artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werkneemster raakt in 1998 in Duitsland betrokken bij een verkeersongeval. Zij zit als passagier in de auto die wordt bestuurd door de directeur van haar werkgever. Ze zijn op weg naar een nevenvestiging van het bedrijf in Oostenrijk. Een Duitse auto rijdt de auto van achteren aan. De werkneemster loopt een postwhiplash-syndroom op en is sinds eind 2000 volledig arbeidsongeschikt.

 

De WA-verzekeraar van de Duitse automobilist erkent aansprakelijkheid. Hij vergoedt echter slechts een deel van de schade van de werkneemster, omdat schade voor niet medisch objectiveerbare klachten, zoals whiplashachtige trauma’s, naar Duits recht niet wordt erkend.

 

De werkneemster krijgt wel uitkeringen uit de door de werkgever afgesloten reis- en ongevallenverzekering.

 

Zij stelt haar werkgever aansprakelijk voor de restschade, aanvankelijk op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (onvoldoende zorgplicht van de werkgever). De kantonrechter wijst dit af. In hoger beroep wijzigt zij de grondslag van haar vordering en baseert zij zich op artikel 7:671 BW en/of artikel 6:248 BW. Zij stelt dat de werkgever op grond van de jurisprudentie een risicoaansprakelijkheid heeft voor verkeersongevallen van werknemers.

 

Het gerechtshof overweegt dat de wetgever bij de invoering van artikel 7:658 BW geen risicoaansprakelijkheid voor de werkgever heeft willen invoeren. In deze zaak gaat het om een werkneemster die als mede-inzittende een ongeval overkomt. Dan geniet zij de bescherming die elke passagier of ongemotoriseerde in het verkeer toekomt.

 

Voor een verdergaande aansprakelijkheid van de werkgever is geen ruimte.

 

(Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 27 april 2004, JAR 2004, 132)

 

Een werkneemster werkt sinds 1 juli 1996 als consultant bij een maatschap. In april 1998 meldt zij zich ziek wegens RSI-klachten.

 

In april 1999 krijgt zij een volledige WAO-uitkering. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van juli 2000 met een vergoeding van ruim zeventienduizend gulden. De werkneemster vordert vervolgens op grond van artikel 7:658 BW (zorgplichtartikel) vergoeding van de door haar geleden en te lijden schade wegens RSI. De kantonrechter vindt dat de werkneemster nader bewijs moet leveren dat het werk de oorzaak is (Arbo Actueel 2002, nr. 1). Dit op grond van de rapportage van haar internist waaruit blijkt dat aan de RSI ook andere factoren dan werk ten grondslag kunnen liggen en omdat er nog onzekerheden bestaan over het ontstaan van RSI.

 

De vrouw tekent hoger beroep aan bij de rechtbank Amsterdam, die dat verwerpt. Daarna overlegt zij haar volledige medisch dossier met verklaringen van huisarts, arbo-arts en andere deskundigen die melding maken van RSI. De kantonrechter concludeert dat de werkneemster daarmee voldoende heeft aangetoond dat zij ernstige gezondheidsklachten heeft opgelopen door haar werk. Het is nu aan de werkgever om te bewijzen dat hij zijn zorgplicht heeft nageleefd.

 

(Kantonrechter Amsterdam 13 mei 2004, JAR 2004, 122)

 

Een werknemer krijgt in 1995 een arbeidsongeval wanneer zijn werkgever hem tewerkstelt bij een derde (inlener). De werknemer dagvaardt onder meer de inlener voor de rechtbank tot schadevergoeding op grond van artikel 1638x Boek 7A (oud) Burgerlijk Wetboek (thans artikel 7:658 BW, zorgplichtartikel), dan wel artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). De rechtbank wijst de vordering toe op grond van het in 1999 in werking getreden vierde lid van artikel 7:658 BW.

 

Hierin staat dat degene die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de eerste leden van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De rechtbank overweegt dat ingevolge dit vierde lid de vordering aan de kantonrechter had moeten worden voorgelegd. Nu dat niet is gebeurd, besluit de rechtbank de zaak aan zich te houden en daarin in hoogste feitelijke instantie recht te spreken conform artikel 157 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De inlener gaat in cassatie.

 

De Hoge Raad oordeelt dat aan het vierde lid van artikel 7:658 BW geen onmiddellijke werking toekomt. Omdat het arbeidsongeval zich heeft voorgedaan voor de inwerkingtreding van het vierde lid, is het daarin gestelde niet van toepassing en moet de aansprakelijkheid van de inlener worden gebaseerd op een door hem gepleegde onrechtmatige daad. Omdat de hoogte van de vordering de competentiegrens van de kantonrechter te boven ging, heeft de rechtbank in eerste aanleg recht gedaan en derhalve niet in hoogste instantie.

 

Daarom staat geen cassatieberoep tegen dat vonnis open. De Hoge Raad verklaart de inlener, die dus hoger beroep in plaats van cassatie had moeten instellen, niet-ontvankelijk.

 

(Hoge Raad, 30 januari 2004, AM 30juli 2004, p. 41)

 

Een werkneemster werkt van februari 1975 tot oktober 2002 bij een advocatenmaatschap als administratief medewerkster. Zij werkt vijftien uur per week voor een salaris van bijna dertienduizend euro per jaar. Op 1 januari 1996 gaat de werkgever een fusie aan met een ander advocatenkantoor.

 

Kort daarna richten enkele advocaten en het hoofd administratie een nieuw kantoor op. De werkneemster wordt daarna aangestuurd door het hoofd administratie van een andere vestiging. Begin november 1999 meldt zij zich ziek wegens een burn-out. Reintegratie lukt niet, mede wegens inmiddels tussen partijen ontstane conflicten.

 

Na twee jaar ziekte beeindigt de werkgever de arbeidsovereenkomst.

 

De werkneemster vordert schadevergoeding, primair wegens schending van de zorgverplichtingen van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW respectievelijk 7:611 BW (goed werkgeverschap), subsidiair vergoeding inzake kennelijk onredelijke opzegging (art. 7:681 BW).

 

De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster onvoldoende heeft aangetoond dat de werkgever zijn zorgplicht niet heeft nageleefd.

 

Het feit dat de aansturing door de werkgever vanuit de andere vestiging moeizaam verliep, is onvoldoende. De werkneemster heeft ook gesteld dat de werkgever niet als een goed werkgever heeft gehandeld door niets van zich te laten horen tijdens haar ziekte, haar kerstpakket niet door te sturen, geen financiele voorziening te treffen bij het ontslag enzovoort.

 

Aan deze omstandigheden komt geen zelfstandige betekenis toe volgens art. 7:658 BW. Die omstandigheden worden wel meegewogen bij de toetsing aan art. 7:681 BW (kennelijk onredelijke opzegging). De rechter overweegt dat het ontslag kennelijk onredelijk is, omdat wel aannemelijk is dat de werkneemster ziek is geworden door het werk en de werkgever bovendien een verwijt kan worden gemaakt over zijn opstelling na het uitvallen wegens ziekte van de werkneemster. De werkneemster krijgt daarom een vergoeding van ruim 22.000 euro berekend op basis van de kantonrechtersformule met aftrek van een door de werkgever onverplicht betaalde suppletie op de uitkering van de werkneemster.

 

(Kantonrechter Amsterdam 11 mei 2004, JAR 2004, 152)

 

Een vrouwelijke beroepssoldaat krijgt in september 1995 na een grondoefening een stekende pijn in haar rug. Na onderzoek krijgt zij bedrust voorgeschreven. Na enige tijd beperkt dienst te hebben gedaan, krijgt zij begin oktober na een mars weer klachten.

 

Ze blijkt een hernia te hebben.

 

In december 1995 wordt het voorval aangemerkt als dienstongeval.

 

Na een operatie hervat zij in april 1996 de dienst. Als ze weer last krijgt van benen en rug, wordt ze vrijgesteld van rugbelasting. Begin mei moet zij de hele dag meedoen aan een oefening.

 

De dag daarop kan ze niet meer uit bed komen.

 

Uiteindelijk krijgt ze met ingang van 25 juli 1999 een ontslag wegens een ziekte of gebrek, met toepassing van artikel 39, tweede lid, onder f, van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

 

Zij stelt de staatssecretaris van Defensie aansprakelijk voor het ontstaan en verergeren van haar medische klachten en vraagt schadevergoeding. Dit verzoek wordt afgewezen en ook bezwaar en beroep bij de rechtbank halen niets uit.

 

De militair gaat in beroep bij de Centrale Raad van beroep. Die oordeelt dat er op het medisch handelen niets valt aan te merken.

 

Inzake de deelname aan de mars had de militair zelf actie kunnen ondernemen. Ook daarin ligt geen verwijtbaar of onzorgvuldig handelen van de kant van Defensie. Wel kan Defensie worden verweten dat er niet voldoende zorgvuldig is gehandeld bij de opdracht tot hervatting en de opdracht om mee te doen aan de oefening. Vooral omdat de neurochirurg had aangegeven dat de militair met halve dagen moest beginnen. De Raad concludeert dat er duidelijk sprake is van een communicatiefout waardoor aan de militair een onterechte opdracht is gegeven om weer hele dagen aan de slag te gaan en de hele dag aan de oefening mee te doen. Het verzoek tot schadevergoeding is dan ook onterecht afgewezen. Het genomen besluit wordt vernietigd.

 

Defensie wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

 

(Centrale Raad van Beroep Utrecht, 18 maart 2004, LJN-nr. AO7445)

 

Een werknemer werkt sinds februari 1975 als procesoperator bij een producent van organotinverbindingen.

 

Vanaf november 1984 uit hij bij de bedrijfsarts klachten over vergeetachtigheid.

 

Bij onderzoeken wordt een geheugenstoornis geconstateerd.

 

In april 1999 wordt hij arbeidsongeschikt verklaard en krijgt hij aangepast werk. De werknemer stelt dat hij tussen 1975 tot 1999 regelmatig aan grote hoeveelheden organische oplosmiddelen is blootgesteld, waardoor hij OPS heeft gekregen. Hij stelt zijn werkgever aansprakelijk, omdat die onvoldoende beschermingsmaatregelen heeft getroffen. De kantonrechter kent een vordering tot schadevergoeding grotendeels toe.

 

De werkgever gaat in beroep bij het hof. Volgens het hof heeft de rechtbank aangenomen dat de werknemer in de jaren 1975 tot circa 1990 blootgesteld kan zijn aan overmatige concentraties neurotoxische stoffen. De werknemer heeft aangetoond hoe hij in de jaren tussen 1975 en 1982 daaraan is blootgesteld. Ook dat in de jaren daarna veel incidenten voorkwamen. Volgens de werkgever is de werknemer in elk geval sinds 1980 niet meer in relevante mate blootgesteld aan oplosmiddelen. De werkgever betwijfelt of er sprake is van OPS.

 

Volgens het hof heeft de werkgever niet weersproken dat de werknemer tot 1980 blootgesteld is geweest aan organische oplosmiddelen. Gelet op wat over de duur en de mate van blootstelling in het protocol voor de diagnostiek van OPS staat vermeld en het feit dat de werknemer voor het eerst in 1984 klaagde over vergeetachtigheid, is dat niet voldoende om aan te nemen dat die blootstelling OPS kon veroorzaken. De mate van blootstelling na 1980 is voldoende gemotiveerd weersproken.

 

Daarom moet de werknemer bewijs leveren dat hij tot ten minste 1996 regelmatig is blootgesteld aan organische oplosmiddelen.

 

De werkgever mag bewijzen dat hij vanaf 1980 zijn verplichting om maatregelen te nemen ter voorkoming van blootstelling aan organische oplosmiddelen heeft nageleefd. De zaak wordt aangehouden.

 

(Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 5 december 2003, LJN-nr: AO3515)

 

Op 16 mei 2001 neemt een aspirant vrijwillige brandweerman deel aan een sporttest. Voor deze test moet in een sportzaal een parcours van oefeningen worden afgelegd. In de hal zijn ook een gediplomeerd sportinstructeur en twee begeleiders van de brandweer aanwezig. De aspirant gaat bij het springen van een kast door zijn knie. Hij wil schadevergoeding van de gemeente.

 

Aan de oefening zaten immers risico’s die juist onder niet-professionele omstandigheden extra toezicht en begeleiding vergden. Daarom had naast de kast waar hij zich blesseerde een begeleider moeten staan. De rechter oordeelt dat het springen vanaf een kast van ongeveer een meter hoogte op een mat op zichzelf geen ingewikkelde, gevaarlijke of riskante activiteit is.

 

Een volwassene moet in staat zijn zo’n oefening normaal uit te voeren zonder dat voor de organisator te verwachten is dat zich daarbij letsel voordoet. Het ging er bij de test om dat de gemeente de motorische vaardigheden en de fysieke gesteldheid van de sollicitanten wilde beoordelen.

 

Dat doel wordt voorbij geschoten als bij de oefeningen telkens een handje wordt geholpen. De gemeente is dus niet tekortgeschoten in haar zorg. De vordering wordt afgewezen.

 

(Rechtbank Arnhem, 7 juli 2004, LJN-nr AQ 5093)

 

Reageer op dit artikel