artikel

SER-advies klokkenluiders: Geen klokkenluiderscommissie private sector

Geen categorie

De adviesaanvraag spitste zich toe op drie concrete vragen over de onafhankelijke commissie:

 

1. Moet er voor de private sector een onafhankelijke commissie voor klokkenluiders komen?

 

2. Hoe moet die commissie worden samengesteld?

 

3. Moet een uitspraak van een dergelijke commissie openbaar zijn?

 

De minister ging er daarbij van uit dat het werkgevers en werknemers zouden zijn die de commissie zouden instellen, en dat deze commissie ook onder hun verantwoordelijkheid zou moeten werken.

 

Later heeft de minister nog gevraagd of de private sector een ‘klokkenluidersfonds’ moet instellen: een vergoedingsregeling voor klokkenluiders of een fonds onder verantwoordelijkheid van de sociale partners. Het kabinet heeft namelijk een vergoeding aan bouwfraude-klokkenluider Bos afgewezen, en wilde ook niets uitkeren aan klokkenluiders in het algemeen. Daarom kwam de Tweede Kamer met het plan voor zo’n fonds.

 

Overigens vindt de minister dit geen taak voor de overheid. Mocht de SER echter tot een andere conclusie komen, dan kan dit volgens de bewindsman alleen worden gerealiseerd door en onder uitsluitende verantwoordelijkheid van de sociale partners.

 

De SER nam de Verklaring van de Stichting van de Arbeid als uitgangspunt. Volgens die Verklaring is er geen sprake van klokkenluiden zolang een vermoedelijke misstand alleen binnen een onderneming wordt aangekaart. Dat is pas het geval als de werknemer dat vermoeden extern bekend maakt. Let wel: dit is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Sommige bedrijven spreken al van klokkenluiden als iemand intern stevig aan de bel trekt.

 

Ook de term ‘vermoeden van misstand’ wordt duidelijk omschreven. Hierbij gaat het om feiten of situaties waarbij een maatschappelijk belang in het geding is (of kan komen). Bovendien moeten ze te maken hebben met zijn eigen werksituatie (en niet met die in een ander bedrijf). Ten slotte moet het gaan om bijvoorbeeld gevaar voor gezondheid, veiligheid of milieu.

 

Maar de term omvat ook strafbare feiten, schendingen van wet- of regelgeving of onethisch gedrag. Belangrijk daarbij is dat niet elke wetsovertreding valt binnen de bescherming van de klokkenluiders. Het is immers niet voldoende dat een maatschappelijk belang in het geding is: er moet ook sprake zijn van een zekere ernst van het feit of de situatie. De nalatigheid moet een zeker gevolg teweeg kunnen brengen!

 

Met een vermoeden van een misstand moet zorgvuldig worden omgegaan. Een potentiele klokkenluider die te goeder trouw en als goed werknemer handelt, verdient bescherming. Zijn positie binnen het bedrijf mag niet worden aangetast omdat hij misstanden heeft gemeld. Maar dat geldt alleen als hij zowel procedureel als materieel zorgvuldig handelt, zo staat in de Verklaring van de Stichting van de Arbeid.

 

De potentiele klokkenluider handelt procedureel zorgvuldig als hij de zaken eerst intern aan de orde heeft gesteld, zonodig op het hoogste niveau, tenzij dat in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd of dat er strijd was met het maatschappelijk belang. Pas als deze weg geen oplossing biedt of niet tot correctieve actie leidt, kan de klokkenluider de feiten op passende en evenredige wijze extern bekend maken.

 

Van materieel zorgvuldig handelen is sprake als de potentiele klokkenluider het vermoeden heeft dat de betreffende feiten juist zijn. Ook moet er met de interne bekendmaking een maatschappelijk belang in het geding zijn of kunnen zijn. En ten slotte moet het belang van de externe bekendmaking in maatschappelijk opzicht prevaleren boven het belang van de werkgever bij geheimhouding.

 

De SER is geen voorstander van een klokkenluiderscommissie naar het voorbeeld van de publieke sector. Er bestaan namelijk grote verschillen tussen de situatie in de publieke en de private sector. Daardoor valt een publieke regeling niet gemakkelijk te ’vertalen’ zonder te stuiten op praktische en juridische bezwaren.

 

Immers, de ‘Commissie Integriteit Rijksoverheid (CIR)’ in de publieke sector functioneert binnen de Rijksoverheid als een interne commissie. Zowel de rechtspositie van de klokkenluider in de publieke sector als de positie van de CIR is in de wet verankerd.

 

Bij het uitoefenen van haar taak kan de CIR het bevoegd gezag alle inlichtingen vragen die zij nodig heeft. Zij kan het advies geanonimiseerd openbaar maken (hoewel het aan het bevoegd gezag zelf is om te bepalen of en zo ja hoe het advies wordt geimplementeerd).

 

Daarentegen bestaat de private sector uit vele soorten zelfstandige ondernemingen die niet, zoals de rijksoverheid, een geheel vormen. Een commissie hier zou geen onderdeel zijn van een interne klokkenluidersprocedure. Mede daardoor zou zij – volgens de SER – niet de uitgebreide bevoegdheden kunnen hebben die de CIR wel heeft.

 

Er is nog een verschil tussen beide sectoren. Een private commissie met verregaande onderzoeksbevoegdheden kan het functioneren van ondernemingen flink ondermijnen. En bovendien komt daarmee wellicht de beleidsvrijheid van een ondernemer in het geding.

 

Ook de Raad van State heeft in het verleden de verschillen benadrukt tussen de overheid als publieke dienst en de onderneming als private organisatie. Daarom moeten er volgens de Raad aan klokkenluidersregelingen voor beide sectoren verschillen ten grondslag liggen.

 

De SER antwoordt dus ontkennend op de eerste vraag van de minister. Vanzelfsprekend komt de SER ook niet toe aan de vraag hoe een klokkenluiderscommissie zou moeten worden samengesteld, en of haar uitspraken openbaar zouden moeten zijn.

 

De SER spreekt wel zijn voorkeur uit voor een andere oplossing, een die aansluit bij de benadering van het kabinet. De regering vindt dat in de marktsector een regeling voor het klokkenluiden door zelfregulering tot stand moet komen. Uitgangspunt is dat sociale partners primair zelf verantwoordelijk zijn voor de manier waarop moet worden omgegaan met vermoedens van misstanden in de onderneming. Wel hebben werkgevers en werknemers behoefte aan een gedragscode. Die is al aanwezig want de Stichting van de Arbeid heeft er in juni 2003 een opgesteld. De SER vindt dat partijen op het decentrale niveau door moeten gaan met het ontwikkelen van klokkenluiderscodes op basis van de voorbeeldregeling van de Stichting. De raad vindt het voorbarig zo kort na het totstandkomen daarvan nieuwe voorstellen te doen. Het is beter de evaluatie van de voorbeeldregeling van de Stichting af te wachten, die in 2006 op het programma staat.

 

De SER noemt wel nog uitdrukkelijk de mogelijkheid voor de werknemer om zich tot een onafhankelijke vertrouwenspersoon of -instantie te wenden.

 

Er lag nog een tweede vraag van de minister: wat vindt de SER van een vergoedingsregeling of een fonds voor klokkenluiders, dit onder verantwoordelijkheid van sociale partners? Het kabinet ziet dat niet zitten en de SER evenmin. Een werknemer die een misstand meldt volgens de regels die de Stichting van de Arbeid ontworpen heeft, kan al rekenen op bescherming. Mocht zo’n werknemer door zijn werkgever worden benadeeld, dan kan hij zijn schade terugvorderen op grond van bestaande wetgeving. Zowel het arbeidsovereenkomstenrecht als het algemeen verbintenissenrecht biedt volgens de SER daarvoor voldoende mogelijkheden en aanknopingspunten. Als mogelijke knelpunten voor de klokkenluider noemt de SER:

 

1. de situatie waarin de klokkenluider als gevolg van het faillissement van de werkgever zijn (inkomens)schade niet kan verhalen;

 

2. de situatie waarin de klokkenluider zijn juridische procedure(s) wegens gebrek aan financiele middelen moet staken;

 

3. het plan van het kabinet om vergoedingen (inkomsten in verband met beeindiging van de dienstbetrekking) geheel of gedeeltelijk in mindering te brengen op de WW-uitkering.

 

Het is nog onduidelijk tegen welke obstakels de zorgvuldig meldende werknemer na een eventuele wetswijziging zal oplopen in zijn zoektocht naar schadeloosstelling. Maar, zegt de SER, het is de verantwoordelijkheid van de overheid te zorgen voor een zodanig samenstel van regels dat eventuele knelpunten worden opgelost. Er is dan ook geen aanleiding om te pleiten voor een klokkenluidersfonds.

 

Te hopen is dat werkgevers en werknemers het advies van de SER aan de minister ter harte nemen. Als de regeling van de Stichting van de Arbeid wordt opgenomen in de CAO, krijgt de klokkenluider in elk geval de minimale bescherming. Dan is het alle betrokken partijen duidelijk wat van hen kan worden verwacht.

 

Of een werknemer met inkomensschade voldoende houvast heeft aan het civiel recht, moet worden afgewacht. Er is immers in een dergelijke situatie geen sprake van ‘equality of arms’, waardoor de positie van de werknemer vaak niet al te sterk is. De SER heeft daar terecht op gewezen. Het woord is nu aan de politiek!

 

MEER INFO

 

Het volledige rapport van de SER kan worden ingezien en gedownload via www.ser.nl, bij publ icaties.

 

De Verklaring inzake het omgaan met vermoedens van misstanden in ondernemingen kan bij de Stichting van de Arbeid in haar geheel worden gedownload op: http://www.stvda.nl/_uploads/ 2003_verklaring.pdf

 

 

Reageer op dit artikel