artikel

Rekening houden met dagelijkse risico’s

Geen categorie

Een verkoopster brengt op koopavond eind februari 2000 een winkelwagentje met enkele rollen gordijnstof naar haar afdeling. Dit behoort tot haar normale werk en zij heeft dat vaker gedaan. Later zet zij het wagentje terug in de stalling buiten de winkel. Bij het weglopen valt zij over een grondplaatje dat ongeveer 1 cm uitsteekt. Twee maanden later meldt zij zich ziek en in juli wordt zij aan haar sleutelbeen geopereerd. Zij stelt haar werkgever aansprakelijk.

 

De werkgever wijst dit af. Hij voert aan dat er dagelijks honderden klanten en personeelsleden van de winkelwagenstalling gebruikmaken. Ook zijn dergelijke stallingen tot de dag van vandaag bij veel andere bedrijven zoals supermarkten en grootwinkelbedrijven in gebruik zonder dat een klant is gestruikeld. Daaruit blijkt dat die plaatjes geen gevaarlijke situaties opleveren. Dat blijkt ook uit het feit dat de vrouw negen jaar lang geen problemen heeft gehad. Er was daarom geen sprake van een kenbaar gevaar. De kantonrechter stelt vast dat de vrouw al voor het voorval vaak afwezig was wegens schouderklachten en ook diverse malen daarvoor is geopereerd. Het is dus maar de vraag of er voldoende oorzakelijk verband is tussen de val en de beweerde gevolgen. Maar de kantonrechter vindt het op grond van proceseconomische en praktische overwegingen wenselijk om nu al de vraag te beantwoorden of er sprake is van enig tekortschieten van de werkgever in zijn zorgverplichting (art. 7:658 BW). Het terugzetten van een winkelwagentje in een stalling is naar het oordeel van de rechter een normale routine die hoort bij het dagelijkse leven. Daaraan zijn bij het in acht nemen van enige minimale oplettendheid normaal gesproken geen (bijzondere) gevaren verbonden. Daarom was er ook geen aanleiding voor een risico-inventarisatie en -evaluatie. Het gaat hierbij om wat ook wel wordt genoemd huis-tuin-en-keukengevaren. Een werkgever mag er voor dit soort gevaren vanuit gaan dat ieder weldenkend mens daar zelfstandig, zonder speciale waarschuwing of instructie, mee om weet te gaan. De vordering wordt afgewezen.

 

(Kantonrechter Breda, 12 december 2007, LJN BC1072)

 

Een schoonmaakster werkt via een uitzendbureau in een Arubaans hotel. Na een zware regenbui valt zij in de gang, doordat de tegels nat en glad zijn geworden. Zij draagt geen veiligheidsschoenen (of schoenen met antislipzolen), er liggen geen antisliptegels, de tegels zijn niet met antislipmateriaal bewerkt en er staan geen waarschuwingsborden. Eerder zijn er ook al gasten gevallen. Zij loopt een ernstig letsel op en vordert schadevergoeding van het hotel. Deze kwestie wordt tot bij de Hoge raad uitgevochten.

 

De Hoge Raad is van oordeel dat er bij het beantwoorden van de vraag of de vloer voldeed aan de eisen ter voorkoming dat een werknemer schade lijdt, naar de omstandigheden moet worden gekeken en naar de door de overheid gegeven veiligheidsvoorschriften.

 

De overwegingen van het hof waren dat

 

– het bij mensen die vertrouwd zijn met het klimaat op Aruba, algemeen bekend is dat men terdege met het gevaar van gladheid na regenval rekening moet houden;

 

– van de vrouw verwacht mocht worden dat zij dit ook wist;

 

– het uiterlijk van de tegels een extra waarschuwing inhield voor het gevaar van gladheid;

 

– de aard van de werkzaamheden met zich meebracht dat de vrouw over de gangvloer moest lopen op een manier zoals dat ook in het dagelijkse leven kan voorkomen.

 

Daarmee heeft het hof volgens de Hoge Raad geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Net als het hof vindt de Hoge Raad dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij bij of na een regenbui direct overal in het hotel waarschuwingsborden zou moeten plaatsen. Het hoger beroep van de vrouw wordt verworpen.

 

(Hoge Raad 2 maart 2007, JAR 2007, 91)

 

Reageer op dit artikel