artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Met gebroken tanden komt een werkneemster na werktijd weer terug in haar bedrijf. Een collega hoort dat ze een ongeval heeft gehad op een plek die hij zelf ook passeert op weg naar huis.

 

Daar constateert hij dat een ijzeren draad die een tas stenen bijeen moest houden, over het voetpad is gelegd. De collega vindt een en ander zo gevaarlijk dat hij de draad direct opruimt.

 

Het slachtoffer vordert van de aannemer vergoeding van de behandelingskosten en de immateriele schade. De aannemer ontkent dat hij de tas stenen na het werk onbeheerd heeft achtergelaten.

 

De bouwmaterialen waren met pallets afgeschermd voor de omgeving en ook het bandijzer was toen nog deugdelijk om de stenen bevestigd. Volgens hem hebben derden het ijzerdraad losgemaakt. Ook is hij het niet eens met de omvang van de schade.

 

De kantonrechter acht de aannemer aansprakelijk voor de schade, omdat die geen maatregelen heeft getroffen om het ongeval te voorkomen, zelfs al zouden derden de veroorzakers zijn. De toedracht van het ongeval is voldoende aannemelijk gemaakt, omdat het onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer een verhaal over de oorzaak van haar toestand heeft verzonnen. Ook de verklaringen van de collega, tandarts en arts acht de rechter waar, zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd. De aannemer wordt daarom tot tegenbewijs toegelaten. Op voorhand overweegt de kantonrechter dat een bedrag van zeshonderd euro immateriele schade op zijn plaats is, omdat een tandheelkundige behandeling over het algemeen als pijnlijk en onprettig wordt ervaren.

 

(Kantonrechter Lelystad 28 mei 2003, Prg 2004, 6142)

 

Een werknemer overlijdt aan de gevolgen van longkanker. Zijn erven stellen de werkgever aansprakelijk op grond van het feit dat de werknemer tijdens zijn werkzaamheden is blootgesteld aan asbeststof. Naar het oordeel van de werkgever is het rookgedrag van de werknemer echter de meest aannemelijke oorzaak.

 

De kantonrechter geeft deskundigen opdracht aan te geven of de werknemer op het werk is blootgesteld aan asbest, of de rookgewoonten van de werknemer hebben bijgedragen aan het ontstaan van de longkanker, en in hoeverre de longkanker het gevolg is van de blootstelling aan asbest en van het roken.

 

Volgens de rapportage is de werknemer inderdaad blootgesteld aan asbest. Zowel die blootstelling als het roken heeft bijgedragen aan het ontstaan van de longkanker. Ook kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de rookgewoonten hierbij een grotere rol hebben gespeeld dan de asbest. De kantonrechter concludeert op basis van dit rapport dat de werkgever jegens de werknemer is tekortgeschoten.

 

Door het achterwege laten van passende maatregelen is de werknemer tijdens zijn werkzaamheden zodanig blootgesteld aan asbest dat het risico van het krijgen van longkanker met ongeveer twintig procent is vergroot.

 

De werknemer heeft zelf aanzienlijk aan dat risico bijgedragen door zijn rookgewoonten.

 

Of de bij hem geconstateerde longkanker door roken of door asbestblootstelling is ontstaan of door beide is niet met zekerheid te bepalen. Het door deskundigen becijferde percentage bepaalt de omvang van de aansprakelijkheid van de werkgever.

 

Daarom zal de werkgever twintig procent moeten vergoeden van de totale schade: materiele en immateriele schade, overlijdensschade, kosten voor het vaststellen van de schade en de aansprakelijkheid daarvoor.

 

(Kantonrechter Amsterdam 20 juni 2002, JAR 2004, 18)

 

Tijdens het vissen raakt een opvarende van een vissersschip gewond.

 

Hij werkt evenals de rest van de bemanning in maatschapverband.

 

Bij het uitstomen van de visnetten blijft een rijgdraad van het net haken aan een pen op de reling. Het bemanningslid loopt ernaar toe, waarna de draad breekt en in zijn gezicht slaat. Hierdoor loopt hij oogletsel op. Hij stelt de schipper/

 

eigenaar van het schip aansprakelijk, omdat er volgens hem sprake is van ‘schuld van het schip’ zoals bedoeld in artikel 544 Boek 8 Burgerlijk Wetboek.

 

Zowel de rechtbank als het gerechtshof acht de eigenaar aansprakelijk die als schipper een cruciale rol speelde bij het uitstomen van de netten. Het hof acht het aannemelijk dat de schipper op enig moment een fout heeft gemaakt bij het aanhouden van de juiste (snelheid bij de) uitstoomprocedure. De rijgdraad is toen zodanig onder spanning komen te staan dat hij knapte. Verder heeft de schipper het door het slachtoffer gegeven stopteken genegeerd.

 

Aldus doet zich, zo oordeelt het hof, een van de gevallen van ‘schuld van het schip’ voor die de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 2001 heeft genoemd.

 

Het gaat daarbij volgens de raad om een fout begaan door een persoon, die ten behoeve van het schip of de lading arbeid (heeft) verricht in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat is in deze zaak het geval. Dat het bemanningslid werkte op basis van een maatschapcontract vindt het hof geen beletsel om aansprakelijkheid van de eigenaar aan te nemen.

 

(Gerechtshof Arnhem 25 februari 2003, AM 12 december 2003, p. 63)

 

Een verpleegkundige is bij het aangaan van haar arbeidsovereenkomst voor 45-55 procent arbeidsongeschikt. Ze werkt aanvankelijk vijf uur per dag. Later worden haar werkzaamheden verzwaard, waarvoor ze een extra toeslag krijgt. Door een knieblessure raakt zij volledig arbeidsongeschikt. Werkhervatting op arbeidstherapeutische basis mislukt. Na twee jaar ziekte ontslaat haar werkgever haar.

 

De werkneemster wijt haar volledige arbeidsongeschiktheid aan de te hoge werkdruk waaronder ze heeft moeten werken.

 

Zij stapt naar de rechter waar ze stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Verder vordert ze er schadevergoeding op grond van artikel 658 dan wel artikel 611 zevende boek Burgerlijk Wetboek.

 

De kantonrechter stelt vast dat de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag is verjaard. Verder overweegt hij dat artikel 7:658 BW niet van toepassing is. Dit artikel heeft immers betrekking op de veiligheid van de werkomgeving en niet op de zorgplicht van de werkgever. Wel verplicht artikel 7:611 BW de werkgever om een werknemer niet gedurende lange tijd onder grote werkdruk te laten werken. Dat is hier wel gebeurd: de werkneemster heeft een hogere arbeidsprestatie moeten leveren dan in haar arbeidsovereenkomst was overeengekomen.

 

De werkgever wist van de lichamelijke klachten van de werkneemster. Ook wist hij of had hij moeten weten dat deze klachten zouden verergeren bij stress, althans in psychische klachten zouden kunnen worden omgezet. Bovendien heeft de werkgever zich onvoldoende ingespannen voor de reintegratie van de werkneemster. Gezien deze omstandigheden en het inkomen dat de werkneemster thans ontvangt, vindt de rechter een schadevergoeding van € 10.000,— bruto billijk.

 

(Kantonrechter Brielle 30 september 2003, JAR 2003, 267)

 

Vloeropeningen moeten deugdelijk zijn afgezet. Dat is al sinds jaren bekend: het Kelderluik-arrest uit 1965 is een bekend voorbeeld.

 

Maar kennelijk gaat het nog steeds mis. Een vrouw valt in januari 2000 tijdens een cafebezoek op de terugweg van het toilet in een keldergat. Het luik boven de ruim twee meter diepe kelder is geopend en de bareigenaar heeft het gat met barkrukken afgezet. De vrouw stelt de cafe-eigenaar aansprakelijk voor de door haar geleden schade.

 

De rechtbank overweegt het volgende.

 

Het openzetten van een kelderluik waarachter zich een twee meter diep gat bevindt, is in het gangpad van een cafe een handeling die gevaar schept. Het is dan noodzakelijk de cafebezoekers expliciet en ondubbelzinnig op de gevaarlijke situatie te wijzen. Dat de cafe-eigenaar voorzorgsmaatregelen heeft getroffen is, gelet op de getuigenverklaringen, niet komen vast te staan. Hij voert echter aan dat dit wel is gebeurd door aan weerszijden van het trapgat barkrukken te plaatsen. De rechtbank vindt dat echter onvoldoende omdat barkrukken (zeker in een cafe) geen voorwerpen zijn waar een waarschuwing vanuit gaat. Bovendien vormen ze onvoldoende een barriere om het daarachter schuilgaande gevaar te voorkomen. Hieruit volgt dat (het personeel van) het cafe onvoldoende fysieke maatregelen heeft getroffen om realisering van het gevaar te voorkomen.

 

Daarom is er toerekenbaar onzorgvuldig en onrechtmatig gehandeld. De cafe-eigenaar is daarom in beginsel aansprakelijk voor schade die het slachtoffer heeft geleden als gevolg van het ongeval. Aangevoerd is dat het ongeval te wijten zou zijn aan onoplettendheid van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aan het slachtoffer moeten worden toegerekend, zodat geen aanleiding bestaat om de vergoedingsplicht van de cafe-eigenaar op grond van art. 6:101 BW te verminderen. De rechtbank acht aannemelijk dat het slachtoffer door haar val in het keldergat in ieder geval enige schade, zoals pijn en hinder, heeft geleden en kent de vordering van het slachtoffer toe.

 

(Rechtbank Amsterdam, 10 juni 2003, VR 2003, 174)

 

Een vijfjarige raakt in een winkel bekneld tussen de bewegende leuning van de roltrap en de vloer. De stroeve leuningband heeft het kind meegetrokken, waardoor het zeer ernstig letsel oploopt. De ouders eisen schadevergoeding.

 

Een roltrap is een arbeidsmiddel met een CE-markering conform artikel 7.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

 

De roltrap blijkt te voldoen aan de EEG-richtlijn NEN-EN 115: Veiligheidsvoorschriften voor het vervaardigen en aanbrengen van roltrappen en rolpaden. In het technisch document bij het typekeur wordt het gevaar voor het naar binnen trekken/klemmen genoemd. In de veiligheidsvoorschriften is geen rekening gehouden met een op de grond liggend kind dat door de leuningband kan worden meegetrokken.

 

In de getoetste risico-inventarisatie van de winkel wordt de knelplaats tussen roltrapleuning en vloer niet genoemd. De rechter meent dat het in het midden kan blijven of het bedrijf de beklemming had kunnen voorzien. Voor de aansprakelijkheid is doorslaggevend dat de roltrap ernstig letsel kan veroorzaken bij een normaal te achten gebruik. Dat de roltrap voldeed aan de veiligheidsvoorschriften, verandert daar niets aan. De roltrap bood niet de veiligheid die het publiek mocht verwachten.

 

Daarom is het bedrijf is op grond van artikel 6:174 en 6:181 BW aansprakelijk voor de schade die het kind ten gevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden.

 

(Rechtbank Haarlem, 7-01-2004, LJN nr. AO1558)

 

Reageer op dit artikel