artikel

Verslapt de aandacht voor RSI?

Geen categorie

De discussie rond de aanduiding is evenmin stilgevallen.

 

Blatter: ‘RSI is geen handige term omdat het de lading niet dekt. De klachten die ermee worden aangeduid, hebben niet alleen het herhaald (repetitive) uitvoeren van taken als oorzaak, maar ook statische situaties. Een aantal beroepsgroepen (waaronder artsen en fysiotherapeuten) hebben daarom in 2004 afgesproken het niet langer over RSI, maar over CANS te hebben: Complaints of Arm, Neck and/or Shoulder. Het is een betere aanduiding, maar vormt niet het laatste woord in de discussie. Naast het feit dat het een beetje knullige term is – ‘klachten’ laat zich hier niet als ‘complaints’ vertalen, en Engelstaligen hebben het niet over CANS – wordt de term niet door iedereen gedragen.

 

Het ministerie van Sociale zaken gebruikt ‘KANS’ (Klachten aan Arm, Nek en/of Schouder), in de richtlijnen voor bedrijfsartsen wordt gesproken over ‘KASN’. Bij TNO proberen we de klachten zo veel mogelijk te omschrijven, maar hebben we het soms nog steeds over RSI, omdat het een ingeburgerde term is die iedereen kent. Zolang we maar weten dat we het over hetzelfde hebben, is de discussie over de aanduiding eigenlijk niet interessant.

 

Het is veel belangrijker dat de klachten serieus worden genomen.’

 

Het lastige aan RSI is dat het perspectief van patient, behandelaar en wetenschapper van elkaar verschilt.

 

Voor een patient is er de klacht die RSI wordt genoemd, maar voor een behandelaar is RSI niet meer dan een ‘paraplubegrip’ voor een zeer diverse verzameling van klachten aan nek, schouder, arm en/of hand. Divers, omdat er vooralsnog geen bewijzen zijn voor een gemeenschappelijke oorzaak.

 

Sterker nog, hoewel een deel van de RSI-klachten specifiek is, is een veel groter deel a-specifiek. Blatter: ‘Specifieke klachten zijn te herleiden tot een duidelijk omlijnde diagnose die door middel van een test in de behandelkamer kan worden aangetoond, zoals bijvoorbeeld bij een peesschedeontsteking.

 

Maar de meeste RSI-klachten zijn a-specifiek en laten zich niet met een diagnose labelen, hoewel de pijn wel degelijk echt is.’

 

De wetenschap ten slotte houdt zich bezig met fundamenteel onderzoek in meerdere naast elkaar bestaande onderzoeksrichtingen. Blatter: ‘Een fundamentele vraag vanuit wetenschappelijk oogpunt is ‘Kunnen we effecten aantonen in de spieren?’ Er worden nog steeds allerlei hypothesen geopperd, die stuk voor stuk worden onderzocht. Zijn het de zenuwen, is het de onvolledige doorbloeding van spierweefsel die klachten veroorzaakt of zijn het de spieren zelf die langdurig onder een lichte spanning staan? De oorzaak, zo die er al is, is echter nog niet gevonden.’

 

Dat wetenschappelijk onderzoek nog geen duidelijke resultaten heeft voortgebracht, wil volgens Blatter niet zeggen dat er op de werkvloer niets tegen RSI gedaan kan worden. ‘We moeten zeker niet achteroverleunen en wachten tot de wetenschap met resultaten komt, want er is wel bekend wat de risicofactoren zijn die bij RSI een rol spelen. Met die kennis en met het gezonde verstand kunnen we wel degelijks iets doen. De risicofactoren liggen op het ergonomische vlak, zoals lang achter elkaar een taak uitvoeren of juist heel statisch bezig zijn. Ook mentale druk speelt een rol, met spanning in de spieren als gevolg. Probeer iets te doen met al die risicofactoren tegelijk. Een aangepaste muis kan effectief zijn, maar als de deadlines te scherp zijn en daardoor de werkdruk te hoog is, helpt die muis nog steeds niet. Het gaat om het geheel, de optelsom van de diverse factoren.’

 

Hieruit volgt logischerwijs de vraag welke maatregelen of instrumenten effectief zijn bij het tegengaan van RSI. Blatter: ‘Er is in wetenschappelijke zin weinig bekend over de effectiviteit van preventieve maatregelen, omdat daar nog steeds weinig onderzoek naar is gedaan. Momenteel vindt er wel dergelijk onderzoek plaats, maar we zijn nog niet zover dat we al harde conclusies kunnen trekken over welke maatregelen wel en welke niet effectief zijn.’

 

Nu RSI minder in de belangstelling staat dan een aantal jaren geleden, rijst de vraag hoe het zit met het aantal werknemers met klachten. Neemt dat af, of juist toe? Blatter: ‘Als je mensen vraagt ‘Heb je de laatste tijd last gehad van klachten aan arm, nek of schouders?’, zegt ongeveer 27 procent ‘ja’. Dat percentage is tussen 2000 en 2006 gelijk gebleven, terwijl het in 1998 20 procent was (over 1999 hebben we geen cijfers). Kijk je naar de intrede tot de WAO, dan is er tussen 1998 en 2001 sprake van een verdubbeling van de RSI-instroom. Daarna, tot 2004, is deze gedaald tot het niveau van 1998. Over meer recente cijfers beschikken we nog niet. Het algemene beeld is dat de ernstige RSI-klachten minder worden, maar dat het aantal pijnklachten gelijk blijft. Wat we zien is dat als mensen klachten hebben, de werkgever op dat moment pas in actie komt. Bedrijven zijn op dit punt meewerkend, maar de aanpak is repressief. Op het preventieve vlak gebeurt er nog heel weinig, er is nauwelijks RSI-beleid. De informatie over RSI is er, onder andere door de verbeterde voorlichting, maar er wordt in het algemeen nog onvoldoende mee gedaan. Al was de media-aandacht van eind jaren negentig een echte hype, RSI is allerminst een ingebeelde ziekte.

 

Onderzoek heeft weliswaar nog geen duidelijke oorzaak aan het licht gebracht, maar de cijfers over pijnklachten en arbeidsongeschiktheid zijn uiterst reele gegevens waar we niet omheen kunnen.’

 

Een duidelijk nieuw inzicht betreft het failliet van het RSI-fasenmodel dat lange tijd werd gehanteerd. Hierin werd RSI voorgesteld als een klachtenbeeld dat drie gradaties kon doorlopen. Daarbij was fase 3 de meest ernstige, waar je niet meer uit kwam en die onomkeerbare gezondheidsschade tot gevolg had. Blatter: ‘Hoewel je RSI in een ernstige en minder ernstige vorm kunt hebben, is de indeling in drie fasen verlaten. Het is namelijk niet zo dat als je de meest ernstige vorm van RSI hebt, je niet meer kunt herstellen of per definitie blijvende schade oploopt. Er zijn mensen die vanuit de vroegere fase 3 weer helemaal de oude werden. Ook is het bijvoorbeeld niet zo dat milde klachten na enige tijd automatisch verergeren.’

 

Reageer op dit artikel