakelijkheid worden aangenomen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.

 

Gerechtshof ‘s-Gravenhage 22 april 2005, JAR 2005, 170)

 

KELDERLUIKARREST

 

Dit arrest (bekend als het Kelderluikarrest of Coca-Cola-arrest) gaat in op de vraag wanneer het ongeoorloofd is een gevaar voor anderen in het leven te roepen of te laten voortbestaan. De Hoge Raad heeft in dit standaardarrest min of meer algemene gezichtspunten geformuleerd, die niet alleen voor de onrechtmatige daad gelden, maar ook kunnen worden toegepast in de arbeidsverhouding, waar het gaat om de zorgplicht van artikel 7:658 BW.

 

Een chauffeur van de Coca-Cola Corporation moet een cafe bevoorraden. Daarom heeft hij het kelderluik geopend, dat voor de deuren van de toiletten ligt. Hij heeft het kleed teruggeslagen, het luik omhoog gezet en de opening gemarkeerd met drie op elkaar ge-stapelde kistjes. Desondanks valt een cafebezoeker, op weg naar het toilet, in het gat en breekt een been.

 

Hij stelt Coca Cola, als werkgever van de chauffeur, aansprakelijk voor de door hem geleden schade, op grond van artikel 1401 BW (oud). De rechtbank wijst de vordering af, maar het Hof kent een schadevergoeding toe.

 

De Coca Cola Corp gaat tegen die uitspraak in cassatie. Maar de Hoge Raad vindt dat het Hof terecht heeft vastgesteld dat Coca-Cola de algemene zorgvuldigheidsverplichting heeft geschonden. De Raad werkt deze verplichting uit in vier afwegingscriteria. Bij het treffen van veiligheidsmaatregelen moet:

 

a) niet alleen worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht; maar ook

 

b) op de omvang van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan;

 

c) op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben; en

 

d) op de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

 

De cafebezoeker had volgens de Hoge Raad beter op zijn omgeving moeten letten en heeft dus ook schuld. Het Hof heeft de schuld van beiden even zwaar gewogen en heeft de werkgever veroordeeld tot vergoeding van de helft van de schade. De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof.

 

 

Een werkneemster, sinds januari 2002 in dienst, meldt zich op 26 september 2002 ziek. Als ze echter op 22 oktober een gesprek heeft met de bedrijfsarts, constateert deze dat ze niet arbeidsongeschikt is vanwege ziekte of gebrek in het kader van de Ziektewet. Die mening ventileert hij begin november bij de werkgever. Omdat de werkneemster niet aan het werk is gegaan, stopt de werkgever per 22 oktober de betaling van haar salaris.

 

De arbeidsovereenkomst is op 14 januari 2003 van rechtswege geeindigd. De werkneemster vordert in deze procedure alsnog salaris van 22 oktober 2002 tot 14 januari 2003 omdat zij wel degelijk arbeidsongeschikt was. Omdat de kantonrechter haar vordering afwijst, gaat ze in hoger beroep.

 

Het gerechtshof stelt vast dat ook het UWV Gak zich op verzoek van de werkneemster over haar ziekte heeft gebogen. Volgens een deskundigenverklaring van 12 februari 2003 was de werkneemster op 22 oktober 2002 arbeidsongeschikt wegens psychische klachten. De werkneemster betoogt dat deze second opinion, op grond van artikel 7:629a Burgerlijk Wetboek, zwaarder weegt dan het medisch oordeel van de bedrijfsarts. Het Hof is het niet zonder meer met dit standpunt eens. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:629a BW blijkt dat de wetgever de second opinion wil laten uitvoeren met als doel de onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen. Het was niet de bedoeling dat de uitslag van die second opinion doorslaggevende betekenis zou hebben. Immers, niet alleen een second opinion, maar ook andere deskundigenverklaringen en andere gegevens zijn relevant.

 

In deze zaak is het van belang dat het UWV de werkneemster onafgebroken als arbeidsongeschikt heeft aangemerkt vanaf 26 september 2002 en dat zij op die grond met ingang van september 2003 een WAO-uitkering ontvangt. Dus wordt de second opinion ondersteund door de medische rapportage in verband met de WAO-rechten. Daarom staat vast dat de werkneemster op 22 oktober 2002 arbeidsongeschikt was. De vordering wordt toegekend en de werkgever moet alsnog het loon betalen.

 

(Gerechtshof Amsterdam 26 mei 2005, JAR 2005, 168)

 

Reageer op dit artikel