artikel

RECENTE JURISPRUDENTIE

Geen categorie

Door een rukwind krijgt een werknemer een deur tegen zijn hoofd. Werkgevers zijn daaraan niet schuldig.

 

Een werknemer van een tuinbouwbedrijf helpt met een heftruck bij het beladen van een vrachtwagen van een derde.

 

Het is vrij winderig: zelfs pallets worden omver geblazen. Ook een van de twee laaddeuren van de vrachtwagen slaat dicht door de wind. De vrachtwagenchauffeur zet de deur weer in de open stand en het laden wordt hervat. Omdat een deel van de te laden platen is weggewaaid, komt de werknemer van het tuinbouwbedrijf van zijn heftruck af om de stapel platen in de vrachtwagen goed te leggen. Op dat moment slaat de deur van de vrachtwagen door een harde rukwind weer dicht en komt deze met een klap tegen zijn hoofd. De werknemer loopt hierdoor letsel op en vraagt vergoeding van zijn schade. Kantonrechter en gerechtshof wij zen de vordering af en de werknemer gaat in cassatie. De Hoge Raad stelt voorop dat art. 7:658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar. Wel moet de werkgever op grond van dit artikel die maatregelen nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat van een werkgever niet kan worden verlangd dat hij maatregelen neemt tegen het gevaar van een openstaande laaddeur die dichtklapt door de wind. En zelfs niet dat hij instructies geeft om dit specifieke risico te beperken. Het gevaar dat een openstaande laaddeur door harde wind dichtklapt, is ook bij niet-gewaarschuwde mensen voldoende bekend. Dat staat los van de ernst van de gevolgen. Dat er ernstige schade kan optreden, zoals in dit geval, betekent nog niet dat de werkgever daardoor verplicht is maatregelen te nemen om die schade te voorkomen. De vraag welke verplichtingen daadwerkelijk nodig zijn, moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld. Het beroep wordt verworpen.

 

(Hoge Raad, 8 februari 2008, LJN BB7423)

 

Gevaarlijke openingen van machines moeten worden afgeschermd.

 

Een man wordt door een uitzendbureau gedetacheerd bij een productiebedrijf voor werk aan een verpakkingsmachine. Deze machine dekt plastic bakjes met groente af met cellofaanfolie. De machine kan worden stopgezet door het indrukken van een rode knop, iets verder in de productiehal. Als de machine vastloopt, probeert de man met de hand een vastgelopen plastic bakje los te maken. Hij zet echter niet eerst de machine stil. Als die weer gaat lopen, raken de wij s- en middelvinger van zijn rechterhand bekneld en worden de bovenste kootjes afgesneden. De werknemer vordert schadevergoeding van zowel zijn eigen werkgever als van het inlenende bedrijf. De kantonrechter verwijst naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 11 november 2005 (JAR2005, 287, Arbo Actueel 2006, nr. 3). Daarin ging het om een gevaarlijke machine met een opening waarin een werknemer zijn vingers kon steken, terwijl die opening eenvoudig afgeschermd had kunnen worden. Ook in deze zaak is gebleken dat het inlenende bedrijf na het ongeval is gaan werken met een machine waarin de eventueel gevaarlijke openingen nu wel zijn afgeschermd. Daarvoor is een tunnelconstructie gebruikt. Het zou dus voor de hand hebben gelegen om al eerder te onderzoeken of de machine beveiligd kon worden. Dit te meer omdat uit foto’s blijkt dat een obstakel vrij eenvoudig met de hand uit de machine verwijderd kon worden, terwijl de noodstop zich op enige afstand van die machine bevond. Het bedrijf had zich moeten realiseren dat bij een storing als deze, die regelmatig optrad, een werknemer geneigd is de opstopping te verhelpen zonder eerst de machine stil te zetten. Verder is niet gesteld of gebleken dat het bedrijf schriftelijke instructies heeft gegeven. Er was ook geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer. Omdat die dagelijks achter de machine werkte, had het bedrijf met eventuele onvoorzichtigheid rekening moeten houden. De vordering wordt toegewezen.

 

(Kantonrechter Amsterdam, 2 november 2007, JAR 2008, 42)

 

Werkgevers moeten hun personeel netjes behandelen, ook als ze ziek zijn. Anders komt het hen duur te staan.

 

Een vrouw werkt als baliecaptain bij een landelijk opererend meubelmagazijn. Zij functioneert steeds naar tevredenheid. In november 2005 krijgt zij een verkeersongeluk en wordt tijdelijk arbeidsongeschikt. Begin februari 2006 hervat zij haar werk grotendeels. In de zomer van 2006 wordt zij weer arbeidsongeschikt, maar nu als gevolg van intimidatie door een van haar leidinggevenden. Die heeft haar op ongepaste wijze onder druk gezet om het werk volledig te hervatten. Als ze in oktober 2006 haar eigen werk weer volledig wil en kan doen, weigert de werkgever dat omdat haar functie aan een collega is vergeven. Zij is uit haar functie van baliecaptain gezet. Zij mag dat werk nog wel doen in een andere vestiging. Maar ook omdat dit ruim drie uur reizen per dag betekent, wijst ze dit voorstel van de hand. Na een nieuwe ziekmelding wegens spanningsklachten, vraagt de werkgever in augustus 2007 om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een vergoeding.

 

De kantonrechter kent het verzoek wegens verstoorde arbeidsverhoudingen toe, maar koppelt daaraan een vergoeding van ruim 21.000 euro. De werkgever trekt het ontbindingsverzoek dan in. Maar in de werkomstandigheden voor de vrouw verandert niets. Zij krijgt een burn-out en wordt arbeidsongeschikt. Zij verzoekt vervolgens zelf om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewijzigde omstandigheden. De rechter is van oordeel dat de opstelling van de werkgever na de beschikking in de vorige procedure de verhouding tussen de partijen alleen nog maar verder heeft verslechterd. De beslissing om de vrouw niet meer tot haar eigen werkplek toe te laten, kan in algemene zin worden gezien als strijdig met het principe van goed werkgeverschap. Maar de werkgever had in het licht van artikel 7:613 BW ook helemaal het recht niet om eenzijdig de standplaats te wijzigen. De werkgever heeft verder geen enkele handreiking gedaan, ook geen voorstel inzake mediation of een andere vorm van geschilbeslechting. Daarmee heeft de werkgever zich uitermate onheus gedragen. Er is sprake geweest van intimidatie. Ook is de vrouw na een relatief korte duur van arbeidsongeschiktheid door een ongeval niet toegelaten tot haar oorspronkelijke werk. Daarna was er tij dens ziekte sprake van ontslag op staande voet zonder redelijke grond. Ten slotte heeft de werkgever na het intrekken van het ontbindingsverzoek – waarbij sprake was van een vergoeding van ongeveer C=2 – de vrouw wederom niet toegelaten tot haar oorspronkelijke werk. De vrouw heeft door een verklaring van een psycholoog te overleggen aannemelijk gemaakt dat zij psychisch behandeld wordt voor een burn-out die rechtstreeks verband houdt met de bej egening door haar werkgever. De rechter kent op grond van dit alles een vergoeding toe met gebruikmaking van een factor C=3. Dat komt dan uit op bijna 37.000 euro.

 

(Kantonrechter Deventer, 15 januari 2008, LJN BC2593)

 

Reageer op dit artikel