artikel

Sporten via het werk raakt in

Geen categorie

Van alle ondervraagde werkgevers organiseerde vorig jaar 40 procent sport en beweegactiviteiten (in dit onderzoek: activiteiten die op regelmatige basis (minimaal 1 keer per maand) binnen of buiten werktijd worden georganiseerd door het bedrijf of instelling voor de werknemers). Als we de resultaten van dit onderzoek doortrekken naar heel Nederland, dan komen we op een percentage van 32 procent (zie tabel 1). Grote werkgevers, met 500 of meer werknemers, organiseren vaker sport- en beweegactiviteiten dan kleinere werkgevers met 50-500 werknemers.

 

 

Tabel 1. Percentage werkgevers dat in 2006 bewegingsprogramma’s/sportactiviteiten of activiteiten op het gebied van overgewicht organiseerde, uitgesplitst naar grootte bedrijf/instelling en gewogen totaal percentage

 

Landelijk bleek dertien procent van de werkgevers activiteiten te organiseren op het gebied van overgewicht (zie tabel 1). Grotere werkgevers waren opnieuw actiever dan kleinere.

 

Wat voor activiteiten ontplooiden werkgevers precies? Vooral (gedeeltelijke) tegemoetkoming in de kosten van fitness buiten de organisatie was in 2006 populair. Veel grote bedrijven organiseerden interne bedrijfsfitness, evenals enkele van de wat kleinere bedrijven. Het valt op dat grote bedrijven vaker voorlichtingsprogramma’s organiseerden dan kleinere (zie tabel 2).

 

 

Tabel 2. Meest genoemde sport- en beweegactiviteiten uitgesplitst naar organisatiegrootte

 

TNO vroeg de deelnemers aan de enquete ook waarom zij bewegingsactiviteiten ontplooiden. De belangrijkste redenen waren het verbeteren van de conditie van de werknemers en het verminderen van ziekteverzuim en de bijbehorende kosten. Voor grotere werkgevers vormde verzuimreductie een motief, voor kleine was vooral conditieverbetering van belang. Ongeveer een kwart van de werkgevers die geen sport- en beweegactiviteiten organiseerden, deed dit niet bewust, maar had er gewoon nog niet over nagedacht. Andere veel genoemde redenen om niets te organiseren waren: werknemers bewegen voldoende tijdens het werk; er bestaat te weinig animo onder de werknemers of het aantal werknemers is te klein, tijd en/of geen geschikte locatie ontbreken (vooral bij werknemers in ploegendienst en/of buitendienst). Enkele werkgevers rapporteerden dat zij in het verleden sport- en beweegactiviteiten hadden aangeboden, maar daar bij gebrek aan belangstelling mee waren gestopt.

 

Tien procent van de werkgevers die vorig jaar nog geen sport- of beweegactiviteiten organiseerden, wil dat de komende twaalf maanden gaan doen. Van de kleine werkgevers (50-100 werknemers) is 7 procent dit van plan, van de middelgrote (100-500 werknemers) 11 procent en van de grote (500 of meer werknemers) 20 procent. Van de werkgevers die al sport- en beweegactiviteiten organiseren, wil 23 procent de komende twaalf maanden er nog meer aan gaan doen. 18 procent van de kleine werkgevers is dit van plan, tegen 28 procent van de middelgrote werkgevers en 29 procent van de grote werkgevers.

 

TNO combineerde de resultaten van de enquete met eerder branchespecifiek onderzoek naar het percentage werknemers dat (on)voldoende beweegt en het percentage werknemers met een (on)gezond gewicht in verschillende sectoren (Proper en Hildebrandt 2005, zie literatuuroverzicht). Het valt op dat in sommige branches met veel overgewicht slechts weinig werkgevers bewegingsprogramma’s of sportactiviteiten organiseren, bijvoorbeeld de bouwnijverheid en reparatie van consumentenartikelen en handel, zie tabel 3.

 

Tabel 3. Percentage werkgevers dat bewegingsprogramma’s/sportactiviteiten of activiteiten op het gebied van overgewicht organiseerde, uitgesplitst naar branches

 

 

Wanneer we de resultaten van de laatste enquete vergelijken met de twee eerdere, dan valt op dat het aantal werkgevers dat sport- en beweegactiviteiten organiseerde sterk is toegenomen: van 14 procent in 1996 en in 2003 tot 32 procent in 2006. Ook zijn meer werkgevers van plan de komende twaalf maanden voor het eerst iets te gaan doen op dit gebied: 10 procent tegen 3 procent. Vooral de kleinere werkgevers hebben een grote inhaalslag gerealiseerd, hoewel zij nog steeds achterblijven bij de grotere werkgevers.

 

De gevonden stijging is in lijn met de toegenomen aandacht de afgelopen jaren voor bewegen in het algemeen en bewegingsstimulering in bedrijven in het bijzonder. Verrassend is wel de omvang van deze toename: meer dan een verdubbeling van het aantal werkgevers dat zegt actief te zijn op dit terrein. Misschien speelt mee dat de geinterviewde personen zich anno 2006 bewuster waren van het onderwerp en een beter inzicht hadden in het feitelijke bedrijfsbeleid op dit terrein dan voorheen.

 

Dat neemt niet weg dat de grote meerderheid van de werkgevers – 68 procent – geen actief leefstijlbeleid voert. En maar liefst 87 procent neemt geen enkele maatregel tegen overgewicht. Daarom valt het te hopen dat de gevonden stijging de komende jaren zal doorzetten.

 

Hildebrandt V.H., ‘Sporten is vooral een aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarde: bewegingsprogramma’s: een marginaal verschijnsel?’ Arbeidsomstandigheden 1997;73 (9):406-408.

 

Proper K.I. en V.H. Hildebrandt, ‘Physical activity among Dutch workers: difference between occupations. Preventive Medicine, 2006;43:42-45.

 

Proper K.I. en V.H. Hildebrandt, ‘Overgewicht en obesitas onder de Nederlandse werknemers – verschillen tussen beroepen en branches’, in: Ooijendijk W.T.M., Hildebrandt V.H. en M. Hopman-Rock, Bewegen Gemeten 2002-2004, TNO, 2005.

 

Schoenmaker N en V.H. Hildebrandt, Bewegingsactiviteiten in bedrijven nemen niet toe, TNO, 2004.

 

Reageer op dit artikel