artikel

Sjakie en de nieuwe sociale zekerheid

Geen categorie

In de eerste gespreksronde wordt bekeken wat de consequentie is van het nieuwe stelsel voor de jonge Sjakie. Een van de kenmerken van het nieuwe stelsel is de indeling van de levensloop in drie fasen: de vormings-, de productieve en de postactieve fase. In de vormingsfase heeft een jongere recht op een scholingsfonds tot aan het bachelor-niveau (een driejarige hbo- of universitaire opleiding). Een eventueel overschot kan worden meegenomen naar de levensloopregeling van de productieve fase. Iemand kan ook besluiten langer te studeren, maar dat betekent dat hij of zij ‘rood komt te staan’ op de levensloopregeling. Sjakie is 15 jaar en verwacht volgend jaar zijn eindexamen te behalen. Hij twijfelt over wat hij daarna gaat doen. Hij wil aan de ene kant werken en geld verdienen, aan de andere kant wil hij doorleren omdat hij ooit een eigen Citroen-bedrijf wil opzetten. Hij legt zijn twijfels voor aan zijn decaan Mathieu van Deventer (ROC). ‘Je zegt dat je wilt sleutelen en ook ondernemer wilt worden. Als je het laatste wilt, dan kan het eerste niet. Ga je nog vier jaar naar school, dan kun je instromen als bedrijfsleider. Dat is een vrij kansrijke weg naar het ondernemerschap. Ook is eventueel een optie om vier dagen te werken en een dag te studeren. Op deze manier zou je wellicht ook kunnen doorgroeien van monteur naar ondernemer.’

 

Ronald de Leij (AWVN) vindt dat Sjakie moet doorleren zolang hij goede cijfers haalt. ‘De maatschappij stelt: als het goed gaat op school kun je wat ons betreft doorleren. Wij betalen jouw opleiding tot en met de bachelor. Je kunt ook een deel van dit scholingsfonds bewaren en op latere leeftijd nog gaan studeren. Sjakie is in dit stelsel zelf beheerder van zijn scholingsfonds en kan zelf bepalen wanneer hij wil studeren en wanneer werken.’

 

Sjakie vraagt zich echter wel af of langer doorleren niet betekent dat hij pas latermet pensioen kan. De Leij (AWVN): ‘De regel rond het pensioen is in dit stelsel heel simpel: iedereen die 65 is, krijgt AOW. Ongeacht of je wel of niet gewerkt hebt. Vind je dat bedrag te laag, dan moet je in de productieve fase zelf sparen. Het is niet meer zo dat je vroeger met pensioen kan gaan als je eerder begint met werken. Wel kun je eerder stoppen met werken als je in de productieve fase meer spaart. En dan is de vraag of je meer kan sparen als je doorleert of als je eerder begint met werken. Die rekensom moet je zelf maken.’ Van Deventer (ROC) heeft nog een ‘pensioentip’ voor Sjakie: ‘’Wil je echt nu al wat regelen voor je pensioen, ga dan oldtimers sparen. Sleutelend daaraan kun je een aardig kapitaaltje vergaren.’

 

Sjakie is ondanks alle adviezen om door te leren toch op zestienjarige leeftijd gaan werken. Na twee jaar besluit hij terug te keren naar school en na vier jaar rondt hij zijn mbo-opleiding voor autotechnicus af. Aangezien het studeren hem makkelijk afging, overweegt hij om verder te gaan met een driejarige hbo-studie. Alleen, vraagt Sjakie zich af, heeft hij daarvoor nog geld in zijn scholingfonds? En wat zijn de gevolgen van doorleren voor de opbouw van zijn levensloopregeling? Sjakie is lid van de vakbond en klopt daar aan met zijn vragen. Ton Heerts (FNV) heeft een duidelijk advies voor Sjakie: ‘Ga werken en volg een deeltijdstudie. Jouw scholingsfonds is niet meer toereikend om nog drie jaar fulltime te kunnen studeren. Doe je het toch, dan kom je rood te staan op je levensloopregeling en dat moet je dan later compenseren. Ik zou wel nu doorzetten met de studie. Als je straks een gezin hebt, is de combinatie studeren en werken in praktisch en financieel opzicht veel zwaarder.’

 

Van Deventer (ROC) verbaast zich dat voor een mbo’er het scholingsfonds niet toereikend is om door te stromen naar het hbo. ‘Het was in principe bij iedereen gevuld tot het bachelorniveau.’ De Leij beaamt dat het nieuwe stelsel hier een onvolkomenheid lijkt te vertonen. ‘Onze voorstellen zijn in eerste plaats bedoeld om stof tot nadenken te geven. Allerlei verschillende opties hebben we nog niet helemaal doorgerekend. De leidende gedachte achter het scholingsfonds is: ongeacht waar je wieg staat, jij krijgt van de maatschappij een bepaald budget mee om in je scholing te voorzien.’

 

Jan van der Vlist (Bovemij) bespeurt nog een nadeel van het scholingsfonds. ‘Degenen die gaan studeren, gebruiken het budget helemaal op. Doen ze dat niet, dan blijft er geld over waar ze niets aan hebben.’ Heerts is het daar niet helemaal mee eens: ‘Stel dat je ontslagen wordt of iets anders wilt gaan doen. Het restant in het scholingsfonds kun je dan gebruiken voor (om)scholing. Ook schoolverlaters zonder diploma kunnen hiermee later alsnog hun opleiding af maken. Ongeschoolden redden het vaak wel tot ze midden twintig zijn en dan komen ze er achter dat ze met een diploma toch verder komen. Ze kunnen dan alsnog hun keuze bijstellen.’ Het overschot van het scholingsfonds kan overigens niet voor andere doelen worden ingezet. Heerts: ‘We willen veiligstellen dat dit bedrag inderdaad voor scholing wordt gebruikt. In het nieuwe stelsel kunnen mensen hun scholingsfonds naar eigen inzicht gebruiken, zowel in hun jeugd als later in hun leven. Ons uiteindelijke doel is hiermee te bewerkstellingen dat ze in zichzelf investeren en minder een beroep op de sociale voorzieningen hoeven te doen.’

 

Sjakie besluit in deeltijd te gaan studeren. Vanwege de ziekte van een van zijn ouders rondt hij pas in 2024 zijn hbo-studie af. Ondertussen heeft hij Sharon ontmoet en voordat zij gaan samenwonen, besluiten ze eerst een half jaar te gaan reizen. Na terugkomst vinden hij en Sharon al snel werk. Na vijf jaar komen er kinderen. Als de jongste in 2036 naar de basisschool gaat, willen Sharon en Sjakie de taken slim verdelen. Ieder voldoende tijd voor werk en zorg, en tegelijkertijd niet teveel inboeten op de levensloopregeling. Hoe stel je echter de juiste mix samen? Sjakie besluit zich te wenden tot zijn P&O-manager.

 

Vonny Souisa (StergamPordon) vindt het lastig om Sjakie een ‘kant en klaar recept’ te geven. ‘Je hebt verlof opgenomen om je ouders te verzorgen en daarna ben je er een half jaar uit geweest. Je hebt daardoor weinig overschot op je levensloopregeling en evenmin heb je veel kunnen sparen voor je pensioen.’ Souisa zegt Sjakie toe om te gaan informeren bij de overkoepelende werkgeversorganisaties wat precies de opties zijn. De Leij (AWVN) is er vrij duidelijk over: ‘Minder werken is minder verdienen en minder inkomensruimte. Overigens zou ik stoppen met werken, omdat de kinderopvang te duur is, zeker niet aanraden. Als je meer verdient dan de kinderopvang kost, kun je toch je pensioen en je levensloopregeling opbouwen.’ Heerts (FNV) vindt dat een typisch werkgeveradvies: ‘Een bedrijf kan ook redeneren: wil ik investeren in Sjakie? Zo ja, kan ik dan een oplossing verzorgen voor het opvangprobleem dat hij heeft met zijn kinderen?’ Donald Hekscher (UWV) vraagt zich af of het voor een bedrijf niet mogelijk is een potje te maken voor kinderopvang of andere onvoorziene omstandigheden. ‘Het lijkt me dat op bedrijfstakniveau hiervoor wel een collectieve regeling gemaakt kan worden. Hieruit kan een bedrijf dan zorgverlof, kinderopvang of ander verlof betalen.’

 

De Leij (AWVN) vindt zelf dat kinderopvang een maatschappelijke voorziening moet worden, net als onderwijs. ‘Met onze voorstellen voor de sociale zekerheid proberen we de relatie tussen individu en samenleving te herdefinieren. Wat kan jij van de samenleving verwachten? En wat kan de samenleving van jou verwachten? Wil de maatschappij dat mensen meer werken maar is de kinderopvang een hindernis, dan moeten we er gezamenlijk voor zorgen dat er een goede en betaalbare opvang komt.’

 

Van der Vlist (Bovemij) wil Sjakie tot slot op nog een ding wijzen. ‘Als jullie minder gaan werken om een betere balans tussen zorg en werk te krijgen, kun je minder sparen voor je pensioen. Dat betekent waarschijnlijk dat je niet voor je 65e kunt stoppen met werken.’

 

Helaas gaat het in de loop van 2036 minder goed met het bedrijf waar Sjakie werkt. Hij wordt ontslagen en besluit met twee collega’s een eigen bedrijf te beginnen. Ze kunnen tijdelijk terugvallen op een basisuitkering. Hiermee kunnen ze in hun levensonderhoud voorzien en een aanvullende opleiding bekostigen. Het betekent wel dat er minder voor het pensioen wordt gespaard. De moeite loont echter, want in 2037 opent Sjakie met zijn collega’s hun eigen bedrijf.

 

Hekscher (UWV): ‘Iemand wordt werkeloos en dan blijkt het scholingspotje op te zijn. Wat dan?’ Volgens De Leij (AWVN) heeft Sjakie door zijn opleidingen meer kansen op de arbeidsmarkt. ‘Ontslagen worden is geen probleem als je snel weer aan de slag kan. In het nieuwe stelsel is het uitgangspunt: we laten je als samenleving niet vallen maar je moet er wel voor zorgen dat je zo snel mogelijk weer aan de slag komt. Sjakie krijgt een basisuitkering. Bij de berekening hiervan wordt wel gekeken naar hetgeen iemand gespaard heeft en wat hij had kunnen sparen.’ Met dit idee heeft Van der Vlist (Bovemij) toch wat moeite. ‘Medewerkers met de betere banen kunnen meer sparen dan de lager betaalden. Dit nieuwe stelsel benadeelt zo de lager betaalden.’

 

De Leij (AWVN) vindt die kritiek niet helemaal terecht. ‘De hogere inkomens vallen verder terug en zullen hun spaargeld meer nodig hebben. Overigens spaar je nu ook voor een WW-uitkering maar weet je nooit zeker waar je uiteindelijk recht op hebt. Als het kabinet besluit de werkeloosheiduitkering te korten of te verlagen dan kun je daar weinig aan doen. Ook al heb je daarvoor veel premie betaald. Spaar je zelf dan heb je wel zekerheid over het bedrag dat je uiteindelijk krijgt. Dat is veel duidelijker. Op het gebied van sociale zekerheid wordt een werknemer in ons stelsel een zelfstandig ondernemer.’

 

Gelukkig gaat het Sjakie en zijn bedrijf voor de wind. Als hij zestig wordt, besluiten hij en Sharon dat ze graag de komende drie jaar het werken willen afbouwen om meer te gaan reizen en zich in te zetten voor vrijwilligerswerk. Alleen is de vraag: hebben ze voldoende gespaard om met vervroegd pensioen te gaan? Sjakie besluit bij Van der Vlist (Bovemij) te informeren wat zijn mogelijkheden zijn. Van der Vlist: ‘De vraag is: wat wil je? Helemaal stoppen? Of nog deels door blijven gaan? Cruciaal hierbij is of iemand eventueel jouw bedrijf wil overnemen. Je moet bekijken of dat bedrag, samen met hetgeen jullie gespaard hebben, voldoende is om met vervroegd met pensioen te gaan. En misschien heb je toentertijd goed naar je decaan geluisterd en inderdaad een verzameling oldtimers aangelegd. Verkoop je die nu, dan moet stoppen met werken haalbaar zijn.’

 

Na het doorlopen van de case zijn de ‘testers’ redelijk positief over het nieuwe stelsel. Hekscher (UWV): ‘De basis is mooi. Het dwingt je na te denken over hoe een levensloop in elkaar zit. De voorzieningen zijn echter minimaal. Bovendien is onduidelijk hoe lang de overheid die basisuitkering garandeert. Ik verwacht dat, als dit stelsel zou worden ingevoerd, binnen de bedrijfstakken ook collectieve regelingen zullen komen. Wat me erg aanspreekt, is dat er weer eens serieus nagedacht wordt over de toekomst van de sociale zekerheid op niveau van werkgevers en werknemers. Dat is te lang achterwege gebleven. Op dit moment heeft de overheid helemaal de macht gegrepen in de sociale zekerheid. Een ander pluspunt van dit nieuwe stelsel vind ik dat werknemers en werkgevers de zeggenschap over hun eigen gespaarde gelden weer terugkrijgen.’

 

Het grote voordeel van het nieuwe stelsel vindt Souisa (StergamPordon) dat mensen zich bewust worden van budgetten. ‘Ze realiseren zich vaak te weinig wat de kosten en opbrengsten zijn van zoiets als scholing. Toch lijkt het mij ook raadzaam om een vorm van collectieve regeling op bedrijfstakniveau in te stellen, waarop kan worden teruggevallen als het scholingsfonds leeg is of als iemand arbeidsongeschikt wordt. Tevens bekruipt me de gedachte: wie gaat al die ‘potjes’ registreren? Dat lijkt me een omvangrijke administratieve klus.’

 

Ook Van Deventer (ROC) vindt het stimuleren van kostenbewustzijn een van de sterke kanten van dit systeem. ‘In het huidige stelsel hebben de mensen geen idee hoeveel een opleiding of een behandeling in het ziekenhuis kost. Wel vind ik dat er nu erg veel open einden zijn in dit nieuwe stelsel die nog goed doordacht moeten worden. Daarnaast heb ik toch enige twijfels over het instellen van een individueel budget. Zelf heb ik ervaring met het persoonsgebonden budget (PGB) voor gehandicapten. De grondgedachte is goed, alleen is de praktijk dat je je door een hele papierberg heen moet worstelen om uiteindelijk hiervoor in aanmerking te komen.’ Van der Vlist (Bovemij) vindt het positief dat het stelsel mensen dwingt om over hun situatie na te denken. ‘Iedereen wordt een ondernemer van zijn eigen leven. Ik vind positief dat het onderscheid in zekerheid tussen zelfstandigen en werknemers verdwijnt. Alleen is het mij niet helemaal duidelijk wanneer je wat en op welke wijze moet gaan regelen. Wel begrijp ik dat een 25-jarige zich al moet gaan bezighouden met zijn pensioen. Ik vraag me af of ze daar op die leeftijd zin in hebben.’

 

Volgens de ‘meedenkers’ over het nieuwe stelsel – Heerts (FNV) en De Leij (AWVN) – was het belangrijkste doel van het raamwerk om weer een debat op gang te krijgen over de sociale zekerheid. Heerts: ‘Wij willen dat de vraag wordt gesteld: waar begint de maatschappelijke verantwoordelijkheid en waar houdt die op? En: wat hebben we over voor onze medemens? Daarnaast staat in het nieuwe stelsel ook de persoonlijke ontwikkeling centraal. Met het geld dat je opzij zet, kun je meer sturing aan je eigen leven geven. Alleen worstel ik als vakbondsbestuurder er wel mee welke rol de CAO in dit nieuwe stelsel kan spelen.’

 

De Leij vindt dat de afgelopen jaren te weinig is nagedacht over het doel van de sociale zekerheid. Het gevolg daarvan was dat de sociale zekerheid voor oneigenlijke zaken werd gebruikt. ‘In de bouw kwam het voor dat als het ging vriezen de werknemers in de WW belandden. Dat was wel een erg makkelijke oplossing. Steeds meer bouwbedrijven zetten zich in om andere – niet aan het weer gerelateerde – activiteiten in die periode te ontwikkelen.’

 

Een ander nadeel van de huidige sociale zekerheid is de onzekerheid die het stelsel nu kenmerkt. De Leij: ‘Als je invalide wordt, weten zelfs de deskundigen niet wat precies je inkomen zal worden. Persoonlijk vind ik dat een schandalige situatie. In het nieuwe stelsel beheer je zelf jouw ‘potje’ en weet je dat wel.’ De Leij voegt eraan toe dat hij het prettig vond het nieuwe stelsel toe te lichten aan de hand van een praktijkvoorbeeld. ‘Anders loop je de kans dat je gaat ‘zweven’.’ Ook Heerts is positief over het gebruik van de case: ‘Je komt zo toch weer punten tegen om verder over na te denken.’

 

Zowel ‘testers’ als ‘meedenkers’ concluderen dat het nieuwe stelsel op zich waardevol is. Een goede communicatie is hierbij echter ook van belang. Vooral naar jongeren toe aangezien die zelden met hun (verre) toekomst bezig zijn. ‘Er zou al veel gewonnen zijn als je jongeren duidelijk kunt maken dat ze diverse keuzemogelijkheden hebben, ook later nog,’ aldus Van Deventer (ROC). Wordt het nieuwe socialezekerheidstelsel ingevoerd, dan zal er al in het onderwijs begonnen moeten worden om burgers inzicht te geven in hun keuzen in het stelsel tijdens hun levensloop.

 

En hoe kijkt Sjakie terug op de case? Die voelt zich door het nieuwe stelsel goed geholpen: ‘Het maakt zaken duidelijk en dat hielp mij om keuzen in mijn leven te maken.’

 

Reageer op dit artikel