artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Een werkneemster werkt al meer dan tien jaar bij een middelgrote gemeente als medewerkster communicatie. Als een nieuwe burgemeester aantreedt, gaat het mis en zij meldt zich wegens psychische klachten ziek. Reintegratie binnen de gemeente mislukt, waarna zij eervol ontslag krijgt wegens ongeschiktheid.

 

Zij maakt bezwaar, niet tegen het ontslag maar wel tegen het feit dat zij geen vergoeding krijgt.

 

Dat wordt afgewezen. Zij gaat in beroep bij de rechtbank.

 

Ook daar wordt haar vordering afgewezen. Vervolgens gaat ze in beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Zij wil financiele compensatie (150.000 gulden) omdat haar uitval te wijten is aan de arbeidssituatie en de Gemeente geen goede begeleiding en ondersteuning heeft geboden.

 

De raad vindt een verband tussen de psychische aandoening en de arbeidssituatie voldoende aannemelijk.

 

De werkneemster had voor haar uitval immers tien jaar goed gefunctioneerd. Pas na de komst van de nieuwe burgemeester kwamen er problemen.

 

Ook verschillende collega’s op haar afdeling hadden klachten.

 

De Gemeente heeft groepstherapie geregeld, een organisatieadviseur ingeschakeld en een vertrouwenspersoon aangesteld.

 

Ook is een klankbordgroep ingesteld voor werknemers met problemen in de samenwerking met de burgemeester. Uit onderzoek van de bedrijfsarts blijkt dat de uitval van de werkneemster niet overwegend is te wijten aan persoonlijke factoren.

 

De raad vindt dat de Gemeente onzorgvuldig heeft gehandeld door te pogen de vrouw tot vrijwillig ontslag te bewegen onder aanbieding van een jaar salaris.

 

Zeker nu zij kwetsbaar was. De poging tot reintegratie was niet onzorgvuldig, hoewel natuurlijk de angst van de werkneemster voor hernieuwde confrontaties met de burgemeester als reeel moest worden beschouwd. De Gemeente heeft ook de medische kosten voor haar rekening genomen en een maatschappelijk werkster ingeschakeld. De raad meent dat de werkneemster psychische klachten heeft ondervonden waaronder zij ernstig heeft geleden en waarvoor ze langdurig is behandeld. Zij kon daardoor haar werk niet verrichten en evenmin haar gezinstaken goed vervullen. Daarom is er sprake van geestelijk leed. De raad stelt daarom een vergoeding vast van tienduizend euro.

 

(Centrale Raad van Beroep, 4 maart 2004, LJN-nr: AO5020)

 

Een tandartsassistente werkt vijf jaar bij een tandarts. Ze is de laatste twee jaar regelmatig langdurig ziek. Dit verzuim is moeilijk op te vangen en de tandarts stelt voor de arbeidsovereenkomst te beeindigen met betaling van een vergoeding van ruim 3.500 euro. De assistente geeft toe dat het verzuim fors is.

 

Ze gaat echter niet in op het voorstel, omdat zij na enkele operaties optimistisch is over haar toekomstig herstel. Mocht er toch ontbinding volgen, dan wil zij een vergoeding van bijna twaalfduizend euro bruto.

 

De kantonrechter vraagt of de werkneemster wil meewerken aan een proefperiode van bijvoorbeeld een halfjaar, om te zien of haar ziekteverzuim dan minder zal zijn. De werkneemster ziet daar echter niets in. Zij zegt letterlijk dat zij door haar werkgever ‘flink op haar ego’ is getrapt.

 

Volgens de rechter betekent dit dat de werkneemster continuering van het dienstverband niet meer ziet zitten. Daarom rest hem niets anders dan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

 

Hij betoogt dat het in dit geval om een kleine werkgever gaat, waar vervanging niet eenvoudig is. Daarom moet begrip worden opgebracht voor het ontbindingsverzoek. Maar de werkneemster heeft geen schuld aan haar medische klachten.

 

Haar toekomstperspectief op de arbeidsmarkt zal niet rooskleurig zijn: een medische keuring zal immers problematisch blijken.

 

Met de poging van de rechter om haar werk te behouden, heeft de tandartsassistente zelf hardhandig afgerekend. Voor een hoge ontbindingsvergoeding is geen aanleiding omdat de werkgever part noch deel heeft aan de medische problemen. Wellicht heeft de werkgever niet in alle gevallen een gelukkige hand van handelen gehad, maar dat betekent nog niet dat de thans kennelijk vertroebelde verhouding tussen partijen grotendeels aan hem te wijten zou zijn. De rechter kent een vergoeding toe van vier maanden salaris. Dat komt overeen met 4.750 euro bruto.

 

(Kantonrechter Enschede, 19 november 2003, Prg 2004, 6159)

 

Een vrijwillige brandweerman komt begin 1997 tijdens een oefening ten val. Hij raakt bekneld in een raamkozijn en verliest bij het terugklimmen zijn evenwicht, waardoor hij naast de ladder stapt. Als hij zich aan de rand van de dakgoot wil vastgrijpen, breekt die af waarna hij vier meter naar beneden valt. Hij loopt letsel op en wordt gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Hij verzoekt de Gemeente om aansprakelijkheid te erkennen en de schade te vergoeden. Hij heeft inkomensschade als gevolg van gemiste loopbaanvooruitzichten: hij kan als schilder geen voorman meer worden. De Gemeente acht zich niet aansprakelijk en geeft nul op het rekest. Ook bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.

 

De vrijwilliger gaat in beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij vindt dat de Gemeente niet aan haar zorgplicht heeft voldaan omdat hij een onuitvoerbare opdracht heeft gekregen van de bevelhebber. Dit omdat duidelijk was dat hij gezien zijn postuur niet door het dakraam het gebouw binnenkon. Volgens de raad moet de bevelhebber worden gezien als ondergeschikte van de Gemeente. Als de bevelhebber zich onrechtmatig heeft gedragen, is de Gemeente aansprakelijk.

 

Uit verklaringen blijkt dat de vrijwilliger tijdens de oefening door een klein openstaand dakraam moest klimmen. Toen hij aangaf dat dit niet ging, gaf de bevelvoerder nogmaals opdracht dit te proberen.

 

De raad stelt vast dat achteraf is gebleken dat de vrijwilliger een opdracht kreeg die hij niet kon uitvoeren. Maar dat is volgens de raad geen onrechtmatige fout van de bevelvoerder. Immers:

 

toen de poging niet slaagde, heeft deze hem bevolen terug te keren.

 

De Gemeente heeft verder aan haar zorgplicht voldaan. Het ging om een normale oefening. De vrijwilliger was gewaarschuwd te denken aan de eigen veiligheid en er was hem geen onmogelijke opdracht verstrekt. Ook het materiaal was deugdelijk en de ladder werd vastgehouden door een collega. Het afbreken van de dakgoot kan de Gemeente niet worden aangerekend. De raad meent dat er sprake is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De brandweerman krijgt ook bij de Centrale Raad van Beroep geen gelijk.

 

De raad merkt nog op dat de Gemeente zich wel zou kunnen beraden over de vraag of het redelijk en billijk is dat de schade van de vrijwilliger geheel voor zijn eigen rekening moet komen.

 

(Centrale Raad van Beroep Utrecht, 19 februari 2004, LJN-nr: AO4187)

 

Reageer op dit artikel