artikel

VERWEER GAAT MANK

Geen categorie

Een werknemer werkt als betonpompmachinist. Zijn taken zijn het vervoeren en storten van beton bij afnemers van zijn werkgever. In augustus 2001 gaat hij met een pompwagen naar Utrecht om achter het bedrijfspand van de opdrachtgever beton te storten. Hij komt vroeg in de ochtend aan. De grote betonwagen is ruim 10 meter lang, ruim 2,3 meter breed en heeft een gewicht van 26 ton. De wagen heeft een giek die wordt uitgeklapt om verticaal beton te kunnen pompen. De bestrating ter plaatse bestaat uit klinkers. Tijdens de voorbereiding verstapt de werknemer zich op een putdeksel dat iets verzonken in het wegdek ligt en afgedekt is met een zeil om te voorkomen dat betonresten in de put terecht komen. Hij gaat naar de eerstehulppost van het ziekenhuis waar men een verzwikking van de rechterenkel constateert. Later volgen diverse operaties en de werknemer raakt arbeidsongeschikt. Inmiddels zit hij in de bijstand. Hij spreekt zowel de eigen werkgever als de opdrachtgever aan voor zijn schade.

 

De werkgever vindt dat de werknemer geen enkel recht meer heeft op vergoeding, omdat al een fiks bedrag is betaald en ook het loon twee jaar is doorbetaald. De rechter verwerpt dit verweer omdat de werknemer heeft aangetoond dat er nog andere kosten zijn gemaakt. De rechter stelt verder vast dat de schade is ontstaan tijdens de uitoefening van de werkzaamheden. De werkgever is daarom op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor de schade, tenzij hij aantoont dat hij zijn zorgverplichting is nagekomen. De precieze oorzaak is daarbij niet van belang. Er is immers geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid van de kant van de werknemer. De werkgever heeft aangevoerd dat hij niet zou weten welke maatregelen dit voorval hadden kunnen voorkomen. Maar de rechter vindt dit verweer onvoldoende feitelijk onderbouwd. De afstaphoogte was met zo’n 50 cm veel groter dan de normen voor ladders en trappen die de werkgever heeft aangehaald. Dat de bodem van een bouwplaats oneffen is, vormt een reden te meer om te zorgen voor een kleinere afstaphoogte. De werknemer is nooit gewezen op het bijzondere risico van de hoge afstap en er ontbrak een voorziening om die te overbruggen. Naar algemene ervaringsregels is het risico van verzwikking of verstuiking groter naarmate de afstap hoger is. Dat leidt volgens de rechter tot de conclusie dat de werkgever zijn zorgverplichtingen niet is nagekomen. Hij heeft immers de werktuigen niet voldoende voorzien om een ongeval als dit tegen te gaan en er zijn ook onvoldoende aanwijzingen gegeven om ongevallen te voorkomen. Daarmee is de aansprakelijkheid van de werkgever een feit. Vervolgens komt de kantonrechter aan de vraag of er ook sprake is van onrechtmatig handelen van de opdrachtgever: er was immers een afvoerput niet zichtbaar omdat die was afgedekt met een zeil. Op basis van de foto’s van het putdeksel en de daaromheen liggende straatklinkers, gaat de kantonrechter ervan uit dat er sprake was van een hoogteverschil dat voldoende was om iemand zijn enkel te laten verzwikken. Die oneffenheid was niet meer te zien, omdat de opdrachtgever er een dekzeil overheen had gelegd. Een simpele waarschuwing was op z’n plaats geweest, maar is nagelaten. Daarom is de opdrachtgever (ook) aansprakelijk voor de schade van de werknemer.

 

De rechter oordeelt daarom dat zowel de werkgever als de opdrachtgever ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval. Gezien de bepalingen in de aanneemovereenkomst tussen werkgever en opdrachtgever wordt de laatste veroordeeld tot betaling van alle kosten. De opdrachtgever moest immers op grond van die overeenkomst zorgen voor veilige opstelling van de betonpompwagen en moest ook toezicht houden op de veilige werkomstandigheden ter plaatse. Door een zeil neer te leggen waarmee het putdeksel aan het oog is onttrokken, is de opdrachtgever daarin tekortgeschoten.

 

Kantonrechter Nijmegen, 8 augustus 2008, LJN BE9229

 

Reageer op dit artikel