artikel

Schieten reïntegratiebedrijven te kort?

Geen categorie

Volgens Wouter van Ginkel, secretaris van de Commissie Het Werkend Perspectief, is het duidelijk dat ‘de reintegratie tot nu toe niet succesvol is’.

 

De oorzaak is complex, stelt hij.

 

‘De slechte economie van dit moment is zonder meer een belangrijke factor. Reintegratiebedrijven kunnen daardoor moeilijker hun omzet en doelstellingen realiseren. Maar we moeten reeel zijn. Toen de economie het goed deed, kwam ook bijna niemand aan het werk.

 

Ons rapport ‘Onbekend maakt onbemind’ toont aan dat er structurele belemmeringen bestaan.

 

Zowel aan de werknemers- als aan de werkgeverskant is sprake van hardnekkige negatieve beeldvorming.

 

En hoe gaan professionals om met die beeldvorming? We moeten vrij kritisch zijn over wat er de afgelopen jaren is gebeurd.’

 

De reintegratiebedrijven kijken daar anders tegenaan. Marius Touwen is directeur van reintegratiebedrijf Alexander Calder uit Zwolle. Hij verwacht dat de plaatsingspercentages voor dit jaar uiteindelijk tien tot twintig procent onder het niveau van het contract van 2001 zullen uitkomen.

 

Toch gaat het best goed met de plaatsing van arbeidsgehandicapten, beweert Touwen.

 

Hij wijst erop dat de definitie

 

‘arbeidsgehandicapte’ verbreed is. ‘Daardoor zijn de plaatsingscijfers van arbeidsgehandicapten hoger dan die van de WW’ers.’

 

Volgens de Zwolse directeur lijkt het of het allemaal slechter gaat.

 

‘Natuurlijk, door de economische situatie worden er minder mensen aangenomen. Maar de dalende trend van de plaatsingen verloopt in mijn optiek veel trager dan ik op basis van de economische neergang verwacht had’, zegt Touwen.

 

De grootste teruggang wijt hij bovendien aan veranderde definities.

 

Touwen: ‘Aanvankelijk was iedere arbeidsgehandicapte die wij aan het werk brachten, een plaatsing. Nu telt een plaatsing pas na twee maanden en moet een plaatsing zes maanden achtereen duren. Iemand die tussentijds veertien dagen uitvalt, telt niet mee. Dat drukt de aantallen naar beneden.’

 

Collega-directeur Tjeerd Hulsman van reintegratiebedrijf Argonaut noemt nog een andere oorzaak.

 

Hulsman: ‘Mensen presenteren zich uiteindelijk zelf bij een werkgever. Wij hebben ze vaak eerst weer geactiveerd en dat is precies wat nodig is om mensen aan het werk te krijgen. Die positieve invloed op inactieven wordt via onderzoek niet altijd aan ons toegeschreven.’

 

RWI-voorzitter Jan van Zijl laat in het midden of de bedrijven voldoende effectief zijn. Hij toont compassie. Van Zijl: ‘Het zou een wonder zijn als na drie jaar bedrijven in een slechte conjunctuur allemaal excellent presteren.’

 

Toch noemt hij een punt van zorg. ‘Reintegratiebedrijven zouden meer vraaggericht naar werkgevers kunnen werken.

 

Ze zijn nog te weinig gericht op mogelijke vacatures en vragen vanuit de markt. En het begint ermee dat de bedrijven moeten weten wat een te reintegreren persoon nodig heeft. Het gaat om de uitkomsten van het proces: plaatsing. Dat einddoel leeft nog te weinig. Er zijn nog te veel ‘trajectboeren’. De resultaatfinanciering ‘no cure, no pay’ verandert dat wel.’

 

Directeur Hulsman nuanceert die uitspraken. Volgens hem is Argonaut volcontinu op zoek naar vacatures en mogelijkheden om een client te plaatsen. Hulsman: ‘Onze opdrachtgevers willen een oplossing en je kunt alleen plaatsen als je de werkgevers kent.

 

Wij hebben daarom goede kennis van de arbeidsmarkt onder andere via contacten met branchepartijen.’

 

Sinds juli vorig jaar worden de reintegratiebedrijven volgens het principe ‘no cure, no pay’ afgerekend op succesvolle trajecten.

 

Voor moeilijker doelgroepen geldt ‘no cure, less pay’. De brancheorganisatie Borea waarschuwde vorig jaar al dat sommige bedrijven door no cure, no pay in de knel kunnen komen.

 

‘No cure, no pay is een onaanvaardbaar risico’, zegt Hulsman.

 

‘Een bedrijf moet vooraf investeren en daarna bijna twee jaar wachten op z’n geld. Als de economie maar even stagneert en je plaatst vijf procent minder dan je hebt gecalculeerd, moet je al een heel groot verlies nemen.

 

Wij hebben nu ‘gelukkig’ weinig no cure, no pay-trajecten en ik zal er ook niet meer op aanbesteden onder de huidige marktvoorwaarden.

 

Niemand zal het toegeven, maar ik denk dat er wel degelijk bedrijven zijn die door no cure, no pay in moeilijkheden komen’, aldus Hulsman.

 

Alexander Calder kreeg vorig jaar door een juridische onvolkomenheid geen no cure, no paytrajecten.

 

Directeur Touwen: ‘Een stevig bedrijf kan no cure, no pay aan. Maar het is voor iedereen wel lastig dat definities steeds veranderen. Dat maakt het voor bedrijven moeilijk offreren.’

 

De RWI is groot voorstander van resultaatfinanciering, maar koppelt daaraan wel voorwaarden.

 

Voorzitter Van Zijl: ‘Er moeten meerdere concurrerende opdrachtgevers zijn. En opdrachtgevers moeten ook heel goed weten wat zij als no cure, no pay aanbieden:

 

als je een heel diverse groep clienten aanbiedt, zal een reintegratiebedrijf sterk afromen en de makkelijke bemiddelbare voor zijn rekening nemen. Wil no cure, no pay werken, dan moet er sprake zijn van sterk homogene groepen met ongeveer dezelfde kenmerken en afstand tot de arbeidsmarkt. En je moet rekening houden met de conjunctuur.

 

Als RWI zijn we iets meer voor no cure, less pay om onverantwoorde risico’s in reintegratieland te voorkomen. Ook om te voorkomen dat de risico’s leiden tot prijsstijgingen.’

 

Voor elke client betaalt het UWV eenzelfde vastgesteld bedrag voor reintegratie. Extra middelen voor scholing zijn wegbezuinigd en moeten nu eventueel uit het vaste budget worden bekostigd.

 

Volgens secretaris Wouter van Ginkel van de Commissie Het Werkend Perspectief wil de overheid daarmee voor een dubbeltje op de eerste rij zitten. Van Ginkel: ‘Scholing zit niet meer in het budget, maar is in veel gevallen absoluut noodzakelijk. Daar lopen de reintegratiebedrijven keihard tegenaan.’ Volgens directeur Touwen werd er soms ook te veel en overbodig geschoold.

 

‘Ik vind het jammer dat het een totale maatregel is en je geen scholing kunt bieden als het echt nodig is. Nu bedenk je je nog wel een keer voordat je iemand naar scholing stuurt, want dat kost bijna meer dan een plaatsing opbrengt.’ RWI-voorzitter Jan van Zijl: ‘Scholing moet als maatwerk mogelijk zijn. Je moet voorkomen dat er met een ruim scholingsbudget lichtzinnig op scholing wordt ingezet, maar er lijkt nu te veel op bezuinigd te worden.’ Ook directeur Hulsman is duidelijk: ‘Er is niet zakelijk genoeg gesnoeid. Daar waar het nodig is om resultaat te bereiken, moet je scholing willen financieren.

 

Als er voor die gevallen extra geld beschikbaar was, had ik betere plaatsingspercentages.’

 

Hoe kan de effectiviteit van reintegratietrajecten verder worden verbeterd, ofwel hoe begeleid je arbeidsgehandicapten in een krimpende economie naar een baan? Volgens Wouter van Ginkel moet met name de beeldvorming over mensen met een handicap veranderen en moeten reintegratiebedrijven vooral ook positieve werkgevers beter begeleiden. Van Ginkel: ‘Je bent er alleen niet door vijf mensen bij een werkgever te plaatsen.

 

Het vergt een verantwoord personeelsbeleid en veelal ook een ander bedrijfsbeleid: mensen moeten zich niet aanpassen aan het werk, maar het werk moet zich aanpassen aan de mensen.

 

Dat verlangt een gedragsverandering en houdingsverandering bij werkgevers die daarin begeleiding nodig hebben. Dat het risico voor verzuim en WAOinstroom steeds meer bij werkgever en werknemer ligt, draagt enorm bij aan de mogelijkheden om daar iets aan te veranderen.’

 

RWI-voorzitter Jan van Zijl: ‘Reintegratiebedrijven en opdrachtgevers moeten hun klant kennen. Wat heeft de betrokkene nodig en wat is er voor vraag vanuit de markt? Dat vraagt maatwerk en dat ontbreekt nog te veel in reintegratieland. Dat is geen verwijt aan een enkele partij. Niet alleen de reintegratiebedrijven schieten daarin tekort, maar ook de opdrachtgevers.’

 

Volgens Van Ginkel moet bij reintegratie de client meer centraal worden gesteld. Hij is daarom blij met de invoering van de individuele reintegratieovereenkomst (IRO) per 1 januari van dit jaar. ‘Mensen moeten zelf invloed kunnen uitoefenen op hun eigen traject. Zij kunnen als beste beoordelen waar ondersteuning nodig is en wie dat moet verzorgen.’

 

Ook de RWI is positief over de IRO, een variant op het Persoonsgebonden Reintegratiebudget (PRB). Van Zijl: ‘Het lijkt er wel op dat het UWV een grotere rol krijgt dan wij met het PRB voor ogen hadden. Desondanks is de IRO een goede stap en een tegemoetkoming aan clientenorganisaties.

 

Misschien nog een te kleine stap.’ Marius Touwen: ‘Ik ben voor individuele keuzevrijheid, maar ik vrees door de IRO lange discussies met opdrachtgevers en clienten. Clienten willen bijna altijd scholing.

 

Maar je moet ook wel eens confronteren. IRO wekt de schijn of dat allemaal in compromis en harmonie gaat. Dat is wat ik er op tegen heb.’

 

Directeur Hulsman van Argonaut denkt dat door goed verwachtingenmanagement de werkzoekende gewezen kan worden op de kansen op de arbeidsmarkt.

 

Scholing die niet op deze arbeidsmarktkansen is gericht, hoort niet in een effectieve aanpak, dus ook niet als die op basis van de IRO is. ‘Het budget is nu eenmaal beperkt en kan maar een keer worden gebruikt. Je moet keuzes maken. De IRO zet vraag en aanbod op een andere manier scherper naast elkaar, dat is altijd goed. Maar ik geloof niet dat het leidt tot meer plaatsingen.’

 

Wellicht kan onderzoek hierover op termijn opheldering verstrekken.

 

Het aangekondigde ‘nader onderzoek’ van de RWI naar de effectiviteit van reintegratietrajecten staat inmiddels even in de kast. RWI-voorzitter Jan van Zijl: ‘Het UWV komt binnenkort ook met cijfers over de effectiviteit van reintegratieactiviteiten. Dat wachten wij even af. We bekijken daarna of aanvullend onderzoek gewenst is. Dat is effectief.’

 

Reageer op dit artikel